Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:122

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201805027/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:2084, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil, hetgeen tot gevolg heeft dat zij het reeds uitbetaalde bedrag aan voorschotten dient terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-01-2019
FutD 2019-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805027/1/A2.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amersfoort,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 mei 2018 in de zaken nrs. 16/4981 en 16/5101 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil, hetgeen tot gevolg heeft dat zij het reeds uitbetaalde bedrag aan voorschotten dient terug te betalen.

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil, hetgeen tot gevolg heeft dat zij het reeds uitbetaalde bedrag aan voorschotten dient terug te betalen.

Bij afzonderlijke besluiten van 26 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 30 december 2014 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door haar tegen het besluit van 6 januari 2015 gemaakte bezwaar ongegrond.

Bij uitspraak van 16 mei 2018 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.E. González Pérez, advocaat te Helmond, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.R. Baas, advocaat te Den Haag, en mr. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellante] heeft voor de opvang van haar kinderen door een gastouder kinderopvangtoeslag aangevraagd als bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wko).

2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft op 1 september 2014 de kinderopvangtoeslag stopgezet van een groep ouders die gebruikmaakte van gastouderopvang via een gastouderbureau dat verdacht werd van fraude. Deze ouders dienden vervolgens aan te tonen dat zij voldeden aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 en, indien van toepassing, voor eerdere jaren. [appellante] is een van deze ouders. Bij brief van 29 mei 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] excuses aangeboden voor de werkwijze rondom de stopzetting lopende het toeslagjaar 2014, maar daarbij vermeld dat deze excuses niet inhouden dat de dienst een andere beslissing neemt over het recht op toeslag.

    Het geschil gaat over de periodes 11 april 2013 tot en met 31 december 2013 en 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] voor die periodes geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat zij geen bewijzen heeft overgelegd waaruit blijkt hoeveel uren haar partner heeft gewerkt en, voor zover het 2014 betreft, evenmin heeft aangetoond alle opvangkosten daadwerkelijk te hebben betaald.

3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft het bezwaar tegen de nihilstelling van het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2014 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn is ontvangen en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

    Oordeel van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft over het jaar 2013 geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen, om de kinderopvangtoeslag vast te kunnen stellen, aan [appellante] gegevens mocht vragen waaruit blijkt hoeveel uren zij en haar partner hebben gewerkt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat uit de door haar overgelegde gegevens niet kan worden opgemaakt hoeveel uren haar partner heeft gewerkt en dat daarom geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat, aldus de rechtbank.

5.    De rechtbank heeft over het jaar 2014 geoordeeld dat zij in de door [appellante] aangevoerde reden voor de termijnoverschrijding, te weten dat zij het overzicht had verloren door de vele brieven en beschikkingen die zij in 2014 van de Belastingdienst/Toeslagen kreeg, geen aanleiding ziet deze verschoonbaar te achten. [appellante] is bij het besluit van 30 december 2014 gewezen op de mogelijkheid om daartegen bezwaar te maken en het is haar verantwoordelijkheid om dat tijdig te doen, eventueel met de hulp van een derde, aldus de rechtbank.

    Beoordeling van het hoger beroep

6.    [appellante] betoogt dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag. Zij is er ten onrechte de dupe van geworden dat zij de opvang had geregeld via het gastouderbureau dat van fraude werd verdacht en meent dat de Belastingdienst/Toeslagen daarom coulant dient te zijn, te meer nu de dienst haar vanaf 2014 tot de besluiten op bezwaar in 2016 in onwetendheid heeft gelaten over de reden waarom de toeslag is stopgezet en teruggevorderd. Over 2013 voert zij meer in het bijzonder aan dat zij reeds inzicht heeft gegeven in de belastinggegevens en zij graag van de Belastingdienst/Toeslagen zou vernemen op welke wijze zij en haar partner, die beide zelfstandig ondernemer zijn, de gewerkte uren kunnen aantonen. Zij meent dat de door de Belastingdienst/Toeslagen gegeven termijn van twee weken om dit aan te tonen, veel te kort was.

    Over 2014 voert [appellante] meer in het bijzonder aan dat de niet-ontvankelijkheid schrijnend is gezien het verloop van de procedure sinds de plotselinge stopzetting van het voorschot kinderopvangtoeslag.

