Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1131

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
201709090/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:11241, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2015 heeft de burgemeester aan Rederij Rembrandt een vergoeding van € 6.160,26 toegekend voor nadeel als gevolg van het verlenen van twee evenementenvergunningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709090/1/A2.

Datum uitspraak: 10 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Rederij Rembrandt B.V. (hierna: Rederij Rembrandt), gevestigd te Leiden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2017 in zaak nr. 16/8131 in het geding tussen:

Rederij Rembrandt

en

de burgemeester van Leiden.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2015 heeft de burgemeester aan Rederij Rembrandt een vergoeding van € 6.160,26 toegekend voor nadeel als gevolg van het verlenen van twee evenementenvergunningen.

Bij besluit van 8 augustus 2016 heeft de burgemeester het door Rederij Rembrandt daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de vergoeding vastgesteld op € 7.075,00.

Bij uitspraak van 4 oktober 2017 heeft de rechtbank het door Rederij Rembrandt daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Rederij Rembrandt hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Rederij Rembrandt heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2019, waar Rederij Rembrandt, vertegenwoordigd door mr. R.Th.G. van der Veldt, advocaat te Leiden, vergezeld door [persoon], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, vergezeld door mr. E.M. Pronk en M.G.W. Braam, zijn verschenen. Voorts is drs. P.C.H. Overwater aan de zijde van Rederij Rembrandt als deskundige verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Rederij Rembrandt heeft verzocht om vergoeding van schade, die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de besluiten van de burgemeester van 5 juni 2013, waarbij de burgemeester aan Centrum Management Leiden evenementenvergunningen heeft verleend voor het neerleggen en exploiteren van een ijsbaan op pontons op het water van de Nieuwe Rijn tussen de Visbrug en de Koornbrug en voor het organiseren van een kerstmarkt op pontons op het water van de Nieuwe Rijn tussen de Koornbrug en de Sint Sebastiaansbrug in Leiden. Als gevolg van de evenementenvergunningen was de Nieuwe Rijn in de periode van 2 december 2013 tot en met 7 januari 2014 gestremd. Rederij Rembrandt stelt als gevolg van deze besluiten schade te hebben geleden doordat zij in deze periode geen rondvaarten in de binnenstad van Leiden kon verzorgen.

2.    Bij het besluit van 8 augustus 2016 heeft het college, in afwijking van het advies van de Commissie bezwaarschriften, aan Rederij Rembrandt een schadevergoeding van € 7.075,00 toegekend die bestaat uit een bedrag van € 2.051,00 voor geleden winstderving, een bedrag van € 1.594,00 voor vergoeding van accountantskosten en een bedrag van € 3.430,00 voor vergoeding van advocaatkosten. De burgemeester heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat voor onderhavig verzoek om nadeelcompensatie geen sprake is van normaal maatschappelijk risico, maar dat bij eventuele toekomstige verzoeken om nadeelcompensatie mogelijk een deel van de schade in verband met normaal maatschappelijk risico voor rekening van Rederij Rembrandt zal worden gelaten.

