Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201706728/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Naoorloogse Wijken, Drienerstaete" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7859
JOM 2019/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706728/1/R6.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en anderen, wonend te Hengelo,

appellanten,

en

1.    de raad van de gemeente Hengelo,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Naoorloogse Wijken, Drienerstaete" vastgesteld.

Bij besluit van 6 juli 2017 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het herbestemmen van een bestaand kantoorpand tot appartementencomplex aan de [locatie] te Hengelo.

Bij besluit van 6 juli 2017 heeft het college aan [bedrijf] een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 1 berk en 2 acacia's aan de [locatie] te Hengelo.

Tegen deze besluiten hebben [appellant A] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en anderen en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2018, waar [appellant A] en anderen, bij monde van [appellant A] en [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door M.D. de Vries, P.L. Drent en B.H. Meijer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.H.B. Averdijk, advocaat te Enschede, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan maakt het mogelijk dat een bestaand kantoorpand aan de [locatie] te Hengelo gebruikt gaat worden voor bewoning. In het plan worden maximaal 29 wooneenheden mogelijk gemaakt. Het perceel [locatie] grenst aan de zuidzijde aan de Isaac da Costastraat, waar [appellant A] en anderen in laagbouw wonen.

    In verband met het realiseren van de appartementen is ook een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor de activiteit bouwen. Voorts is een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo verleend voor de activiteit kappen.

2.    De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Ontvankelijkheid

3.    De raad en het college betogen dat het beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant C], niet-ontvankelijk is, voor zover het is gericht tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Volgens de raad en het college heeft [appellant C] daarover geen zienswijze naar voren gebracht.

3.1.    Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan slechts beroep worden ingesteld tegen de besluiten als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, van de Wro door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan en de ontwerpbesluiten een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

3.2.    Het besluit waarbij het plan is vastgesteld en de besluiten waarbij de omgevingsvergunningen zijn verleend zijn gecoördineerd voorbereid. Uit de zienswijze van [appellant C] volgt dat [appellant C] zich niet kan verenigen met de verandering van het bestaande kantoorpand in een appartementengebouw, de bouw van een extra verdieping en de kap van bomen. De zienswijze is daarmee gericht tegen zowel het plan als tegen de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen onderscheidenlijk de activiteit kappen. Gelet hierop is er geen grond het beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant C], niet-ontvankelijk te verklaren voor zover dat is gericht tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

4.    De raad en het college betogen dat het beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant B] en is gericht tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, voor zover dat ziet op het aspect welstand. Volgens de raad en het college heeft [appellant B] daarover geen zienswijze naar voren gebracht. Zij stellen verder dat [appellant C] in de zienswijze voor zover deze is gericht tegen het plan uitsluitend gronden naar voren heeft gebracht over de aspecten privacy en het aantal parkeerplaatsen. Voor zover het beroep ziet op andere gronden, zouden deze, voor zover het beroep is ingesteld door [appellant C], volgens de raad en het college buiten de beoordeling moeten worden gelaten.

4.1.    Niet bepalend is of een bepaalde beroepsgrond al in de zienswijze over het ontwerpplan en de omgevingsvergunningen naar voren is gebracht, maar of de beroepsgrond ziet op een besluitonderdeel dat in de zienswijze is bestreden.

    Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van de bestreden besluiten zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

4.2.    Het plan kent aan het gehele plangebied de bestemming "Wonen" toe. De zienswijzen die [appellant B] en [appellant C] naar voren hebben gebracht zien daarop. Voorts zijn de zienswijzen gericht tegen de omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen en kappen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo. Deze besluiten laten zich in dit geval niet opdelen in meerdere besluitonderdelen.

    De door de raad en het college bedoelde gronden hebben betrekking op besluitonderdelen die [appellant B] en [appellant C] in hun zienswijze hebben bestreden. Er is daarom geen grond het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Procedureel

5.     [appellant A] en anderen stellen dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) niet van toepassing is, omdat de raad eerst na vaststelling van het plan deze wet van toepassing heeft geacht.

