Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201710435/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:11568, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2017 heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet de opstallen op het perceel gelegen aan de [locatie] te Roermond voor twaalf maanden gesloten met ingang van 6 maart 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/275
JB 2019/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710435/1/A3.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Roermond,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 november 2017 in zaak nr. 17/2743 in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2017 heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet de opstallen op het perceel gelegen aan de [locatie] te Roermond voor twaalf maanden gesloten met ingang van 6 maart 2017.

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2017 vernietigd, bepaald dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit en het besluit van 23 februari 2017 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.    

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2018, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.G.G. van Nisselroij, advocaat te Venlo, en mr. P.M.A. van Wersch, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. F.J.H.M. Berndsen, mr. M.M.P.E. van Helmond, advocaten te Breda, [belanghebbende A] en [belanghebbende B], zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De van belang zijnde bepalingen uit de Opiumwet zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Besluitvorming

2.    Bij het besluit van 23 februari 2017 heeft de burgemeester saunaclub [wederpartij] gesloten omdat de politie bij een onderzoek ter plaatse op 26 november 2016 6,92 g harddrugs, waaronder 2,55 g cocaïne en 16 XTC-pillen (waarvan MDMA de werkzame stof is), en 4,5 g softdrugs heeft aangetroffen. De burgemeester heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd. De XTC-pillen zijn volgens de motivering van het besluit op bezwaar niet in vijf verschillende lockers aangetroffen, maar in één locker. Daarnaast is op de parkeerplaats een boterhamzakje met 2,3 g XTC aangetroffen. Gelet op de aangetroffen hoeveelheden drugs, die de hoeveelheid voor eigen gebruik overschrijden, heeft de burgemeester aannemelijk geacht dat in de saunaclub drugs worden verhandeld en verstrekt of daartoe aanwezig zijn. Volgens hem is niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen drugs alleen voor eigen gebruik zijn. Verder hebben prostituees verklaringen afgelegd dat klanten in het lokaal drugs gebruiken.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat in beginsel mag worden aangenomen dat drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking indien de aangetroffen hoeveelheid groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik die in de jurisprudentie nadien is bepaald op 0,5 gram harddrugs. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

    De rechtbank heeft geconstateerd dat er tegenstrijdigheden bestaan tussen de bestuurlijke rapportage van 6 januari 2017, de aanvullende rapportage van 31 mei 2017 en het proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2017 ten aanzien van de door de opsporingsambtenaren op 26 november 2016 waargenomen en geverbaliseerde feiten en omstandigheden. De tegenstrijdigheden zien op de vindplaatsen en de daar aangetroffen hoeveelheden harddrugs. Voor [wederpartij] is hierdoor niet duidelijk ten aanzien van welk feitencomplex zij het tegendeel aannemelijk moet maken. Daarmee is het voor haar feitelijk onmogelijk om aannemelijk te maken dat de aangetroffen drugs niet bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Gelet hierop had de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik kunnen maken. Ook de bij de aanvullende rapportage van 17 april 2017 gevoegde verklaringen vormen geen toereikende grondslag voor de sluiting van de saunaclub, aldus de rechtbank.

Hoger beroep van de burgemeester

4.    De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij niet van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik mocht maken. Hij voert daartoe aan dat gelet op de aangetroffen 6,92 g harddrugs, hetgeen meer is dan de gebruikershoeveelheid van 0,5 g, in beginsel mag worden aangenomen dat de drugs zijn bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking en het aan [wederpartij] is om aannemelijk te maken dat dat niet het geval is. De bestuurlijke rapportages zijn niet tegenstrijdig of onvolledig. [wederpartij] kan daaruit opmaken waar de drugs zijn aangetroffen. De rapportage van 31 mei 2017 is een verduidelijking van de rapportage van 6 januari 2017. Van onverenigbare feiten is geen sprake. De politie heeft de 16 XTC-pillen, 4,47 g harddrugs, in één locker aangetroffen. Het was aan [wederpartij] om aannemelijk te maken dat deze grote hoeveelheid XTC-pillen niet is bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verder is duidelijk dat in de locker van een masseur 1,1 g cocaïne is aangetroffen. Het was duidelijk voor [wederpartij] dat het aan haar was om daarvan het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank heeft de burgemeester ten onrechte verweten dat hij niet heeft vermeld in welke lockers of auto de op 26 november 2016 aangetroffen harddrugs zijn gevonden. De politie bepaalt de inhoud van de rapportages en niet de burgemeester. [wederpartij] is verantwoordelijk voor de gang van zaken in het lokaal. De persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van het lokaal noopt. Daarnaast heeft de rechtbank geen acht geslagen op de overige feiten en omstandigheden van het geval. Er zijn harddrugs gevonden in lockers van twee prostituees, de locker van een klant, op de tafel in een peeskamer, in de bar en op de parkeerplaats. Op de parkeerplaats is een boterhamzakje met 2,3 g harddrugs aangetroffen. Dit feit is wel aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. Ook de afgelegde verklaringen van de prostituees dat klanten in het lokaal drugs gebruiken zijn van belang voor de besluitvorming. Verder blijkt uit het proces-verbaal van 23 november 2016 van twee pseudokopers dat een in de saunaclub werkzame prostituee heeft verteld dat bezoekers in het lokaal cocaïne gebruiken en dat zij dat ook aan bezoekers gaf. Tot slot heeft de rechtbank miskend dat aan bijlage 3 bij de bestuurlijke rapportage van 17 april 2017 wel bewijskracht toekomt omdat het om een proces-verbaal gaat dat op ambtseed dan wel ambtsbelofte is opgemaakt. De handgeschreven verklaring op blanco papier is de achterzijde van het proces-verbaal. Op de voorzijde is "z.o.z." vermeld. Gelet op al deze feiten en omstandigheden was hij bevoegd om tot sluiting van de saunaclub over te gaan. Van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat hij niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, is niet gebleken, aldus de burgemeester.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs immers met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan evenwel worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.