Oordeel van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat Rederij Rembrandt recht heeft op nadeelcompensatie, maar dat partijen verdeeld zijn over de hoogte van de toe te kennen vergoeding. De kosten van de accountant en de advocaat zijn niet meer in geschil. In geschil zijn de vergoeding voor winstderving, de kosten voor het aanpassen van het GPS-systeem en de vermindering van de waarde van de onderneming. De rechtbank heeft over de toegekende vergoeding voor winstderving geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de burgemeester de schadevergoeding op een hoger bedrag had moeten vaststellen. Bij de berekening van de gederfde omzet moeten alleen de reguliere rondvaarten worden betrokken. Nu Rederij Rembrandt voor de niet reguliere rondvaarten geen alternatieven heeft aangeboden wordt niet inzichtelijk of daarvoor belangstelling zou zijn geweest. Rederij Rembrandt heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat zij in december 2013 elke dag zou hebben gevaren en de daarbij door haar berekende gemiddelde dagomzet zou hebben gehaald. Ook heeft de burgemeester bij de berekening van de omzetderving terecht de omzet van november 2013 plus 5% als uitgangspunt genomen. Verder heeft de burgemeester mogen verwachten dat Rederij Rembrandt 50% van haar gemiddelde omzet had kunnen genereren indien zij gebruik had gemaakt van de alternatieve route over de Oude Rijn. Rederij Rembrandt heeft volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat zij daarvoor een risico van imagoschade zou lopen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het betoog van Rederij Rembrandt dat de winstderving onjuist is berekend niet tot een gegrond beroep kan leiden, omdat zelfs als de winstderving op de door Rederij Rembrandt voorgestane wijze wordt berekend het bedrag aan winstderving lager zou zijn dat het door de burgemeester voor winstderving toegekende bedrag van € 2.051,00. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten voor het aanpassen van het GPS-systeem niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat Rederij Rembrandt in de betreffende periode niet gevaren heeft en er dus geen aanpassingen waren vereist voor het gebruikmaken van de alternatieve route. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat Rederij Rembrandt niet heeft onderbouwd dat de onderneming, buiten de geleden omzetschade, door de afsluiting van de Nieuwe Rijn in waarde is gedaald.

Hoger beroep

Winstderving

4.    Rederij Rembrandt betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de door haar in beroep aangevoerde grond dat de burgemeester de winstderving onjuist heeft berekend. Hoewel de door haar voorgestane berekening van de winstderving leidt tot een lager bedrag aan nadeelcompensatie, heeft zij belang bij een inhoudelijk oordeel hierover om foutieve berekeningen van de burgemeester in de besluiten op haar verzoeken om nadeelcompensatie in het kader van de in 2014 tot en met 2018 verleende evenementenvergunningen te voorkomen.

4.1.    Rederij Rembrandt betoogt terecht dat zij belang heeft bij een oordeel over de wijze van berekening van de winstderving door de burgemeester, ook al kan dat in deze zaak niet tot een hoger bedrag aan nadeelcompensatie leiden. Daartoe is van belang dat sprake is van jaarlijks terugkerende evenementen en Rederij Rembrandt verzoeken om nadeelcompensatie heeft ingediend voor hiervoor door de burgemeester in latere jaren verleende evenementenvergunningen. Een inhoudelijk oordeel over de wijze van berekening van de winstderving kan dan worden betrokken bij de toetsing door de burgemeester van die verzoeken.

4.2.    Voor de bepaling van de omvang van de door Rederij Rembrandt geleden winstderving moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie waarin de rederij in werkelijkheid verkeert en de hypothetische situatie waarin zij zou hebben verkeerd wanneer de besluiten van 5 juni 2013 worden weggedacht. In deze hypothetische situatie zou de Nieuwe Rijn in de periode van 2 december 2013 tot en met 2 januari 2014 niet gestremd zijn geweest. Rederij Rembrandt heeft terecht aangevoerd dat de burgemeester de winst die de rederij in dat geval over die periode had kunnen behalen onjuist heeft berekend op een bedrag van € 804,00. De burgemeester heeft voor de berekening van de winstderving ten onrechte bij de gemiddelde winst van Rederij Rembrandt over de jaren 2010, 2011 en 2012 de omzet die de rederij in de kerstperiode had kunnen behalen door de alternatieve route te varen opgeteld en het bedrag dat Rederij Rembrandt aan een schipper heeft moeten doorbetalen daarvan afgetrokken. Om de winstderving te berekenen had de burgemeester, zoals Rederij Rembrandt terecht heeft aangevoerd, de kosten voor het doorbetalen van de schipper moeten aftrekken van de omzet die de rederij in de kerstperiode had kunnen behalen door de alternatieve route te varen en op de uitkomst van die berekening had de burgemeester de nettowinstmarge over de jaren 2010, 2011 en 2012 moeten toepassen. De uitkomst van die berekening is de winst die Rederij Rembrandt over de kerstperiode had kunnen behalen. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat de burgemeester in dit geval de extra brandstofkosten die Rederij Rembrandt had moeten maken om de alternatieve route te varen gemakshalve buiten beschouwing heeft gelaten. Door de winst die de rederij in de kerstperiode had kunnen behalen op te tellen bij de gemiddelde winst die Rederij Rembrandt over de jaren 2010, 2011 en 2012 heeft behaald en de uitkomst van die berekening te delen door de gemiddelde omzet van de rederij over de jaren 2010, 2011 en 2012, had de burgemeester de nettowinstmarge over de kerstperiode moeten uitrekenen. Door vervolgens die marge te vermenigvuldigen met de omzet die Rederij Rembrandt is misgelopen, ondanks dat zij de alternatieve route had kunnen varen, wordt het bedrag aan winstderving berekend. De uitkomst van deze berekening is dat de winstderving van Rederij Rembrandt € 723,60 bedraagt.