5.1.    Artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw luidt:

"Afdeling 2 van de Chw is van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten."

    Categorie 3.1 van bijlage 1 luidt:

"ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden".

5.2.    Omdat het plan voorziet in meer dan 11 woningen is, gelet op artikel 1, gelezen in samenhang met bijlage 1, categorie 3.1, van de Chw, reeds daarom afdeling 2 van hoofdstuk 1 van die wet van toepassing op de bestreden besluiten. De toepassing van de Chw vloeit derhalve voort uit de wet.

    Het betoog faalt.

6.    De raad en het college stellen dat [appellant A] en anderen buiten de beroepstermijn in hun nader stuk van 3 september 2017 nieuwe gronden hebben aangevoerd.

6.1.    Artikel 1.6a van de Chw luidt:

"Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd."

    Artikel 6:7 van de Awb luidt:

"De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken."

    Artikel 6:8, vierde lid, luidt:

"De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd."

    Artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet luidt:

"1. Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, wordt dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.

2.  Indien tegen het besluit beroep openstaat, wordt bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit voorts vermeld dat:

a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen;

b. het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en

c. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld."

6.2.    De besluiten zijn bekendgemaakt op 11 juli 2017, onder meer in de Staatscourant. Dat betekent dat de beroepstermijn is gaan lopen op 12 juli 2017 en eindigde op 22 augustus 2017. In de bekendmaking is geen melding gemaakt van de omstandigheid dat de Chw van toepassing is. Op 25 juli 2017 is een rectificatie van de bekendmaking gepubliceerd, waarin staat dat de Chw van toepassing is en dat daarom, gelet op artikel 1.6a van de Chw, na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden kunnen worden ingediend.

6.3.    Indien in de rechtsmiddelenverwijzing, zoals in dit geval, niet is vermeld dat in verband met de toepasselijkheid van de Chw de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb en uit een oogpunt van kenbaarheid van wettelijke bepalingen, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd.

6.4.    De Afdeling acht aannemelijk dat [appellant A] en anderen tot de rectificatie van de bekendmaking op 25 juli 2017 niet wisten of konden weten dat zij na afloop van de termijn van zes weken voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer konden aanvoeren. Op dat moment waren reeds 2 weken van de beroepstermijn verstreken. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen grond het nader stuk van 3 september 2017, voor zover daarin al nieuwe beroepsgronden zijn opgenomen, buiten beschouwing te laten.

7.    [appellant A] en anderen stellen dat het verweerschrift te laat is ingediend.

7.1.    Aan de raad en het college is een termijn voor het indienen van een verweerschrift gegeven tot en met 25 september 2017. Het verweerschrift is op 25 september 2017, derhalve binnen deze termijn, bij de Afdeling binnengekomen, zodat het betoog feitelijke grondslag mist.     

8.    [appellant A] en anderen stellen dat de procedure opnieuw moet worden doorlopen omdat vergunning is verleend voor de kap van 3 bomen in plaats van de 4 bomen waar de ontwerpomgevingsvergunning voor de activiteit kappen betrekking op heeft.

8.1.    De ontwerpomgevingsvergunning heeft betrekking op de kap van 1 berk, 1 wilg en 2 acacia’s. De omgevingsvergunning voor voormelde activiteit is verleend voor het kappen van 1 berk en 2 acacia’s. In het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend staat dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant B] is gebleken dat de wilg niet op grond staat die eigendom is van de aanvrager. Het college heeft de aanvrager daarom in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te passen in die zin, dat deze geen betrekking meer heeft op de wilg.

    Naar het oordeel van de Afdeling betreft deze wijziging van de aanvraag een wijziging van ondergeschikte aard. Er is daarom geen aanleiding voor de conclusie dat een nieuwe aanvraag had moeten worden ingediend, waarvoor een nieuwe procedure had moeten worden doorlopen.

    Het betoog faalt.

