Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:1003

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
201807811/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:11112, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/211
NJB 2019/1085
JV 2019/116 met annotatie van Brouwer, D., Nijland, J.A., Ooijen, H. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807811/1/V1.

Datum uitspraak: 4 april 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 augustus 2018 in zaak nr. 18/2036 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.I. Siers, advocaat te Nijmegen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 22 augustus 2017 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling is 51 jaar oud. Referent, haar vader, is 72 jaar oud. Beiden hebben de Marokkaanse nationaliteit. Referent verblijft sinds 1970 in Nederland. Van 1988 tot en met 1999 was aan hem een maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd. Van 2000 tot 2012 woonde hij samen met de vreemdeling, die sinds 2000 onrechtmatig in Nederland heeft verbleven om voor hem te zorgen. Sinds 2012 verblijft referent in een ggz-instelling van Pro Persona, omdat tegen hem een machtiging tot gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis is uitgevaardigd. Hij heeft aangegeven dat hij buiten deze instelling wil wonen. Daarvoor heeft hij mantelzorg nodig. Om hem deze mantelzorg te kunnen geven, heeft de vreemdeling in 2017 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend. In februari 2019 is zij naar Marokko vertrokken.

De staatssecretaris heeft de aanvraag, onder verwijzing naar paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), afgewezen. Volgens hem heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat tussen haar en referent 'more than the normal emotional ties' bestaan, zodat geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat.

Hoger beroep

2.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij zijn standpunt dat tussen de vreemdeling en referent geen 'more than the normal emotional ties' bestaan, ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De staatssecretaris voert aan dat hij in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bij de beoordeling heeft betrokken of tussen hen exclusieve afhankelijkheid bestaat. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat het niet uitsluitend de vreemdeling is die referent de benodigde zorg kan geven, aangezien hij op dit moment adequate zorg krijgt in de ggz-instelling. Daarom bestaan volgens de staatssecretaris tussen de vreemdeling en referent geen 'more than the normal emotional ties'.

3.    Paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000, voor zover nu van belang, luidt:

'[…] De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s). […]'

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1417), volgt uit onder meer het arrest van het EHRM van 17 februari 2009, Onur tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907, dat voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun niet-jongvolwassen meerderjarige kinderen is vereist dat 'additional elements of dependence' - oftewel 'more than the normal emotional ties' - bestaan. Uit het arrest van het EHRM van 17 januari 2012, Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806, volgt dat het al dan niet bestaan van dergelijk familie- of gezinsleven in essentie een kwestie van feitelijke aard is en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Uit onder meer de beslissingen van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens van 10 december 1984, S. en S. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1984:1210DEC001037583, en 29 juni 1992, Akhtar e.a. tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1992:0629DEC001485289, komt naar voren dat elementen zoals financiële of materiële afhankelijkheid, de gezondheid van een van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst bij de beoordeling van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden van belang kunnen zijn. Voorts volgt uit de arresten van het EHRM van 12 januari 2010, A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606, en 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, en de uitspraken van de Afdeling van 3 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:4060, 14 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2070, en 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2533, dat bij de vraag of voormelde 'ties' bestaan, onder meer gewicht mag worden toegekend aan de vraag of ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg kunnen geven.

3.2.    Uit de onder 3.1 weergegeven jurisprudentie volgt dat voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een ouder en een niet-jongvolwassen meerderjarig kind is vereist dat 'more than the normal emotional ties' bestaan, dat voor deze 'ties' onder meer financiële of materiële afhankelijkheid van belang kan zijn en dat de staatssecretaris hierbij zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. De staatssecretaris betrekt dan ook in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bij de beoordeling of tussen de desbetreffende vreemdeling en de desbetreffende referent voormelde 'ties' bestaan, onder meer of de gestelde afhankelijkheid tussen hen exclusief is.