4.3.    Rederij Rembrandt heeft dit betoog aldus terecht voorgedragen maar dit betoog kan, nu dit niet leidt tot een hoger bedrag aan nadeelcompensatie, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

5.    Rederij Rembrandt betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester bij de berekening van de omzetderving terecht de omzet van november 2013 als uitgangspunt heeft genomen. De maand november is niet vergelijkbaar met de maand december en de referentieperiode zou langer dan een maand moeten zijn. Anders dan in november zou Rederij Rembrandt in de maand december iedere dag zijn uitgevaren. De Afdeling dient haar tegemoet te komen in de in dit kader bij haar bestaande bewijsnood.

Rederij Rembrandt betoogt voorts dat indien de Afdeling van oordeel is dat bij de berekening van de omzetderving wel uit dient te worden gegaan van de maand november, de burgemeester de omzet over deze maand onjuist heeft vastgesteld door daarbij de gereserveerde rondvaarten, de zogenoemde "specials", niet in de berekening te betrekken. Het varen door een visueel aantrekkelijke omgeving is voor deze rondvaarten even belangrijk als bij reguliere rondvaarten.

Rederij Rembrandt betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester bij de berekening van de omzetderving ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de potentiële extra omzet die de rederij had kunnen genereren in de maand december. In verband met de toename van het aantal bezoekers van Leiden in de kerstperiode had de burgemeester niet een opslag van 5%, maar van 20% moeten hanteren. Verder heeft de burgemeester ten onrechte geen rekening gehouden met de gederfde omzet in verband met het mislopen van boekingen voor bedrijfs- en netwerkborrels, het mislopen van de samenwerking met de NS, de ANWB en het Hotel Golden Tulip en het niet doorgaan van de actie "Varen met de kerstman".

5.1.    Binnen het stelsel van nadeelcompensatie wordt de omvang van de gestelde schade doorgaans berekend door de in de schadeperiode gerealiseerde omzetten en daaraan gerelateerde brutowinsten te vergelijken met de gerealiseerde omzetten en daaraan gerelateerde brutowinsten in een referentieperiode. Uitgangspunt daarbij is dat deze periode in voldoende mate representatief dient te zijn voor de ontwikkeling van de omzetten en/of brutowinsten in de schadeperiode, de schadeveroorzakende ontwikkeling weggedacht. Het is gebruikelijk om van een periode van drie jaar uit te gaan en bij een stabiel verloop van de omzetten deze te middelen en de uitkomsten daarvan als referentieomzet te hanteren, voor zover nodig onder toepassing van een correctie vanwege branche-, markt- en concurrentieverhoudingen en inflatie. Van dit uitgangspunt kan en moet soms worden afgeweken.