9.    Het door [appellant A] en anderen ingediende verzoek om informatie als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur staat nu niet ter beoordeling. Hetgeen zij daarover naar voren hebben gebracht laat de Afdeling daarom buiten beschouwing.

Bestemmingsplan

Toetsingskader

10.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Tweede complex

11.    Het plan voorziet niet in het realiseren van een tweede complex op het perceel. De raad heeft voorts naar voren gebracht dat in verband met de ontwikkeling van een eventuele tweede fase nog geen aanvragen zijn ingediend. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de raad daar bij de vaststelling van het plan rekening mee had behoren te houden. Het betoog van [appellant A] en anderen dat ertoe strekt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ontwikkeling van een tweede complex faalt.

Beeldkwaliteitsplan

12.    [appellant A] en anderen stellen dat een beeldkwaliteitsplan had moeten worden opgesteld en niet mocht worden volstaan met een welstandstoets. Zij brengen naar voren dat bij een plan dat 16 woningen mogelijk maakt op gronden die zijn gelegen aan dezelfde straten als het voorliggende plan wel een beeldkwaliteitsplan is opgesteld.

12.1.    Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen door het bevoegd gezag, geldt op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo, in samenhang bezien met artikel 12a van de Woningwet, de welstandsnota als toetsingskader in verband met redelijke eisen van welstand. Er is geen rechtsregel die ertoe strekt dat een beeldkwaliteitsplan moet worden opgesteld bij de vaststelling van een plan. Hetgeen [appellant A] en anderen hierover hebben aangevoerd geeft daarom geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen. De gronden die [appellant A] en anderen hebben aangevoerd over het aspect welstand zullen hierna worden besproken onder het kopje "Omgevingsvergunning voor bouwen".

    Het betoog faalt.

Geluid

13.    [appellant A] en anderen stellen de deugdelijkheid van de berekeningen van de geluidbelasting vanwege de weg Laan van Driene op de gevels van de nieuw te ontwikkelen woningen in het rapport "Akoestisch onderzoek bouwplan transformatie kantoorgebouw [locatie]" van Buijvoets bouw- en geluidsadvisering van 31 oktober 2016 (hierna: het geluidrapport) aan de orde. Volgens hen is die geluidbelasting groter dan berekend, omdat het verkeer op de Laan van Driene volgens hen wordt onderschat.

13.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

13.2.    Het belang van [appellant A] en anderen is erin gelegen dat zij gevrijwaard willen blijven van de realisering van nieuwe appartementen in de nabijheid van hun percelen. De ingeroepen normen betreffen normen uit de Wet geluidhinder die niet strekken tot dat belang maar tot de bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners van de nieuw te ontwikkelen woningen. In navolging van het oordeel van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2728, betreffende het verzoek [appellant A] en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening, is de Afdeling van oordeel dat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste daarom in de weg staat aan een vernietiging van de besluiten vanwege deze beroepsgrond.

14.    [appellant A] en anderen brengen voorts een aantal gronden naar voren in verband met hun vrees voor een toename van door hen te ondervinden geluidhinder vanwege het plan. Zij stellen dat de sloop van de oostvleugel van het bestaande gebouw er toe zal leiden dat omwonenden extra geluidbelasting zullen ondervinden van het geluid van passerende goederentreinen, nu dat geluid niet meer gedempt zal worden door die oostvleugel. [appellant A] en anderen brengen verder naar voren dat een extra verdieping aan de zuidzijde zorgt voor extra oppervlak en daarmee voor meer reflectie van het wegverkeersgeluid van de Laan van Driene op hun woningen. Zij voeren daarnaast aan dat in het geluidrapport de geluidbelasting als gevolg van het rijden met en parkeren van voertuigen op het perceel [locatie] ten onrechte alleen is berekend ter plaatse van de woning op het perceel Isaac da Costastraat 34 op een hoogte van 5 m. Volgens hen is geen rekening gehouden met de verschillende parkeermogelijkheden op het terrein. Tevens hebben de meeste woningen van omwonenden volgens hen maar één bouwlaag en wordt er dus op de begane grond geslapen.

