Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201803152/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2017 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant] een watervergunning te verlenen voor het vrije gebruik van de beschermingszone van de hoofdwatergang grenzend aan het perceel [locatie] te Ureterp (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/8033
JOM 2019/282
JWA 2019/8 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803152/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ureterp, gemeente Opsterland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 maart 2018 in zaak nr. 17/3127 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Wetterskip Fryslân (hierna: het dagelijks bestuur).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2017 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant] een watervergunning te verlenen voor het vrije gebruik van de beschermingszone van de hoofdwatergang grenzend aan het perceel [locatie] te Ureterp (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 mei 2017 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 20 januari 2017 ingetrokken, de weigering van de watervergunning voor het  vrije gebruik van de beschermingszone van de hoofdwatergang gehandhaafd en aan [appellant] een vergunning verleend voor de schuur en een draaibord van zonnepanelen gelegen binnen een deel van de beschermingszone van de hoofdwatergang grenzend aan het perceel.

Bij besluit van 21 juli 2017 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.D. Haja, advocaat te Twello en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door drs. G. Jansen, mr. E.B. van Kalsbeek en A. van Schaik, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op het perceel van [appellant] geldt een beschermingszone als bedoeld in artikel 4.7 van de Algemene toelichting op de legger van het Wetterskip Fryslân. De breedte van deze beschermingszone bedraagt 5 meter. [appellant] heeft een aanvraag ingediend voor een watervergunning voor het vrije gebruik van deze beschermingszone. [appellant] beoogt met deze aanvraag te bereiken dat het door het dagelijks bestuur uitgevoerde onderhoud niet meer vanaf zijn perceel plaatsvindt, zodat zijn gazon niet wordt aangetast door het onderhoudsmateriaal waarvan het dagelijks bestuur gebruik maakt. Volgens [appellant] is zijn perceel het enige particuliere perceel dat het dagelijks bestuur gebruikt voor het plegen van onderhoud aan een hoofdwatergang. Daarnaast heeft [appellant] met de aanvraag beoogd de deels in de beschermingszone van de hoofdwatergang geplaatste draaibare zonnepanelen en de door hem gebouwde schuur te legaliseren. In hoger beroep is uitsluitend aan de orde de weigering om het vrije gebruik van de beschermingszone toe te staan aan [appellant].

Wettelijk kader

2.    Artikel 3.2, eerste lid, van de Keur Wetterskip Fryslân 2013 (hierna: de Keur) luidt:

"Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken en te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen."

    Artikel 1.1 van de Keur luidt:

In deze keur en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

a. bergingsgebied: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen;

b. beschermingszone: aan een waterstaatswerk of het profiel van vrije ruimte grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk of het toekomstig werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden;

[…].

3.    Het dagelijks bestuur heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat de beschermingszone in stand moet blijven in verband met het waterhuishoudkundig belang. Er wordt een terughoudend beleid gevoerd bij het verlenen van ontheffingen voor werkzaamheden in deze beschermingszone, waarbij de weging van waterstaatkundige belangen leidend is. Volgens het dagelijks bestuur kunnen in uitzonderlijke gevallen andere aanverwante belangen of maatschappelijke belangen zwaarder wegen indien zij geen zware belemmering vormen voor het voeren van onderhoud of werken. Het privébelang van [appellant], te weten het privégebruik van een robotmaaier, weegt naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet zwaarder dan het waterstaatkundige belang dat gemoeid is met de beschermingszone.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid de door hem gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren. Hiertoe voert [appellant] aan dat op tientallen adressen eenzijdig onderhoud wordt gepleegd bij vergelijkbare woonpercelen met een gazon. Dat het daarbij uitsluitend zou gaan om tegenover elkaar aan het water gelegen percelen waarvan de eigenaren onderling zijn overeengekomen dat slechts vanaf één perceel onderhoud wordt verricht is volgens [appellant] door het dagelijks bestuur niet aannemelijk gemaakt. In dit verband verwijst [appellant] naar diverse adressen waar volgens hem eenzijdig onderhoud wordt gepleegd zodat geen onderhoud hoeft te worden verricht op een met zijn perceel te vergelijken particulier perceel.

    Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank met het noemen van een geval dat haar ambtshalve bekend is waarbij ook geen medewerking is verleend aan het eenzijdig onderhouden binnen een beschermingsgebied buiten haar bevoegdheden is getreden. Volgens [appellant] handelt de rechtbank in strijd met artikel 8:69, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het beginsel van hoor- en wederhoor, omdat de rechtbank verwijst naar een geval dat door geen van de partijen is aangevoerd en evenmin is besproken ter zitting van de rechtbank. Bovendien valt het door de rechtbank aangehaalde geval volgens [appellant] niet te vergelijken met zijn situatie. [appellant] voert hiertoe aan dat in het in die procedure aan de orde zijnde geval het perceel van de aanvrager niet wordt betreden met onderhoudsmaterieel, omdat het perceel niet kan worden bereikt met dat materiaal. Het onderhoud vindt volgens [appellant] vanaf de overkant van de watergang plaats.

4.1.    In hetgeen door [appellant] in hoger beroep is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur de belangen van het behoud van de beschermingszone voor de bescherming van de waterhuishoudkundige functies en het plegen van onderhoud zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij het kunnen maaien van zijn perceel met een robotmaaier.

    De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door in dit geval het vrije gebruik van de beschermingszone van de hoofdwatergang te weigeren. Daarbij is van belang dat in de gevallen waarbij slechts vanaf één perceel wordt gemaaid tussen de betrokken grondeigenaren is afgesproken dat alleen vanaf dat perceel zal worden gemaaid. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting van de Afdeling nader toegelicht dat dergelijke afspraken, indien zij worden gemeld, worden vermeld op een kaart en dat bij nieuwe omstandigheden, zoals verandering van eigenaar, de situatie opnieuw wordt beoordeeld. In de overige gevallen wordt om het jaar afwisselend op de betrokken percelen gemaaid. Niet in geschil is dat in dit geval geen sprake is van dergelijke afspraken, wat wordt bevestigd door de inhoud van de door het dagelijks bestuur overgelegde brief van de eigenaar van het perceel tegenover het perceel van [appellant]. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het dagelijks bestuur in afwijking van hetgeen naar voren is gebracht in gevallen waarin de grondeigenaren onderling niet tot een overeenkomst zijn gekomen, toch is overgegaan tot het verlenen van het vrije gebruik van de beschermingszone van de hoofdwatergang en het verrichten van eenzijdig onderhoud. Weliswaar heeft de rechtbank ten onrechte zonder het in de rechtbank uitspraak bedoelde geval ter zitting van de rechtbank aan de orde te stellen overwogen dat haar ambtshalve in elk geval nog één ander geval bekend is waarbij het dagelijks bestuur voor onderhoud gebruik maakt van particulier terrein, maar dit leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daarbij is van belang dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat [appellant] onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te achten dat het dagelijks bestuur in een vergelijkbaar geval, waarbij geen sprake is van een overeenkomst tussen de betrokken grondeigenaren, eenzijdig onderhoud verricht. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak dan ook met verbetering van gronden bevestigen.     

5.    De betogen van [appellant] dat de rechtbank in het procesverloop ten onrechte heeft vermeld dat het besluit op bezwaar dateert van 25 juli 2017 en dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte is vermeld dat hij is bijgestaan door zijn gemachtigde ter zitting van de rechtbank zijn niet gericht tegen een dragende overweging van de aangevallen uitspraak. Deze betogen kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6.    Voor zover [appellant] zijn in beroep aangevoerde gronden herhaalt en inlast, vormt dit een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Slot en conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Borman    w.g. Vermeulen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

700.