Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
201803358/4/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/234
Module Ruimtelijke ordening 2019/8165
BA 2019/130
Gst. 2019/89 met annotatie van J.W. van Zundert
JOM 2020/640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803358/4/R1.

Datum uitspraak: 3 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Hegelsom, gemeente Horst aan de Maas, en anderen,

en

de raad van de gemeente Horst aan de Maas,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2019, waar onder meer [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellante sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door M.R. Noordzij en drs. C.J.G. Reintjens-Riga, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. F. Khalil, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

De Afdeling heeft de beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen na de zitting afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201803358/4/R1.

Overwegingen

1.    De termijn voor het instellen van beroep liep tot en met 4 mei 2018. Het beroepschrift van [appellant sub 1] is op 25 mei 2018 door de Afdeling ontvangen. Het beroepschrift van [appellante sub 2] en anderen is op 28 september 2018 door de Afdeling ontvangen. Derhalve zijn de beroepen te laat ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de termijnoverschrijdingen met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar moeten worden geacht.

2.    Artikel 3.8, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening luidt: "De bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geschiedt binnen twee weken na de vaststelling. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. […] In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn op een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan de artikelen […] 3:43, 3:44 […] van toepassing."

    Artikel 3:43, eerste lid, van de Awb luidt: "Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. […]".

    Artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt: "Indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, geschiedt de mededeling, als bedoeld in artikel 3:43, eerste lid: door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht."

    Het tweede lid, aanhef en onder d, luidt: "In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het bestuursorgaan: indien toezending zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending achterwege laten."

3.    [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen hebben zienswijzen naar voren gebracht op het ontwerpbesluit. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voeren aan dat zij erop mochten vertrouwen dat aan hen een afschrift van het besluit zou worden verstuurd dan wel dat zij op de hoogte zouden worden gesteld van een reactie op de zienswijze. [appellant sub 1] stelt pas op of omstreeks 23 mei 2018 op de hoogte te zijn geraakt van de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in het kader van de voorbereiding van de zitting van 11 juni 2018 bij de Afdeling in een handhavingsprocedure over het gebruik van de betrokken groepsaccommodatie. [appellante sub 2] en anderen stellen eerst op 14 september 2018, bij de voorbereiding van een zitting van de rechtbank Limburg over het beroep tegen een geweigerde omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwe Aldi-supermarkt op de locatie Stationsstraat 137 in Hegelsom, bekend te zijn geworden met de inhoud van het bestreden besluit en de bekendmaking van dat besluit.

4.    De raad heeft op grond van artikel 3:44, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb toezending van een exemplaar van het besluit achterwege gelaten. De Afdeling stelt vast dat in totaal 252 zienswijzen zijn binnengekomen op het ontwerpbesluit, met inbegrip van de zienswijzen van Tennet, Gasunie en LLTB. Gelet daarop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling toezending van een afschrift van het vastgestelde besluit achterwege mogen laten. Op 22 maart 2018 heeft publicatie plaatsgevonden van de vaststelling van het plan in het gemeenteblad, de Staatscourant en de lokale krant. In de door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen aangevoerde omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De omstandigheid dat zij geen kennis hebben genomen van de publicaties dient voor hun eigen risico te blijven. Bij het voorgaande betrekt de Afdeling dat de indieners van zienswijzen bij brief van 24 november 2017 ervan op de hoogte zijn gesteld dat vaststelling was voorzien in de raadsvergadering van 19 december 2017.

5.    De beroepen zijn niet-ontvankelijk.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Zwemstra

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2019

91.