14.1.    De voorzieningenrechter heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 11 oktober 2017 een uitspraak gedaan over deze beroepsgronden. De Afdeling ziet geen aanleiding om daarover thans tot een ander oordeel te komen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. De omstandigheid dat [appellant A] en anderen in de bestaande situatie hinder ondervinden van passerende treinen en van verkeer van de Laan van Driene is niet voldoende voor de conclusie dat de transformatie van het kantoorgebouw tot appartementen zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder. Voorts mist het betoog van [appellant A] en anderen dat het in- en uitrijden van de parkeergarage niet in het geluidonderzoek is betrokken feitelijke grondslag.

    Verder is in verband met de vrees van [appellant A] en anderen voor geluidhinder vanwege het parkeren, rijden en reflectie van het geluid onder het gebouw een nadere berekening verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de nadere notitie van 19 september 2017 van Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering. Daartoe is een in het geluidrapport in aanmerking genomen rijlijn verlengd tot onder het gebouw en een rekenpunt gelegd bij de woningen aan de Isaac da Costrastraat 32 en 49 voor het bepalen van de geluidbelasting van het rijden en het dichtslaan van portieren onder het gebouw. De conclusie uit het geluidrapport dat zich geen onaanvaardbare geluidhinder zal voordoen wordt in de nadere notitie bevestigd. Het betoog van [appellant A] en anderen in het nader stuk van 1 november 2017 dat het uitgangspunt in de nadere notitie van 19 september 2017 dat door de isolatie van het plafond nagenoeg geen reflecties onder het gebouw plaatsvinden onjuist is, hebben zij niet met nadere gegevens onderbouwd. De door [appellant A] en anderen gestelde omstandigheid dat, zoals in de nadere notitie van 19 september 2017 is vermeld, het rijden onder het gebouw niet kan worden gemodelleerd, geeft evenmin grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het geluidrapport heeft mogen baseren. In de nadere notitie staat dat om de geluidbelasting daarvan toch te kunnen bepalen is uitgegaan van een bron buiten het gebouw met een hogere bronsterkte van 95 dBA, zo dicht mogelijk bij de woning aan de Isaac da Costastraat 34. Daarbij is van een beperkte tijdsduur uitgegaan, omdat het rijden onder het gebouw in tijd slechts een fractie is van het rijden van auto’s op de rest van het perceel. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant A] en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor de conclusie dat hiermee geen representatieve inschatting is gemaakt van de van het parkeren en rijden onder het gebouw te verwachten geluidbelasting.

    De stelling van [appellant A] en anderen in het nader stuk van 1 november 2017 dat de geluidbelasting is onderschat omdat deze is berekend in plaats van gemeten, geeft evenmin grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het geluidrapport heeft mogen baseren. Daarmee is niet onderbouwd dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat de resultaten daarvan niet aan het plan ten grondslag mochten worden gelegd. De stelling dat uit geluidmetingen met een smartphone volgt dat berekeningen niet de juiste weergave van de werkelijkheid kunnen geven kan niet tot een andere conclusie leiden, reeds omdat [appellant A] en anderen geen inzicht hebben gegeven in deze meetgegevens.

    De stelling dat niet is onderkend dat de bewoners van de appartementen vermoedelijk senioren zijn, zodat bij het in- en uitrijden meer geluidhinder is te verwachten, is niet concreet onderbouwd. Hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geeft daarom in zoverre geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op de conclusie van het geluidrapport heeft mogen baseren.  

15.    De vrees van [appellant A] en anderen dat zij hinder zullen ondervinden van het geluid van het ventilatiesysteem dat in het gebouw zal worden toegepast, zal hierna worden besproken onder het kopje "Omgevingsvergunning voor bouwen".

16.    Het betoog over geluid faalt.

Externe veiligheid

17.    [appellant A] en anderen stellen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de Laan van Driene.