    [appellante] betwijfelt verder of de Belastingdienst/Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, aangezien de dienst dat volgens haar in andere zaken niet heeft gedaan.

    De op de zaak betrekking hebbende stukken

6.1.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij de rechtbank op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd die ook bij Afdeling aanwezig zijn en heeft bij brief van 19 oktober 2018 aanvullende stukken toegezonden aan [appellante] en de Afdeling. De Afdeling gaat er daarom vanuit dat zij over alle stukken beschikt.

    Het jaar 2013

6.2.    Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, gelezen in samenhang met artikel 1.7, derde lid, van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, per berekeningsjaar moet kunnen aantonen hoeveel uren hij en zijn partner hebben gewerkt. Dat [appellante] dit diende aan te tonen naar aanleiding van een onderzoek naar het gastouderbureau, maakt niet dat deze bewijsplicht anders moet worden uitgelegd of toegepast.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] bij brieven van 19 juli 2014, 28 juli 2014 en 22 september 2014 verzocht om bewijsstukken waaruit blijkt hoeveel uren zij en haar partner in 2013 hebben besteed aan de eigen onderneming. Haar stelling dat zij slechts twee weken de tijd heeft gekregen om deze stukken over te leggen, is daarom niet juist. Ter zitting heeft [appellante] zich nog beroepen op een brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 15 mei 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de dienst alleen stukken wenste te ontvangen over haar eigen onderneming. Aangezien deze brief dateert van na het besluit op bezwaar, en [appellante] gedurende de procedure alsnog stukken over de onderneming van haar partner heeft overgelegd welke door de Belastingdienst/Toeslagen en de rechtbank bij de beoordeling zijn betrokken, kan aan deze brief niet de waarde worden gehecht die zij daaraan gehecht wenst te zien.

6.3.    [appellante] heeft een aangifte inkomstenbelasting over 2013 van haar partner overgelegd. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegelicht dat, indien de belastinginspecteur in de definitieve aanslag vermeldt dat recht bestaat op een zelfstandigenaftrek, de Belastingdienst/Toeslagen er zonder nader bewijs van uitgaat dat 1225 uren zijn gewerkt in de onderneming. Vaststaat dat de inspecteur in de aanslag over 2013 geen zelfstandigenaftrek heeft vastgesteld. [appellante] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze aanslag op een onjuiste aangifte is gebaseerd. De toenmalige boekhouder van haar partner heeft ten onrechte geen zelfstandigenaftrek ingevuld. Op 20 april 2018 heeft haar partner met de hulp van een andere boekhouder een nieuwe aangifte over 2013 ingediend, waarbij wel een beroep is gedaan op de zelfstandigenaftrek. Er is nog geen nieuwe aanslag vastgesteld.

    Gelet op deze stand van zaken is de Belastingdienst/Toeslagen terecht uitgegaan van de aanslag over 2013 zoals deze nu bij hem bekend is. Uit die aanslag, noch de daaraan ten grondslag liggende aangifte, kan worden opgemaakt hoeveel uren de partner van [appellante] heeft gewerkt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu [appellante] niet heeft aangetoond hoeveel uren haar partner heeft gewerkt, de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat.

    Het betoog faalt.

6.4.    Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegezegd dat, indien de inspecteur naar aanleiding van de nieuwe aangifte over 2013 de aanslag herziet en alsnog een zelfstandigenaftrek vaststelt, de dienst het recht op kinderopvangtoeslag over 2013 opnieuw zal beoordelen.

    Het jaar 2014

6.5.    [appellante] heeft niet betwist dat zij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 30 december 2014. Met de rechtbank ziet de Afdeling geen aanleiding deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat de kinderopvangtoeslag plotseling en om onduidelijke redenen werd stopgezet, is daartoe onvoldoende. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, stond in het besluit van 30 december 2014 duidelijk vermeld dat zij daartegen binnen zes weken bezwaar kon maken. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

    Het betoog faalt.

6.6.    Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegezegd het bezwaar aan te merken als een verzoek om herziening en dat verzoek in behandeling te nemen.

    Eindoordeel

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Slump    w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

611.