Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201802704/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad 2010, 8e herziening (kernwinkelgebied zuid)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2019/6907
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802704/1/R2.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en de Vereniging van Eigenaars Hoge Torenwoningen

Complex Pieter Vreedeplein [..] tot en met [..] te Tilburg (hierna: VvE),

wonend respectievelijk gevestigd te Tilburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad 2010, 8e herziening (kernwinkelgebied zuid)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en de VvE beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben Wereldhave Nederland B.V. (hierna: Wereldhave) en Winkelrondje B.V. (hierna: Winkelrondje) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2018, waar de raad, vertegenwoordigd door D.J. Kersten, ing. M. Olthuis, ing. J. Mastenbroek en T. Kalsbeek-Feenstra, is verschenen. Voorts zijn ter zitting Wereldhave, vertegenwoordigd door mr. C.J. Verhoog en [gemachtigde], en Winkelrondje, vertegenwoordigd door [gemachtigde], beide bijgestaan door mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Buiten bezwaar van partijen zijn ter zitting stukken overgelegd.

Overwegingen

1. De raad, Wereldhave en Winkelrondje stellen zich op het standpunt dat het beroep van [appellant A] en de VvE niet-ontvankelijk is, omdat zij geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit. In dit verband voeren de raad, Wereldhave en Winkelrondje aan dat de afstand tussen het appartementencomplex aan het Pieter Vreedeplein waarin [appellant A] en de leden van de VvE wonen en het plangebied ten minste 100 m bedraagt en zij slechts zeer beperkt zicht hebben op het plangebied. Verder zullen zij volgens de raad ter plaatse van hun appartementen geen ruimtelijke gevolgen ondervinden van het plan.

1.1. Artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[…]

3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

Artikel 8:1 luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

1.2. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

[appellant A] richt zich in beroep tegen het plan, dat in de binnenstad van Tilburg voorziet in de realisatie van een winkelpassage en woningbouw, onder meer in een wooncomplex van ten hoogste 55 m. [appellant A] is eigenaar van het appartement met huisnummer [..] in een appartementencomplex aan het Pieter Vreedeplein en gebruikt dit appartement als woning. Hij woont op een afstand van ongeveer 100 m van het plangebied. De afstand tot het in het plan voorziene wooncomplex van ten hoogste 55 m bedraagt ongeveer 200 m. Tussen het appartementencomplex aan het Pieter Vreedeplein en het plangebied staat bebouwing met een hoogte van ongeveer 20 m. Gelet hierop zou [appellant A] vanuit zijn woning aan het Pieter Vreedeplein uitsluitend zicht kunnen hebben op het bovenste deel van het voorziene wooncomplex en wel vanaf een afstand van ongeveer 200 m. Noch is gebleken dat dit zicht vanuit de woonkamer zal bestaan, noch dat [appellant A] ten gevolge van de realisatie van het wooncomplex het uitzicht op een specifieke groen- of stedelijke voorziening zal verliezen. De wijziging in het blikveld van [appellant A] ten gevolge van het project is naar het oordeel van de Afdeling van te geringe betekenis om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang aan te nemen. Temeer gezien de stedelijke omgeving waarin het plangebied en het Pieter Vreedeplein zijn gelegen.

[appellant A] heeft voorts geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat desondanks een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit tot vaststelling van het plan zou worden geraakt.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat gezien de afstand van ongeveer 200 m van het voorziene wooncomplex tot de woning van [appellant A], niet aannemelijk is dat zijn privacy zal worden aangetast. Voorts is niet aannemelijk dat [appellant A] ter plaatse van zijn appartement gevolgen zal kunnen ondervinden door verkeershinder en parkeeroverlast vanwege de bewoners en bezoekers van de in het plan voorziene ontwikkelingen. Ter zitting is gebleken dat het plan niet zal leiden tot een toename van expeditieverkeer op het Pieter Vreedeplein, aangezien de toegang tot dit plein voor autoverkeer wordt afgesloten. Verder heeft de raad gesteld dat [appellant A] beschikt over een eigen parkeerplaats in een afgescheiden deel van de parkeergarage onder het appartementencomplex aan het Pieter Vreedeplein.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat [appellant A] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit is. Hij kan daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep instellen.

1.3. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY6762, volgt dat een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee opkomt voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. In de situatie van een splitsing in appartementsrechten als bedoeld in titel 9 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ingevolge artikel 5:112 voorzien in de verplichting tot oprichting van een vereniging van eigenaars die ten doel heeft het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars. Hieruit volgt dat een vereniging van eigenaars uit haar aard in beginsel opkomt voor de gemeenschappelijke belangen van de eigenaars, zoals overigens ook is vermeld in artikel 42, derde lid, van de statuten van de VvE. Buiten twijfel is dat de VvE in dit geval opkomt voor de gemeenschappelijke belangen van haar leden. Die leden zijn eigenaar van de woningen met huisnummers [..] tot en met [..] in het appartementencomplex aan het Pieter Vreedeplein, waar ook [appellant A] woont. Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen de Afdeling onder 1.2 heeft geoordeeld, zijn de belangen van de VvE niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken.

Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de VvE geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit is. Zij kan daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep instellen.

1.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant A] en de VvE

niet-ontvankelijk.

1.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Schoonbrood

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

694.