17.1.    De door [appellant A] en anderen in dit verband ingeroepen normen betreffen normen voor de bepaling van wat een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de met het plan mogelijk gemaakte appartementen. Voor [appellant A] en anderen gaat het echter om het belang dat zij gevrijwaard blijven van de ruimtelijke invloed van de in het plan voorziene appartementen. De ingeroepen normen hebben niet de strekking deze belangen te beschermen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat het besluit wegens strijd met die normen wordt vernietigd. De Afdeling laat deze beroepsgrond daarom verder buiten beschouwing.

Hinder vanwege parkeren en verkeershinder

18.    [appellant A] en anderen vrezen voor parkeeroverlast in de Isaac da Costastraat, omdat er volgens hen onvoldoende parkeerruimte is voorzien.

18.1.    De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 11 oktober 2017 geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende parkeerruimte. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant A] en anderen in deze procedure naar voren hebben gebracht geen aanleiding om daarover thans tot een ander oordeel te komen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan.

19.    [appellant A] en anderen vrezen voor hinder ten gevolge van verkeersbewegingen van en naar de appartementen die het plan mogelijk maakt. Zij stellen dat van het gebruik door bewoners van de appartementen meer hinder zal worden ondervonden dan van het gebruik dat voorheen van het kantoorpand werd gemaakt. [appellant A] en anderen brengen verder naar voren dat [appellant A] hinder zal ondervinden van inschijnende koplampen van auto’s vanwege de sloop van de oostelijke gevel van met name verkeer dat van een supermarkt de P.C. Hooftlaan oprijdt.

19.1.    In de plantoelichting staat dat de ontsluiting van de appartementen zal plaatsvinden via de P.C. Hooftlaan. De raad heeft zich gelet daarop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare gevolgen voor de verkeerssituatie in de Isaac da Costastraat zullen voordoen.

19.2.      In het verweerschrift staat dat het inrijden van de auto’s naar het parkeerterrein bij het appartementencomplex niet in het verlengde van de te slopen oostelijke gevel plaatsvindt. De raad heeft verder toegelicht dat zich een groene strook bevindt tussen de Isaac da Costastraat en het parkeerterrein die gedurende een groot deel van het jaar het zicht op het perceel zal wegnemen. Voorts heeft de raad ter zitting naar voren gebracht dat de auto’s die van het parkeerterrein bij de supermarkt de P.C. Hooftlaan oprijden beperkt zal zijn, omdat voorgesorteerd zal moeten worden om links dan wel rechts af te slaan. Gelet daarop is er geen grond voor het oordeel dat de hinder van inschijnende koplampen die [appellant A] vreest te zullen ondervinden zodanig zal zijn dat de raad van de vaststelling van het plan had behoren af te zien. Daarbij betrekt de Afdeling dat de afstand van de woning tot de uitrit van de supermarkt op de P.C. Hooftlaan ongeveer 120 m is.

19.3.    Het betoog faalt.

Behoefte

20.    [appellant A] en anderen stellen dat er geen behoefte is aan de te realiseren woningen voor vermogende ouderen. Zij voeren aan dat er over 15 jaar leegstand zal zijn omdat er statistisch gezien dan minder ouderen zullen zijn.

20.1.    In de plantoelichting staat dat overeenkomstig woonafspraken met de provincie Overijssel de woningbehoefte in de gemeente Hengelo voor de periode 2015-2025 is bepaald op 2.408 woningen. Het aanbod bestaat uit 1.884 woningen, zodat er ruimte is voor het toevoegen van nieuwe woningen. Op 22 november 2016 is de Woonvisie Hengelo 2016-2026 vastgesteld, waarin het woonbeleid is vastgelegd. Op grond daarvan is het woningbouwprogramma vastgesteld waarin plannen zijn opgenomen die passen binnen de afspraken die met de provincie zijn gemaakt en die in overeenstemming zijn met het gemeentelijk woonbeleid. Volgens de plantoelichting zijn de 29 appartementen aan de P.C. Hooftlaan, waar het plan in voorziet, opgenomen in het woningbouwprogramma.

