Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201802791/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:1592, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2016 heeft de minister, voor zover thans van belang, [appellant] een boete opgelegd van € 1.250,00 wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: de Wi).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/73
JV 2019/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802791/1/V6.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2018 in zaak nr. 17/5609 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2016 heeft de minister, voor zover thans van belang, [appellant] een boete opgelegd van € 1.250,00 wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: de Wi).

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft en deze vastgesteld op € 500,00.

Bij uitspraak van 14 februari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Scholtes, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr.drs. E.H.A. van den Berg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De minister heeft [appellant] een boete opgelegd omdat hij er niet in is geslaagd om tijdig, dat wil zeggen vóór 2 oktober 2016, aan zijn inburgeringsplicht te voldoen. Bij het besluit van 4 juli 2017 heeft de minister de boete gematigd tot € 500,00 omdat [appellant] voor het aflopen van de inburgeringstermijn gedurende meer dan 300 uren inburgeringscursus heeft gevolgd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de boete verdergaand te matigen.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het hem niet of verminderd valt te verwijten dat hij niet tijdig aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan en dat de minister daarom van boeteoplegging had moeten afzien of de boete verdergaand had moeten matigen. Hij voert daartoe aan dat hij bij de keuze voor een inburgergingscursus is afgegaan op toezeggingen van VluchtelingenWerk Nederland (hierna: VluchtelingenWerk), op basis waarvan hij in de veronderstelling verkeerde dat hij taalonderwijs kon volgen in de gemeente waar hij destijds woonde. Toen bleek dat VluchtelingenWerk de toezeggingen niet kon nakomen, is hij op zoek gegaan naar een andere aanbieder van inburgeringscursussen. Als hij direct goed op weg was geholpen, was hij binnen de gestelde termijn ingeburgerd. [appellant] wijst er verder op dat hij in de periode dat hij in een asielzoekerscentrum (hierna: AZC) verbleef geen inburgeringscursus kon volgen en dat hij zich zo snel mogelijk heeft ingeschreven voor een inburgeringscursus bij taalbureau Delken&Boot (hierna: D&B), nadat duidelijk was geworden dat dit via VluchtelingenWerk niet mogelijk was. Bij D&B kon hij pas in september 2014 met de inburgeringscursus beginnen, waarna hij op 9 mei 2017, dus binnen drie jaar, het inburgeringsexamen heeft gehaald.

2.1.    Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wi om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

    De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient de minister bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

2.2.    In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor indien de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.3.    De minister heeft ter zitting van de Afdeling desgevraagd bevestigd dat [appellant] geen inspanningen hoefde te verrichten in het kader van zijn inburgeringsplicht gedurende de periode dat hij in een AZC verbleef. In dit geval duurde dat verblijf tot eind november 2013. Vervolgens heeft [appellant] begin 2014 het onder 2 bedoelde contact gehad met VluchtelingenWerk. De minister heeft ter zitting niet weersproken dat [appellant] zich zo snel mogelijk bij D&B heeft ingeschreven nadat bleek dat hij via VluchtelingenWerk geen inburgeringscursus kon volgen. Hij heeft in april 2014 een lening aangevraagd om deze cursus te kunnen bekostigen. De minister heeft ook niet weersproken dat [appellant] vervolgens pas na de zomervakantie, in september 2014, bij D&B kon starten. Verder heeft de minister niet concreet onderbouwd dat als [appellant] in de periode na het contact met VluchtelingenWerk een andere aanbieder dan D&B had benaderd, hij daar vóór september 2014 had kunnen beginnen met een inburgeringscursus.

    Gelet op het voorgaande heeft [appellant] aannemelijk gemaakt alles eraan gedaan te hebben om tijdig te beginnen met zijn inburgeringscursus. Als gevolg van de in 2014 opgelopen vertraging, die niet aan hem is toe te rekenen, heeft hij feitelijk ruim twee jaar de tijd gehad om aan zijn inburgeringsplicht te voldoen, terwijl een inburgeringsplichtige ingevolge artikel 7b, eerste lid, van de Wi hiervoor drie jaar de tijd zou moeten krijgen. Gelet hierop valt het [appellant] niet te verwijten dat hij niet vóór 2 oktober 2016 aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. Daar komt bij dat [appellant] op 9 mei 2017, dus binnen drie jaar na de start van zijn inburgeringscursus bij D&B, het inburgeringsexamen heeft gehaald. Gelet op dit samenstel van feiten en omstandigheden heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister in dit geval had moeten afzien van boeteoplegging.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidend beroep gegrond verklaren, het besluit van 4 juli 2017 vernietigen en het besluit van 22 december 2016 herroepen. Dat betekent dat [appellant] geen boete hoeft te betalen.

4.    De minister moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2018 in zaak nr. 17/5609;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 juli 2017, kenmerk JSCI240/004155361;

V.    herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2016, kenmerk HH35/444733395;

VI.    veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 172,00 (zegge: honderdtweeënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Oei

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

670.