    De Afdeling erkent dat de hoeveelheid van 0,5 g harddrugs voor eigen gebruik arbitrair is, maar dat ter wille van de rechtszekerheid en hanteerbaarheid aansluiting bij dit criterium niet onredelijk is. Het is dan vervolgens aan de rechthebbende op het pand om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Dit betekent, dat indien het om een geringe overschrijding van de 0,5 g grens gaat en de rechthebbende feiten en omstandigheden kan noemen waaruit volgt dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik zou kunnen gaan, er dan in beginsel toch geen bevoegdheid tot sluiting is en de burgemeester zal moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs bestemd is voor de verkoop, aflevering en verstrekking, zodat hij niettemin bevoegd is om ter zake van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

4.2.    Niet in geschil is dat bij saunaclub [wederpartij] 6,92 g harddrugs is aangetroffen. Dit overschrijdt de door het openbaar ministerie als voor eigen gebruik aangemerkte hoeveelheid van maximaal 0,5 g. Derhalve is in beginsel aannemelijk dat het om een handelshoeveelheid drugs ging die (mede) bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit het pand.

    De bestuurlijke rapportages die aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd, zijn weliswaar niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt, maar dat betekent niet dat hieraan geen betekenis toekomt. Onder deze bestuurlijke rapportages is vermeld dat deze naar waarheid zijn opgemaakt en staat de handtekening van een politieambtenaar. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de bestuurlijke rapportages en de daaraan ten grondslag liggende stukken elkaar niet tegenspreken.

    De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er sprake is van zodanige tegenstrijdigheden in de bestuurlijke rapportages die aan de besluitvorming ten grondslag liggen dat het voor [wederpartij] niet mogelijk is zich tegen de door de burgemeester tegengeworpen bevindingen te verweren. Weliswaar is de burgemeester er in het besluit van 23 februari 2017 op basis van de bestuurlijke rapportage van 6 januari 2017 van uitgegaan dat de 16 XTC-pillen op verschillende plaatsen zijn aangetroffen en heeft hij dit standpunt gewijzigd in het besluit op bezwaar van 18 juli 2017, maar hij heeft die wijziging afdoende en op voor [wederpartij] kenbare wijze onderbouwd. In de rapportage van 6 januari 2017 is niet vermeld dat de tabletten zijn aangetroffen op verschillende plaatsen maar slechts dat 16 tabletten met verschillende kleuren en logo’s positief op MDMA zijn getest onder vermelding van het gewicht. Bij elk monster is telkens vermeld dat dit is aangetroffen in: "locker klant". Voorts heeft de burgemeester verwezen naar de bestuurlijke rapportage van 31 mei 2017 waarin is vermeld dat de beschrijving van de in beslaggenomen tabletten in de eerdere rapportage van 6 januari 2017 uitsluitend is ontleend aan de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Blijkens een bij de bestuurlijke rapportage van 31 mei 2017 gevoegd proces-verbaal van 27 november 2016 zijn 16 XTC-pillen aangetroffen in de locker die door een aanwezige in de club als de bij hem in gebruik zijnde locker met de aan hem verstrekte sleutel werd geopend. Blijkens het proces-verbaal van inbeslagname van 5 december 2016 zijn 16 pillen met verschillende logo’s in beslaggenomen met vermelding van de bijzonderheid "zakje met diverse pillen". Aan de in beslaggenomen pillen zijn blijkens dat proces-verbaal de ook door het NFI gebezigde monsternummers toegekend, waarna het NFI deze positief op MDMA heeft getest. Aldus is niet gebleken van tegenstrijdigheden in de door de burgemeester gebruikte rapportages en is het nadere in het besluit op bezwaar ingenomen standpunt van de burgemeester dat alle MDMA-pillen in één locker zijn aangetroffen afdoende onderbouwd. Ook het in de bestuurlijke rapportage van 6 januari 2017 en 31 mei 2017 gestelde dat onder een medewerker van de club 1,1 gram cocaïne in diens locker in beslag is genomen, is niet tegenstrijdig met de inhoud van een bij de laatste rapportage gevoegd proces-verbaal. Daaruit komt immers niet meer naar voren dan dat er kennelijk ook een zoeking in diens auto heeft plaats gevonden. Dat genoemde hoeveelheid cocaïne in een locker in de club is aangetroffen blijkt afdoende uit het proces-verbaal kennisgeving inbeslagname van 5 december 2016, zoals ook blijkt uit de opsomming van de eerder vastgelegde gang van zaken in het proces-verbaal van 6 oktober 2017.

