Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:983

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201605599/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:4156, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 13 januari 2015 heeft de Stichting een namens [appellant] ingediend verzoek om verstrekking aan hem van zijn dossier afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/212 met annotatie van W.S. Zorg, G.E. Creijghton-Sluyk
Gst. 2018/95 met annotatie van C.N. van der Sluis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605599/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2016 in zaak nr. 15/1004 in het geding tussen:

[appellant]

en

Stichting de William Schrikker Groep (hierna: de Stichting).

Procesverloop

Bij brief van 13 januari 2015 heeft de Stichting een namens [appellant] ingediend verzoek om verstrekking aan hem van zijn dossier afgewezen.

Bij mondelinge uitspraak van 14 juni 2016 heeft de rechtbank het namens [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak is namens [appellant] hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1.    [appellant] is geboren op [geboortedatum] 2002, werd op 18 maart 2008 onder toezicht gesteld van de Stichting, werd in september 2008 uit huis geplaatst en heeft vervolgens tot 2 juni 2010 in een gezinshuis gewoond. Bij brieven van 27 juni 2014, 22 juli 2014 en 5 november 2014 heeft mr. A.J.R. Oude Middendorp, advocaat te Enschede, de Stichting namens [appellant] verzocht om [appellant] een afschrift van het over hem bij de Stichting aanwezige dossier te verstrekken (hierna: het verzoek). Het verzoek is toegelicht door te wijzen op het zelfstandige inzagerecht van twaalfjarigen als beschreven in het rapport van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van september 2003 "Omgang met cliëntgegevens in de Jeugdzorg; over dossiervorming, inzage en verstrekken van cliëntgegevens". In de brief van 5 november 2014 is daarbij tevens een beroep gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Met ingang van 1 januari 2015 is de Jeugdwet in werking getreden. Het in deze wet geregelde recht op inzage in en afschrift van een dossier heeft onmiddellijke werking. De Stichting is, voor zover het gaat om de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat niet is gebleken dat Oude Middendorp door [appellant] was gemachtigd om het beroep in te stellen.

2.1.    Gelet op artikel 8:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vertegenwoordiging van [appellant] door Oude Middendorp onderzoek behoefde en heeft zij het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat niet is gebleken dat [appellant] daartoe een machtiging had gegeven.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terug te wijzen, omdat de bestuursrechter niet meer bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling daartoe ambtshalve het volgende.

4.    Artikel 3, eerste lid, van de Wob luidt: "Een ieder kan een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.".

    Artikel 7.3.1, eerste lid, in paragraaf 7.3 van de Jeugdwet luidt: "Hetgeen in deze paragraaf, met uitzondering van de artikelen 7.3.4, 7.3.5, 7.3.6 en 7.3.16, is bepaald ten aanzien van de jeugdhulpverlener is van overeenkomstige toepassing op de medewerker van de gecertificeerde instelling, met dien verstande dat voor «jeugdhulp» of «verlening van jeugdhulp» wordt gelezen «uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering»."

    Het tweede lid luidt: "In deze paragraaf wordt verstaan onder betrokkene: persoon aan wie rechtstreeks jeugdhulp wordt verleend, ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp wordt voorgesteld of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitgevoerd wordt of de uitvoering daarvan wordt voorgesteld."

    Artikel 7.3.10 in paragraaf 7.3 luidt: "De jeugdhulpverlener verstrekt aan de betrokkene desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van het dossier, of delen daarvan. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De jeugdhulpverlener kan voor de verstrekking van het afschrift een vergoeding verlangen overeenkomstig artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens."

    Artikel 7.3.15, eerste lid, in paragraaf 7.3 luidt: "De verplichtingen op grond van deze paragraaf voor de jeugdhulpverlener jegens de betrokkene, gelden, indien de betrokkene de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, voor de jeugdhulpverlener jegens de ouders die het gezag over de betrokkene uitoefenen dan wel jegens zijn voogd."

    Het op 1 augustus 2016 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 in werking getreden artikel 7.3.17 in paragraaf 7.3 luidt: "Een beslissing van een jeugdhulpverlener genomen op grond van deze paragraaf, een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in […] artikel 40 of 41 van die wet gelden, ook voor zover de jeugdhulpverlener, de beslissing heeft genomen als of namens een bestuursorgaan, voor de toepassing van hoofdstuk 8 van die wet, als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.

5.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4135) kan toepassing van de Wob niet leiden tot openbaarmaking voor uitsluitend een bepaalde verzoeker, doch slechts tot openbaarmaking voor een ieder. Uit voormelde brieven van 27 juni 2014, 22 juli 2014 en 5 november 2014 blijkt dat met het verzoek is beoogd dat de Stichting [appellant] in staat stelt zijn eigen dossier in te zien. Dat met het beroep op de Wob geen andere strekking van het verzoek is beoogd, blijkt uit de omstandigheid dat namens [appellant] het beroep op de Wob is toegelicht aan de hand van het in voormeld rapport van september 2003 beschreven zelfstandige inzagerecht van twaalfjarigen, thans neergelegd in artikel 7.3.10, gelezen in samenhang met artikel 7.3.15, eerste lid, van de Jeugdwet. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat met het verzoek geen openbaarmaking voor een ieder is beoogd. Het verzoek moet derhalve worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en niet tevens als een verzoek in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob.

6.    Ingevolge artikel 7.3.17 van de Jeugdwet kan de Stichting, voor zover zij heeft geweigerd het verzoek in te willigen, niet meer als een bestuursorgaan worden aangemerkt. Hoewel artikel 7.3.17 eerst op 1 augustus 2016 en derhalve na het instellen van het hoger beroep in werking is getreden, geldt deze bepaling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de bestuursrechter niet meer bevoegd is om van het namens [appellant] ingestelde beroep kennis te nemen. De Afdeling zal derhalve de rechtbank onbevoegd verklaren. Deze onbevoegdheid treft alleen de bestuursrechter en laat onverlet dat [appellant] zich na een afwijzing van een verzoek in de zin van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet door middel van een verzoekschrift tot de burgerlijke rechter kan wenden.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2016 in zaak nr. 15/1004;

III.    verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

610.