In dit geval is de burgemeester, in navolging van een door Rederij Rembrandt overgelegd accountantsrapport van Van Arkel & Wiggers van 20 december 2013, uitgegaan van november 2013 als referentieperiode. Anders dan Rederij Rembrandt betoogt, is er geen grond voor het oordeel dat de burgemeester niet van dit uitgangspunt heeft mogen uitgaan. Daartoe is van belang dat Rederij Rembrandt eerst in 2013 is begonnen met het aanbieden van rondvaarten in de winterperiode, zodat de winterperioden van voorgaande jaren onvoldoende representatief zijn voor de winterperiode 2013/2014. Voorts is van belang dat Rederij Rembrandt niet heeft aangetoond dat zij in de kerstperiode 2013/2014 niet uitsluitend in de weekenden zou hebben gevaren. Het aanmerken van een langere periode in 2013 als referentieperiode zou tot gevolg hebben dat ook maanden waarin Rederij Rembrandt iedere dag heeft gevaren in de beoordeling worden betrokken. Een langere referentieperiode, zoals Rederij Rembrandt voorstaat, is derhalve evenmin voldoende representatief. Nu Rederij Rembrandt in de maand november 2013 eveneens uitsluitend in de weekenden heeft gevaren heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester terecht november 2013 als uitgangspunt heeft genomen.

5.2.    De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij het berekenen van de gederfde omzet alleen de reguliere rondvaarten moeten worden betrokken. Rederij Rembrandt heeft niet met stukken onderbouwd dat zij reserveringen had ontvangen voor "specials" in de kerstperiode. Zij had voor de "specials" voorts alternatieven kunnen aanbieden wat betreft vaarroute of periode. In dit kader is van belang dat de evenementenvergunningen op 5 juni 2013 zijn verleend en Rederij Rembrandt dus bijna zes maanden de tijd heeft gehad om te anticiperen op de tijdelijke stremming van de Nieuwe Rijn.

5.3.    De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat de burgemeester bij de berekening van de omzetderving een opslag van 5% heeft mogen hanteren. De burgemeester heeft, in navolging van het eerdergenoemde accountantsrapport van Van Arkel & Wiggers, voor de berekening van de omzetderving in de kerstperiode op de omzet van de maand november 2013 een opslag van 5% toegepast. In het rapport van Van Arkel & Wiggers is deze opslag gehanteerd omdat Rederij Rembrandt vanaf de maand november alleen rondvaarten aanbiedt in de weekenden en op vakantie- en feestdagen en de maand december meer vakantie- en feestdagen bevat dan de maand november. Met het eerst in hoger beroep overgelegde rapport van Overwater van MKB Advies Partners van 30 april 2018 heeft Rederij Rembrandt onvoldoende onderbouwd dat de winstgevendheid van de onderneming in de maand december 20% hoger is dan in de maand november.

De burgemeester heeft voorts bij de berekening van de omzetderving terecht geen rekening gehouden met de door de rederij gestelde potentiële extra omzet in de maand december. Rederij Rembrandt heeft niet met stukken onderbouwd dat zij voor december 2013 reserveringen voor bedrijfs- en netwerkborrels heeft ontvangen. De rederij heeft voorts de potentiële omzet die zij in de maand december als gevolg van de samenwerking met de NS had kunnen behalen niet op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk gemaakt. Verder ziet de door haar overgelegde overeenkomst met de ANWB op een andere periode en heeft Rederij Rembrandt onvoldoende onderbouwd dat zij aanvragen heeft ontvangen in het kader van de actie "Varen met de kerstman". De burgemeester heeft bij de berekening van de omzetderving aldus terecht geen rekening gehouden met de door Rederij Rembrandt gestelde potentiële extra omzet in de maand december.

5.4.    De betogen falen.

6.    Rederij Rembrandt betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het standpunt van de burgemeester dat zij kosten heeft bespaard door geen rondvaarten aan te bieden tijdens de stremming van de Nieuwe Rijn en het standpunt dat 50% van de gederfde omzet voor rekening van Rederij Rembrandt moet worden gelaten omdat zij dit bedrag aan omzet had kunnen genereren door de alternatieve route te varen, niet samengaan.