3.3.    De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich in het besluit van 26 februari 2018 niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen de vreemdeling en referent geen 'more than the normal emotional ties' bestaan. Hoewel de staatssecretaris op zichzelf niet heeft betwist dat de vreemdeling referent mantelzorg zou kunnen geven, heeft de staatssecretaris aan zijn standpunt niet ten onrechte ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat, naar gesteld, uitsluitend zij referent de benodigde zorg kan geven. Immers, in een brief van de behandelaar van referent van 5 november 2018 staat dat hij op dit moment adequate zorg krijgt in de ggz-instelling en uit een brief van de behandelaar van 6 oktober 2016 volgt dat - hoewel hiervoor lange wachtlijsten bestaan en referent dit niet wil - er een mogelijkheid is dat hij in een Regionale Instelling voor Beschermde Woonvormen verblijft. Weliswaar is het begrijpelijk dat referent graag wil dat de vreemdeling in zijn mantelzorg voorziet, maar deze wens betekent op zichzelf niet dat er geen reële alternatieven zijn. Voorts heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd dat referent, naar gesteld, juist door haar hulp tot 2012 buiten een instelling heeft kunnen verblijven. Verder heeft de staatssecretaris terecht bij de beoordeling of voormelde 'ties' bestaan, betrokken dat referent al in 1970 naar Nederland is gekomen, dat de vreemdeling 22 jaar geen contact met hem heeft gehad en dat zij eerst sinds 2000 een rol heeft gespeeld in zijn resocialisatie, terwijl al sinds 1988 sprake is van gezondheidsproblematiek. Dat de vreemdeling, naar gesteld, naar Nederland is gekomen, omdat referent zorg nodig heeft, betekent op zichzelf niet dat tussen hen 'more than the normal emotional ties' bestaan. Ten slotte heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de bezoeken van de vreemdeling aan de ggz-instelling weliswaar wenselijk zijn voor referent, maar dat zij het bestaan van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM niet aannemelijk heeft gemaakt met haar verklaring dat zij hem, tot haar vertrek, eens per week bezocht en dat zij dan samen wat gingen eten en drinken.

3.4.    De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het besluit van 26 februari 2018 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroep

5.    De vreemdeling heeft aangevoerd dat beschermenswaardig privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat. Zij heeft betoogd dat zij sinds 2000 veel sociale contacten heeft gekregen, goed is geïntegreerd en goed Nederlands heeft leren spreken, dat zij bij het Internationaal Vrouwencentrum verschillende cursussen heeft gevolgd en vrijwilligerswerk heeft verricht, dat zij op dit moment een zelfstudie voor schoonheidsspecialiste doet en crèmes en parfums maakt en dat zij niet kan terugkeren naar Marokko, omdat zij in grote mate is vernederlandst en daar geen sociaal netwerk heeft.

5.1.    De staatssecretaris heeft terecht in aanmerking genomen dat de vreemdeling in Marokko is geboren en getogen en daar ruim 30 jaar heeft gewoond. Voorts zijn de overige aangevoerde feiten en omstandigheden niet zo bijzonder dat - gelet op de uitspraken van de Afdeling van 20 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7090, en 22 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:255, en ook op wat het EHRM heeft overwogen in het arrest van 8 april 2008, Nnyanzi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0408JUD002187806 - op grond daarvan uit het recht op respect voor haar privéleven de verplichting voortvloeit haar in Nederland verblijf toe te staan. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van het recht op respect voor privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

De beroepsgrond faalt.

6.    De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat zij - gelet op artikel 8 van het EVRM - moet worden vrijgesteld van het vereiste van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en dat de staatssecretaris - gelet op de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840 - ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

6.1.    Onder 3.3 en 5.1 is overwogen dat geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven of privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat. Voorts heeft de vreemdeling niet toegelicht waarom de staatssecretaris de door haar aangevoerde omstandigheden ten onrechte niet als bijzonder heeft aangemerkt (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR6703).

De beroepsgrond faalt.

7.    De vreemdeling heeft ten slotte aangevoerd dat de staatssecretaris haar ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord.

7.1.    De staatssecretaris mag slechts krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 22 augustus 2017 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mede bezien in het licht van hetgeen onder 3.3 en 5.1 is overwogen, is aan deze maatstaf voldaan.

De beroepsgrond faalt.

Conclusie beroep

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Het besluit van 24 oktober 2018 wordt ingevolge artikel 6:24 gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb in de beoordeling betrokken.

Uit het voorgaande volgt dat aan dat besluit, dat ter uitvoering van de vernietigde uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.

10.    Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 augustus 2018 in zaak nr. 18/2036;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 oktober 2018, V-nummer 284.061.5214.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Schuurman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2019

282-861.