    De burgemeester kon er daarom bij zijn besluitvorming van uitgaan dat in de club onder meer bovengenoemde op zichzelf staande hoeveelheid van 1,1 gram cocaïne en een op zichzelf staande hoeveelheid van 16 pillen bevattende MDMA (4,47 g) waren aangetroffen.

4.3.    Volgens het "Damoclesbeleid 2012 woningen en lokalen" wordt een lokaal gesloten voor de duur van twaalf maanden indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs. Zoals hiervoor is overwogen wordt bij de aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.

4.4.    Op grond van de aangetroffen hoeveelheid harddrugs en het door hem vastgestelde beleid was de burgemeester bevoegd tot sluiting over te gaan. Dit betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester daartoe kon besluiten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

4.5.    De burgemeester heeft terecht van belang geacht dat er op verschillende plekken in de saunaclub harddrugs, waaronder de twee bovengenoemde handelshoeveelheden, zijn aangetroffen, namelijk in lockers, in de bar en in een peeskamer. Daarnaast heeft de burgemeester in bezwaar ook meegewogen dat naast de aangetroffen 6,92 g harddrugs ook nog 2,3 g MDMA op de parkeerplaats bij de saunaclub is aangetroffen. Ook dit is een handelshoeveelheid harddrugs, die gelet op wat er verder is aangetroffen en nu de parkeerplaats onder toezicht van de beheerders van de club staat, bij de beoordeling kon worden betrokken. Uit verklaringen die bij de saunaclub werkzame prostituees hebben afgelegd, die zijn bijgevoegd als bijlage 4 bij de bestuurlijke rapportage van 17 april 2017, volgt weliswaar niet direct dat in de saunaclub drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt of met het oog op handel aanwezig zijn, maar wel dat prostituees regelmatig zien dat klanten drugs gebruiken en dat er niet intensief op drugs wordt gecontroleerd. [wederpartij] heeft weliswaar ter zitting bij de Afdeling verklaard maatregelen te hebben getroffen ter voorkoming van drugs in de saunaclub, maar een deel van de genoemde maatregelen is pas getroffen na het besluit van de burgemeester tot sluiting van de saunaclub. De borden waarop is aangegeven dat drugs zijn verboden, en het huisreglement zijn onvoldoende voor het oordeel dat reeds ten tijde van de inbeslagname voldoende maatregelen waren getroffen. Verder blijkt uit een verklaring van een klant dat het mogelijk is om cocaïne te kopen als men de saunaclub geregeld bezoekt, zelf heeft hij dat een keer of twee gedaan. Deze verklaring is weliswaar op de niet ondertekende achterkant van het proces-verbaal opgenomen, maar dat betekent niet - anders dan de rechtbank heeft overwogen - dat hieraan geen betekenis toekomt. Daartoe is van belang dat op de voorkant "z.o.z." is vermeld en dat het handschrift op de voor- en achterzijde hetzelfde is. Op de laatste pagina van het proces-verbaal, dat is ondertekend, is bovendien eveneens vermeld dat de getuige verklaarde dat het mogelijk is om ter plaatse cocaïne te kopen. Verder is er een proces-verbaal van heimelijke informatie-inwinning door twee pseudokopers. Hierin staat vermeld dat een prostituee verklaarde dat mannen altijd "sniffen" (cocaïne gebruiken) op het toilet. Zij verklaarde een aantal mannen te kennen die gebruikten en dat zij het hun gaf. Gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden heeft de burgemeester dit proces-verbaal ter ondersteuning van zijn standpunt dat in de saunaclub drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, in de besluitvorming mogen betrekken, ook al heeft de pseudokoper op die avond zelf geen gebruik of dealen van drugs waargenomen.

    Het betoog van de burgemeester slaagt.