Rederij Rembrandt betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester heeft mogen verwachten dat zij 50% van haar gemiddelde omzet had kunnen genereren indien zij gebruik had gemaakt van de alternatieve route. De burgemeester handelt in strijd met het beginsel van fair play en het proportionaliteitsbeginsel door van haar te verlangen dat zij in het kader van haar schadebeperkingsplicht de alternatieve route vaart. Zij loopt door het varen van de alternatieve route kans op imagoschade. Voorts zal het varen van de alternatieve vaarroute leiden tot een verlies aan klanten. Daarnaast vergt het varen van de alternatieve route investeringen voor de aanpassing van het GPS-systeem, de instructie van medewerkers, de verkenning van de route en het aanpassen van de reclame-uitingen, terwijl er maar voor een beperkte tijd gebruik van wordt gemaakt. Verder zou op basis van het vertrouwensbeginsel slechts een afslag van 25% gehanteerd mogen worden, aangezien de burgemeester in zijn brief van 23 april 2015 heeft aangegeven dat dit een redelijker percentage zou zijn.

6.1.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 12 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2593) overwogen dat, hoewel de alternatieve route voor een deel minder aantrekkelijk is, niet kan worden geoordeeld dat de alternatieve vaarroute niet bruikbaar is. Dit betekent dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Rederij Rembrandt omzet had kunnen behalen en kosten had kunnen besparen door het varen van die alternatieve route. Gelet hierop heeft de burgemeester in het kader van de schadebeperkingsplicht van de rederij als uitgangspunt mogen nemen dat de rederij 50% van haar gemiddelde omzet had kunnen genereren indien zij gebruik had gemaakt van de alternatieve route. Dat het varen van de alternatieve route investeringen voor de aanpassing van het GPS-systeem, de instructie van medewerkers, de verkenning van de route en het aanpassen van de reclame-uitingen vergt, terwijl er maar voor een beperkte tijd gebruik van wordt gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is van belang dat de kosten die Rederij Rembrandt moet maken om de alternatieve route te kunnen varen in het kader van het verzoek om nadeelcompensatie voor vergoeding in aanmerking komen (zie daarover onder 7.1).

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat Rederij Rembrandt niet genoegzaam heeft onderbouwd dat zij met het tijdelijk bevaren van de alternatieve route risico van imagoschade zou lopen, hetgeen tot een verlies aan klanten zou leiden. Voor het oordeel dat de burgemeester in dit verband in strijd met het beginsel van fair play en het proportionaliteitsbeginsel heeft gehandeld bestaat derhalve geen grond. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat de burgemeester op basis van het vertrouwensbeginsel slechts een afslag van 25% had mogen hanteren. Hoewel de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over dit betoog, kan dit niet leiden tot het daarmee door Rederij Rembrandt beoogde doel. Daartoe is van belang dat, zoals de burgemeester in de schriftelijke uiteenzetting terecht heeft gesteld, de toepassing van een afslag van 25% tot het uitgangspunt leidt dat Rederij Rembrandt door het varen van de alternatieve route 75% van haar gemiddelde omzet had kunnen genereren. Een dergelijk oordeel is niet in het belang van Rederij Rembrandt, omdat dit leidt tot een lager bedrag aan nadeelcompensatie.

Tot slot heeft de burgemeester zich terecht op het standpunt gesteld dat Rederij Rembrandt kosten, zoals afschrijvingskosten, had kunnen besparen door de alternatieve route te varen. Dit standpunt is niet onverenigbaar met het eveneens door de burgemeester ingenomen standpunt dat de rederij 50% van de omzet had kunnen genereren door de alternatieve route te varen, omdat dit standpunt betrekking heeft op de te genereren omzet, en niet op de te besparen kosten.

De betogen falen.

Kosten aanpassing GPS-systeem

7.    Rederij Rembrandt betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten voor het aanpassen van het GPS-systeem niet voor vergoeding in aanmerking komen. Indien de burgemeester van oordeel is dat zij gebruik had kunnen maken van de alternatieve route, dan dienen ook de kosten te worden vergoed die gemaakt moeten worden om die route te kunnen varen.