20.2.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat er behoefte is aan de te realiseren appartementen.

    Het betoog faalt.

Alternatieven

21.    [appellant A] en anderen stellen dat de raad ten onrechte geen acht heeft geslagen op door hen aangedragen alternatieven die bestaan uit het realiseren van bungalows of het slopen van de zuidvleugel in plaats van de oostvleugel.

21.1.    De raad en [belanghebbende] betogen dat alternatieven alleen tot het onthouden van medewerking nopen indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3247, waar [belanghebbende] ter ondersteuning van haar betoog naar verwijst, ziet echter op het verlenen van een omgevingsvergunning. Bij de vaststelling van het plan dient de raad bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die daarbij zijn betrokken. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1172).    

21.2.    In de Woonvisie Hengelo 2016-2026, waar in de plantoelichting naar wordt verwezen, staat dat de voorkeur wordt gegeven aan het transformeren van bestaande panden naar een woonfunctie in plaats van aan nieuwbouw. Verder staat in de Nota zienswijzen dat de sloop van de oostvleugel in verband met de structuur van het gebouw en de stedenbouwkundige opzet het meest voor de hand ligt. Ter zitting is door [belanghebbende] toegelicht dat de sloop van de zuidgevel stuit op technische en constructieve bezwaren.

    Gelet daarop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de transformatie van het bestaande gebouw in plaats van voor nieuwbouw van bungalows en voor de sloop van de oostgevel in plaats van het handhaven daarvan.

    Het betoog faalt.

Privacy

22.    [appellant A] en anderen stellen dat hun privacy en woongenot door het plan wordt aangetast, omdat het plan het mogelijk maakt dat aan de zuidzijde van het pand balkons worden geplaatst. Deze balkons hebben uitzicht over hun percelen, waardoor zij volgens hen inkijk krijgen in hun woonkamers, tuinen en slaapkamers. Zij wijzen erop dat er voorheen in het pand, dat voor kantoordoeleinden werd gebruikt, niemand aanwezig was in de avonden en weekeinden. [appellant A] en anderen stellen verder dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de hinder ten gevolge van het gebruik van de balkons. Zij wijzen erop dat zij hinder hebben ondervonden door bewoning van het pand in het kader van zogeheten anti-kraakbewoning.

    [appellant A] en anderen stellen dat zij door het plan schade lijden, omdat het plan gevolgen heeft voor de waarde van hun woningen.

22.1.    De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 11 oktober 2017 geoordeeld dat gelet op de afstanden van de woningen van [appellant A] en anderen tot de in het plan mogelijk gemaakte balkons en de omstandigheid dat de woningen van [appellant A] en anderen in een stedelijke omgeving liggen, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat die privacy door de mogelijk gemaakte balkons niet onaanvaardbaar wordt aangetast. De Afdeling ziet geen aanleiding om daarover thans tot een ander oordeel te komen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat de hinder die volgens [appellant A] en anderen wordt ondervonden door het gebruik van de balkons zodanig zal zijn dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

    Voor zover [appellant A] en anderen menen schade te lijden ten gevolge van het plan kunnen zij een verzoek om planschade indienen.

22.2.    Het betoog faalt.

Naburig erf

23.    [appellant A] en anderen stellen dat zich strijd voordoet met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, omdat de balkons binnen een afstand van 2 m tot openbaar groen mogelijk worden gemaakt. Volgens hen is niet gebleken van toestemming.

23.1.    Artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt:

"1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven."

23.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1099) is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

23.3.    De gemeente is eigenaar van de naburige gronden. Niet aannemelijk is daarom dat een uitvoering van het bestemmingsplan waarbij zich geen strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek voordoet niet mogelijk is. Daarom doet zich geen belemmering voor waarvan op voorhand moet worden aangenomen dat die aan de verwezenlijking van het plan in de weg staat.

    Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

24.    [appellant A] en anderen stellen dat met het plan een rendement wordt behaald van 70%.