5.    Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Geen incidenteel hoger beroep [wederpartij]

6.    [wederpartij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de burgemeester ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank slaagt. [wederpartij] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat meer dan 0,5 g harddrugs een belangrijke hoeveelheid drugs is en een indicatie dat het gaat om een handelshoeveelheid. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b van de Opiumwet blijkt dat de enkele aanwezigheid van drugs niet voldoende is voor de toepassing van deze bepaling. Bij kleine hoeveelheden moet de relatie tussen het aanwezig zijn en de handel op grond van andere feiten en omstandigheden dan het gewicht van de aangetroffen drugs aannemelijk worden gemaakt. Dergelijke andere feiten en omstandigheden op grond waarvan een relatie met verkopen, afleveren of verstrekken aannemelijk kan worden geacht, zijn er niet, aldus [wederpartij].

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:681, is voor het antwoord op de vraag of een stuk als incidenteel hoger beroepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt, niet beslissend dat uitdrukkelijk gesteld is dat incidenteel hoger beroep wordt ingesteld. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 23 en 24) is met het bieden van de mogelijkheid van het instellen van incidenteel hoger beroep beoogd een partij de bevoegdheid te geven om naar aanleiding van het principaal hoger beroep van een wederpartij alsnog ook zelf in hoger beroep te komen. Aldus wordt de processuele positie van de verwerende partij in hoger beroep versterkt, in die zin dat deze een tegenaanvalswapen in handen krijgt, en is het instellen van principaal hoger beroep niet meer zonder risico, nu de appellerende partij er door de tegenaanval van de wederpartij ook op achteruit kan gaan. Met het instellen van incidenteel hoger beroep beoogt de incidenteel appellant te bewerkstelligen dat hij in een rechtens gunstiger positie komt te verkeren ten opzichte van de positie waarin hij na de uitspraak van de rechtbank verkeerde.

    De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 18 juli 2017 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 23 februari 2017 herroepen. Hierdoor is het niet mogelijk dat [wederpartij] door het instellen van incidenteel hoger beroep in een rechtens gunstiger positie komt te verkeren. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het stuk van 12 maart 2018 geen incidenteel hogerberoepschrift is als bedoeld in artikel 8:110, eerste lid, van de Awb. Omdat het hoger beroep van de burgemeester gegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, dienen echter nog wel de beroepsgronden van [wederpartij] te worden beoordeeld, voor zover die nog bespreking behoeven.

Beroep van [wederpartij]

7.    [wederpartij] betoogt dat de burgemeester niet in redelijkheid tot sluiting van de saunaclub kon overgaan. In dat kader wijst zij erop dat de zeden- en vreemdelingenpolitie zes maal per jaar komt controleren en nooit onregelmatigheden heeft geconstateerd. Verder is ten aanzien van het op het parkeerterrein aangetroffen boterhamzakje slechts uit een indicatieve test gebleken dat het om 2,3 g MDMA gaat. Het is onduidelijk waar het boterhamzakje vandaan komt. Het is een grote parkeerplaats met ruimte voor honderd auto’s. Tot slot wijst [wederpartij] erop dat het om een grote club gaat, waarin forse investeringen zijn gedaan, waar slechts een relatief kleine hoeveelheid drugs is aangetroffen.

7.1.    In de omstandigheid dat niet eerder onregelmatigheden bij [wederpartij] zijn geconstateerd, heeft de burgemeester in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om af te zien van sluiting. Zoals reeds overwogen kan op basis van het Damoclesbeleid een lokaal voor de duur van twaalf maanden worden gesloten indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van meer dan 0,5 gram harddrugs, ook als het om een eerste overtreding gaat. Ten aanzien van het aangetroffen boterhamzakje heeft de burgemeester zich in het besluit van 23 februari 2017 op het standpunt gesteld dat dit geen zelfstandig dragend element is waarop de sluiting is gebaseerd. Hij mocht dit echter wel meenemen in de beoordeling of sluiting van de saunaclub evenredig is. Ter zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester verklaard ook geen aanleiding te hebben gezien van sluiting af te zien wegens de grootte van de saunaclub. Gelet op de overige feiten en omstandigheden, zoals deze in overweging 4.5 zijn vermeld, is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester de door [wederpartij] aangevoerde omstandigheden niet als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb hoefde te zien die tot afwijking van het Damoclesbeleid noopten. De conclusie is dat de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van het pand gebruik heeft kunnen maken.

    Het betoog van [wederpartij] faalt.

8.    Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 23 februari 2017 is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 november 2017 in zaak nr. 17/2743;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Niane-van de Put

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

805. BIJLAGE

Opiumwet

Artikel 2

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I […] C. aanwezig te hebben; […].

Artikel 3

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II […] C. aanwezig te hebben; […].

Artikel 13b

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

[…]

Lijst I

[…]

Cocaïne

[…]

MDMA

[…]