7.1.    Dit betoog slaagt. Zoals hiervoor onder 6.1 is overwogen heeft de burgemeester als uitgangspunt mogen nemen dat Rederij Rembrandt 50% van haar gemiddelde omzet had kunnen genereren indien zij gebruik had gemaakt van de alternatieve route. Rederij Rembrandt heeft onweersproken gesteld dat om deze omzet te kunnen genereren, het GPS-gestuurde spraakprogramma van de rondvaartboot moet worden aangepast. De kosten voor het aanpassen van dit GPS-systeem komen in het kader van onderhavig verzoek om nadeelcompensatie dus voor vergoeding in aanmerking. De Afdeling ziet, gelet op de door Rederij Rembrandt ingediende verzoeken om compensatie van nadeel als gevolg van de in de jaren 2014 tot en met 2018 verleende evenementenvergunningen voor dezelfde evenementen, aanleiding het geschil op dit punt definitief te beslechten. Rederij Rembrandt heeft in hoger beroep een offerte van Smart Tour Systems B.V. overgelegd. Volgens die offerte bedragen de kosten voor het aanpassen van het GPS-systeem € 7.496,37. De aanpassing van het GPS-systeem is een eenmalige investering die in het algemeen in vijf jaren wordt afgeschreven. De Afdeling stelt, ex aequo et bono, de vergoeding voor het aanpassen van het GPS-systeem voor onderhavig verzoek om nadeelcompensatie vast op een bedrag van afgerond € 1.500,00.

Waardevermindering van de onderneming

8.    Rederij Rembrandt betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre de tijdelijke afsluiting van de Nieuwe Rijn van invloed is geweest op de totale waarde van de onderneming, anders dan dat zij omzetschade heeft geleden. De rechtbank heeft ten onrechte niet vastgesteld of de waardevermindering van de onderneming tot de omvang van de aan Rederij Rembrandt uit te keren nadeelcompensatie behoort. Indien de rechtbank van oordeel was dat deze schade tot de omvang van de nadeelcompensatie behoorde, had de rechtbank haar een aanwijzing dienen te geven welk bewijs de rechtbank van haar verwachtte en haar in staat moeten stellen dit bewijs aan te dragen. In hoger beroep heeft Rederij Rembrandt de waardedaling van de onderneming als gevolg van het evenementenbeleid 2013-2018 en de op basis van dit beleid verleende evenementenvergunningen begroot op € 44.000,00. Voor de berekening van die waardedaling verwijst Rederij Rembrandt naar het rapport "Waardering aandelen Rederij Rembrandt B.V." van Overwater van 30 april 2018.

8.1.    Dit betoog faalt. Hoewel geleden vermogensschade door waardevermindering van een onderneming, voor zover die niet verdisconteerd is in een inkomensvergoeding, voor nadeelcompensatie in aanmerking kan komen, komt de door Rederij Rembrandt gestelde vermogensschade in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking. Daartoe wordt als volgt overwogen. Voor de bij de besluiten van 5 juni 2013 verleende evenementenvergunningen bestond geen planologische grondslag in het bestemmingsplan. Op 10 juli 2014 heeft de raad van de gemeente Leiden het bestemmingsplan "Nieuwe Rijn" vastgesteld. Dat plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor jaarlijks terugkerende evenementen op het water van de Nieuwe Rijn. Zo Rederij Rembrandt al schade heeft geleden als gevolg van de afsluitingen van de Nieuwe Rijn die hebben plaatsgevonden na de vaststelling van dat bestemmingsplan, kan in een planschadeprocedure aan de orde komen of deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Voor zover Rederij Rembrandt stelt dat zij als gevolg van de op 5 juni 2013 verleende evenementenvergunningen vermogensschade heeft geleden, wordt overwogen dat de gestelde schade slechts tijdelijk van aard is en daarom in beginsel geen duurzaam waardedrukkend effect heeft op de waarde van de onderneming. Rederij Rembrandt heeft met het rapport van Overwater van 30 april 2018 niet aannemelijk gemaakt dat de onderneming als gevolg van de verleende evenementenvergunningen permanent in waarde is gedaald. Voorts is daaruit niet gebleken dat Rederij Rembrandt door de tijdelijke waardevermindering schade heeft geleden. Rederij Rembrandt heeft, hoewel de burgemeester in het besluit van 8 augustus 2016 in afwijking van de Commissie bezwaarschriften geen tegemoetkoming heeft toegekend voor waardevermindering van de onderneming, in beroep niet met stukken onderbouwd dat de waarde van de onderneming als gevolg van de verleende evenementenvergunningen is verminderd. Onder deze omstandigheden was het niet aan de rechtbank haar een aanwijzing te geven welk bewijs van haar werd verwacht en haar in staat te stellen dit bewijs aan te dragen.

