Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:980

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201703538/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Rotterdam The Hague Airport" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703538/1/R3.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Rotterdam The Hague Airport, gevestigd te Rotterdam,

appellant,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Rotterdam The Hague Airport" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Rotterdam The Hague Airport (hierna: RTHA) beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en RTHA hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2018, waar RTHA, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. M.M. Kaajan, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.C. Rolle en mr. A.J.J. van der Vlist, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Vereniging Tegen Milieubederf in en om het Nieuwe-Waterweggebied, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor Rotterdam The Hague Airport.

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3.    RTHA kan zich niet verenigen met het vastgestelde plan, voor zover daarin niet is voorzien in de mogelijkheid om de terminal uit te breiden. Zij wijst erop dat de raad bij het schrappen van de planregel in het ontwerpplan, waarmee de uitbreiding door middel van een wijzigingsbevoegdheid werd mogelijk gemaakt, haar belangen niet heeft betrokken. RTHA voert daartoe aan dat een nieuwe planprocedure voor het alsnog mogelijk maken van de uitbreiding tijdrovend is. Zij brengt naar voren dat aanpassingen die zijn vereist in verband met veranderende inzichten op het gebied van veiligheid en passagiers- en bagageafhandeling daarom niet op korte termijn kunnen worden gerealiseerd. RTHA stelt dat het schrappen van de wijzigingsbevoegdheid is gebaseerd op enkel politiek-bestuurlijke afwegingen. Daaraan zijn volgens haar ten onrechte geen ruimtelijk relevante argumenten ten grondslag gelegd. RTHA wijst erop dat de raad op de hoogte was van haar plannen. Bovendien zijn alle ruimtelijke gevolgen van de uitbreiding van de terminal voor de vaststelling van het plan in kaart gebracht, aldus RTHA, en heeft de uitbreiding geen gevolgen voor de omgeving. De beperking van de bruto vloeroppervlakte dient daarom volgens haar geen ruimtelijk relevant belang. Zij brengt verder naar voren dat zij in 2018 een aanvraag voor een luchthavenbesluit zal indienen, zodat naar verwachting in 2019 een nieuw luchthavenbesluit zal worden vastgesteld. Omdat de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in de planregels van het ontwerpplan afhankelijk was gemaakt van de inwerkingtreding van een nieuw luchthavenbesluit, wordt voorts niet, zoals de raad stelt, voorgesorteerd op het luchthavenbesluit, aldus RTHA. Volgens RTHA is het besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet zorgvuldig voorbereid en ontbeert het een deugdelijke motivering.

4.    Artikel 13, lid 13.1, onder f, van de planregels van het vastgestelde plan luidt:

"Binnen het plangebied is een bruto vloeroppervlakte van ten hoogste 18.800 m2 ten behoeve van terminalfaciliteiten toegestaan."

    Artikel 14, lid 14.2, van de planregels van het ontwerpplan luidde:

"Burgemeester en wethouders kunnen het in artikel 13, lid 13.1, onder f, bepaalde maximum bruto vloeroppervlak voor terminalfaciliteiten wijzigen door een groter bruto vloeroppervlak toe te staan indien een nieuw luchthavenbesluit in werking is getreden dat de groei van het aantal passagiers faciliteert."

5.    De raad heeft naar aanleiding van een amendement besloten de in artikel 14, lid 14.2, van de planregels van het ontwerpplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van de terminal niet in het vast te stellen plan op te nemen. Uit de verslaglegging van de raadsvergadering van 2 februari 2017 volgt onder meer dat de raad niet wil voorzien in de wijzigingsbevoegdheid vooruitlopend op een luchthavenbesluit ten aanzien waarvan de besluitvormingsprocedure nog niet is afgerond. Daarmee wordt een verkeerd signaal afgegeven, aldus de raad. Voorts volgt uit de verslaglegging dat de raad de besluitvorming over de uitbreiding van de terminal niet aan het college van burgemeester en wethouders wil laten.

6.    De Afdeling stelt voorop dat het niet aan haar is om het gewicht dat aan de betrokken belangen, waaronder het belang van RTHA, moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. De rechterlijke beoordeling of het plan in overeenstemming is met het recht of dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening strekt voorts niet zover dat zij in de politieke afweging kan treden die volgens RTHA ten grondslag heeft gelegen aan de vaststelling van het plan. Het is aan de raad om de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden die van belang zijn bij het nemen van een besluit inhoudende de vaststelling van een bestemmingsplan, tegen elkaar af te wegen.

7.    Hetgeen RTHA heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om het plan te wijzigen voor het vergroten van de bruto vloeroppervlakte voor terminalfaciliteiten. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat hij niet wil voorzien in een regeling in het plan die vooruit loopt op de besluitvormingsprocedure voor een luchthavenbesluit die nog niet is afgerond niet onredelijk.

    Voor zover het betoog van RTHA ertoe strekt dat de raad niet heeft onderkend dat de uitbreiding van de terminal ook zonder het luchthavenbesluit nodig is, overweegt de Afdeling het volgende. In de plantoelichting van het ontwerpplan staat dat het plan voorziet in de uitbreiding van terminalfaciliteiten die is afgestemd op de passagiersstroom die is toegestaan binnen de beschikbare geluidruimte. Volgens de toelichting ontstaan pas nadat door een nieuw luchthavenbesluit sprake is van een grotere hoeveelheid passagiers mogelijkheden voor verdere uitbreiding van de terminal. De Afdeling stelt vast dat RTHA geen zienswijzen naar voren heeft gebracht over de in artikel 13, lid 13.1, onder f, van de planregels opgenomen beperking van het bruto vloeroppervlak van de terminalfaciliteiten. De gestelde omstandigheid dat dit het resultaat is van overleg tussen de gemeente en RTHA doet daar niet aan af. Niet valt voorts in te zien dat een beperking van de oppervlakte voor terminalfaciliteiten niet ruimtelijk relevant is.

    Er is geen aanleiding voor de conclusie dat zich strijd voordoet met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en dat het een deugdelijke motivering ontbeert.

    Het betoog faalt.

8.    Het beroep van RTHA is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Duursma

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

378.