24.1.    De Afdeling begrijpt deze stelling van [appellant A] en anderen aldus dat zij twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

24.2.    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

24.3.    In de plantoelichting staat dat alle kosten die verband houden met het plan voor rekening komen van de initiatiefnemer van het plan, hetgeen in een overeenkomst is vastgelegd. Daarin is volgens de plantoelichting ook vastgelegd dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt.

    Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

    Het betoog faalt.

Omgevingsvergunning voor bouwen

Welstand

25.    [appellant A] en anderen betogen dat bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten onrechte is getoetst aan de welstandseisen die in de Welstandsnota 2013 van de gemeente Hengelo zijn gesteld voor complexen. Complexen kenmerken zich volgens die nota door bijzondere architectuur en complexen zijn doorgaans duidelijk begrensd door hoge beplanting of door hun afstand tot de omgeving. Volgens [appellant A] en anderen wordt overigens in dit geval niet aan deze karakteristieken voldaan. Zij brengen daarnaast naar voren dat de balkons van de te bouwen woningen zo dicht bij de trottoirs komen dat het straatbeeld wijzigt.

25.1.    De aanvraag om een omgevingsvergunning is overeenkomstig artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 12a van de Woningwet, getoetst aan redelijke eisen van welstand, waarbij de welstandsnota het toetsingskader is.

    In de uitspraak van 11 oktober 2017, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het college bij de toetsing aan de Welstandsnota 2013 ten onrechte is uitgegaan van de stedenbouwkundige typologie "complexen". De Afdeling ziet in hetgeen [appellant A] en anderen daarover in deze procedure naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor de conclusie dat op dit punt tot een ander oordeel gekomen zou moeten worden.

25.2.    Aan het besluit waarbij de omgevingsvergunning voor bouwen is verleend is het welstandsadvies van de stadsbouwmeester van de welstandscommissie Het Oversticht van 17 november 2016 ten grondslag gelegd. Daarin staat dat de aanvraag niet in strijd is met de welstandscriteria zoals vermeld in het betreffende welstandsgebied. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 oktober 2012, ECLI:N:RVS:2012:BX8987), kan het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies van de welstandscommissie in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

25.3.    De Afdeling ziet in hetgeen [appellant A] en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies van 17 november 2016 naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dat niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Voorts heeft het college een nadere motivering van 13 september 2017 van de stadsbouwmeester van Het Oversticht overgelegd. Daarin staat dat het bouwplan evenmin in strijd is met redelijke eisen van welstand voor zover het om de afmetingen van de balkons gaat.

    Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen strijd bestaat met redelijke eisen van welstand.

    Het betoog faalt.

Ventilatiesysteem

26.    [appellant A] en anderen vrezen voor geluidhinder ten gevolge van het ventilatiesysteem in het gebouw.

26.1.    In artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat een mechanisch ventilatiesysteem in een op een aangrenzend perceel gelegen verblijfsgebied een geluidniveau van ten hoogste 30 dB mag veroorzaken. Uit artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, volgt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning dient te worden geweigerd indien niet aannemelijk is dat aan deze bepaling wordt voldaan. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college aannemelijk had moeten achten dat niet aan artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012 kan worden voldaan. Daarbij betrekt de Afdeling de bij het verweerschrift gevoegde notitie van Buijvoets bouw- en geluidsadvisering van 19 september 2017 waarin is toegelicht dat daaraan wordt voldaan. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning voor bouwen had moeten worden geweigerd.

    Het betoog faalt.

Omgevingsvergunning voor kap

27.    [appellant A] en anderen stellen dat bomen worden gekapt die beeldbepalend zijn voor de straat. Deze worden volgens hen niet op dezelfde plek en met dezelfde omvang herplant.

27.1.    De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 11 oktober 2017 een oordeel gegeven over deze beroepsgrond. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. [appellant A] en anderen hebben in de onderhavige procedure daartoe geen steekhoudende argumenten naar voren gebracht.

    Het betoog faalt.

Conclusie

28.    Het beroep is ongegrond.

29.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Duursma

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

378.