Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1018

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
201804637/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:2001, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2017 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] te Utrecht te sluiten voor de duur van een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2019/109 met annotatie van Mr. M.H.W. Bodelier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804637/1/A3.

Datum uitspraak: 3 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 mei 2018 in zaak nr. 17/3797 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Utrecht en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2017 heeft de burgemeester [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] te Utrecht te sluiten voor de duur van een jaar.

Bij besluit van 28 maart 2017 heeft het college aan [appellant] een boete opgelegd van € 7.500,00 wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan de bestemming tot bewoning.

Bij besluit van 8 augustus 2017 hebben de burgemeester en het college het door [appellant] tegen beide besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 mei 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door drs. S.A.N. Geerling, rechtsbijstandverlener te Zoetermeer, en de burgemeester en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Verkerk, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] is eigenaar van een woning aan de [locatie] te Utrecht. Naar aanleiding van een melding van de politie zijn toezichthouders van de gemeente de woning binnengetreden op 20 februari 2017. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat zij hebben geconstateerd dat in de woning een hennepkwekerij was, dat de woning niet werd bewoond en grotendeels niet geschikt was om te bewonen.

Op basis van de bevindingen van de toezichthouders heeft de burgemeester besloten de woning te sluiten voor de duur van een jaar, omdat er een handelshoeveelheid drugs aanwezig was, en heeft het college besloten een bestuurlijke boete op te leggen ter hoogte van € 7.500,00, omdat [appellant] de woning aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester en het college nagenoeg gelijktijdig mochten overgaan tot de sluiting van de woning en het opleggen van de bestuurlijke boete. Daarvoor heeft de rechtbank van belang geacht dat de burgemeester en het college afdoende hebben gemotiveerd dat het hier gaat om verschillende voorschriften, die verschillende belangen beogen te beschermen en dat ook verschillende bestuursorganen met de handhaving ervan zijn belast. De sluiting van de woning betreft een sanctie om het woon- en leefklimaat te herstellen en verdere drugshandel te voorkomen; de bestuurlijke boete is daarentegen opgelegd vanwege een overtreding van de wettelijke bepaling dat een woning niet zonder vergunning aan de woningvoorraad mag worden onttrokken en is een bestraffende sanctie, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de uitwerking van de bestuurlijke sancties botst. De burgemeester en het college willen immers een woning doen toekomen aan de gemeentelijke woningvoorraad, of minstens daartoe beschikbaar hebben, terwijl de sluiting ertoe leidt dat de woning een jaar lang niet beschikbaar is. De burgemeester en het college waren niet gehouden om beide sancties op te leggen. Het college had de bestuurlijke boete daarbij niet mogen opleggen, omdat het oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Ter zitting bij de rechtbank heeft het college namelijk aangevoerd dat het opleggen van de bestuurlijke boete mede gebaseerd was op de omstandigheid dat [appellant] geld zou hebben verdiend aan de hennepkwekerij. De Huisvestingswet 2014 is niet bedoeld om een boete op te leggen vanwege mogelijke verdiensten. Ten slotte betoogt hij dat hem geen verwijt te maken valt ten aanzien van de onttrekking van de woning aan de bestemming tot bewoning. Ter onderbouwing heeft hij de uitspraak van de rechtbank van 17 augustus 2018 overgelegd, waarin hij door de strafrechter is vrijgesproken voor betrokkenheid bij de hennepteelt, omdat het beheer en de inspecties van de woning werden gedaan door zijn zoon.

5.    De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de bestuurlijke boete een bestraffende sanctie is en de sluiting van de woning een herstelsanctie. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, blz. 88) staat: "Cumulatie van een bestraffende sanctie (een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke sanctie) met een herstelsanctie is in beginsel mogelijk, omdat beide typen sancties naar doel en strekking verschillen. Een herstelsanctie strekt er toe (de gevolgen van) de overtreding te beëindigen of ongedaan te maken, een bestraffende sanctie strekt er toe de overtreder te straffen."

De bestuurlijke boete is dan ook niet opgelegd met als doel de woning weer toe te voegen aan de woningvoorraad, maar met het doel [appellant] te straffen omdat hij de woning heeft onttrokken aan de woningvoorraad. Het college mocht hierbij van belang achten dat met het opleggen van een bestuurlijke boete een signaal wordt afgegeven dat tegen het onttrekken van een woning zonder vergunning wordt opgetreden. Het doel dat de burgemeester wilde bereiken met de sluiting was het voorkomen dat de woning nog langer zou worden gebruikt ten behoeve van het drugscircuit. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de uitwerking van deze sancties botst en is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester en het college in redelijkheid beide sancties konden opleggen.

Het college heeft op de zitting toegelicht dat het de mogelijke opbrengst van de hennepkwekerij heeft meegewogen bij de afweging of de hoogte van de boete evenredig is. Daarmee heeft het college - anders dan [appellant] betoogt - geen oneigenlijk gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid.

5.1.    De bepalingen waarin is vastgelegd dat het verboden is een woning te onttrekken aan de bestemming tot bewonen, te weten artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 4.1.2, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2015, bevatten geen opzet of schuld als bestanddeel. In beginsel mag dan bij bewezenverklaring van de gedraging waarvoor de boete is opgelegd van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, en dus alle schuld afwezig is, bestaat evenwel geen grond voor boeteoplegging. Een zodanige situatie doet zich naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet voor. [appellant] is als eigenaar in beginsel verantwoordelijk voor hetgeen zich in zijn woning afspeelt. Weliswaar is hij vrijgesproken door de strafrechter, maar dit brengt niet zonder meer mee dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt dat de woning aan de bestemming tot bewoning is onttrokken. Hierbij is van belang dat in een andere woning van [appellant] eerder, in 2015, een hennepkwekerij is aangetroffen waarbij zijn zoon eveneens betrokken was. [appellant] was daarom een gewaarschuwd man. Van hem mocht worden verwacht dat hij nauwlettend zorg zou dragen voor een goed beheer van zijn woningen. Door de woning aan de Cooklaan in beheer te geven aan zijn zoon en hem inspecties te laten uitvoeren, heeft [appellant] een risico genomen dat voor zijn rekening komt. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, indien [appellant] niet zelf in staat was tot beheer en inspectie, hij een andere tussenpersoon had kunnen inschakelen of de woning had kunnen verkopen.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling evenmin aanleiding om de boete wegens een verminderde mate van verwijtbaarheid te matigen.

5.2.    Het betoog faalt.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Klein

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2019

176-851.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:41

Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Opiumwet

Artikel 13b

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

[…].

Huisvestingswet 2014

Artikel 21

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden;

[…].

Artikel 35

1. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in de artikelen 8, 21 of 22, of van het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

[…].

Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2015

Artikel 4.1.1

Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing op gebouwen die woonruimten bevatten met een WOZ-waarde lager dan € 305.000 (prijspeil 2015).

Artikel 4.1.2

Het is verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen in artikel 4.1.1:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken;

[…].

Artikel 5.2

a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete voor de overtreding van artikel 2.2.1, eerste en tweede lid, artikel 4.1.2, artikel 4.1.7, artikel 4.2.2 en artikel 4.2.5.

b. Burgemeester en wethouders bepalen de hoogte van de op te leggen boete overeenkomstig de tabel in bijlage 2.

c. Voor de eerste overtreding van artikel 2.2.1, eerste en tweede lid, artikel 4.1.2, artikel 4.1.7, artikel 4.2.2 en artikel 4.2.5 gelden de boetes overeenkomstig kolom A van de tabel.

[…].

Bijlage 2