Slotsom

9.    Gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2016 van de burgemeester alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet, eveneens gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen, aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling stelt de hoogte van de nadeelcompensatie vast op een bedrag van € 8.575,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2014 tot aan de dag van algehele voldoening. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

10.    De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

11.    Voor de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, volgens de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), punten toegekend aan verrichte proceshandelingen. In beroep gaat het om twee proceshandelingen, te weten het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting bij de rechtbank. In hoger beroep gaat het eveneens om twee proceshandelingen, te weten het indienen van een hogerberoepschrift en het verschijnen ter zitting bij de Afdeling. Dit zijn in totaal 4 punten. Per punt wordt volgens genoemde bijlage een forfaitair bedrag van € 512,00 toegekend. Dat komt neer op € 2.048,00.

12.    Over de door Rederij Rembrandt in hoger beroep opgevoerde deskundigenkosten wordt het volgende opgemerkt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2162) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.

De kosten van het rapport van MKB Advies Partners B.V. van 30 april 2018, waarin de waardedaling van Rederij Rembrandt als gevolg van het bestemmingsplan Nieuwe Rijn is berekend, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de waardedaling van de onderneming als gevolg van dat bestemmingsplan niet relevant is bij de beoordeling of Rederij Rembrandt schade heeft geleden als gevolg van de onderhavige evenementenvergunningen.

De kosten van het rapport van MKB Advies Partners B.V. van 30 april 2018, waarin de winstderving van Rederij Rembrandt als gevolg van de verleende evenementenvergunningen is berekend, komen voor vergoeding in aanmerking, omdat Rederij Rembrandt dit rapport heeft laten opstellen om de door haar gestelde winstderving als gevolg van de evenementenvergunningen te onderbouwen. Uit de facturen van 4 april 2018 en 2 mei 2018 met bijgevoegde urenspecificaties kan worden afgeleid dat in totaal 34,5 uur tegen een uurtarief van € 165,00, exclusief BTW, is besteed aan het opstellen van de beide rapporten. Nu in de urenspecificatie niet voor alle uren is gespecificeerd aan welk rapport deze uren zijn besteed, acht de Afdeling een vergoeding van 10 uur redelijk. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, in samenhang gelezen met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, geldt voor de vergoeding van de gemaakte kosten voor een deskundigenrapport een tarief van ten hoogste € 121,95 per uur. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van dit deskundigenrapport is derhalve € 1.219,50. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting.

13.    De vergoeding voor de door Overwater in verband met de zitting van de Afdeling gemaakte reiskosten wordt, op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder c, van dat besluit en artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, forfaitair vastgesteld op € 27,10. De vergoeding voor de door Overwater in verband met de zitting van de Afdeling gemaakte verletkosten wordt, op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder d, van dat besluit en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, forfaitair vastgesteld op € 487,80.

14.    De vergoeding voor door Bierenbroodspot in verband met de zitting van de Afdeling gemaakte reiskosten wordt, op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder c, van dat besluit en artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, forfaitair vastgesteld op € 12,90. De vergoeding voor door Bierenbroodspot in verband met de zitting van de rechtbank gemaakte reiskosten wordt op dezelfde voet forfaitair vastgesteld op € 7,40.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2017 in zaak nr. 16/8131;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de burgemeester van Leiden van 8 augustus 2016, kenmerk Z/16/253625;

V.    bepaalt dat de burgemeester van Leiden aan Rederij Rembrandt B.V. € 8.575,00 aan nadeelcompensatie betaalt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt de burgemeester van Leiden tot vergoeding van bij Rederij Rembrandt B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.802,70 (zegge: drieduizend achthonderdtwee euro en zeventig cent);

VIII.    gelast dat de burgemeester van Leiden aan Rederij Rembrandt B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 835,00 (zegge: achthonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Komduur

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019

809.