Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:978

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201702585/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) het verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702585/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 15 februari 2017 in zaak nr. 16/2817 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) het verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2015 heeft het UWV opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant].

Bij uitspraak van 15 juli 2016 (kenmerk: AWB 16/203) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat het UWV met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit dient te nemen.

Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft het UWV opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant].

Bij uitspraak van 15 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2018, waar [appellant] en het UWV, vertegenwoordigd door mr. I. Smit, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 5 juni 2013 heeft [appellant] op grond van artikel 35 van de Wbp verzocht om inzage van zijn gegevens met betrekking tot het Eigen Risico Dragerschap (hierna: ERD) van zijn werkgever. Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is door het UWV ongegrond verklaard, waarna het ingestelde beroep door de rechtbank ongegrond is verklaard. De Afdeling heeft bij uitspraak van 14 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3153) het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, waarna het UWV opnieuw heeft besloten op het bezwaar van [appellant].

1.1.    Het door [appellant] daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 15 juli 2016 gegrond verklaard omdat het besluit op bezwaar geen weergave bevatte van de persoonsgegevens van [appellant] en dat niet is gebleken welke persoonsgegevens worden verwerkt, met welk doel die worden verwerkt, wie de ontvangers van die persoonsgegevens zijn en wat de herkomst is van de persoonsgegevens. Het UWV is opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.2.    Vervolgens heeft het UWV opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant], waartegen [appellant] beroep heeft ingesteld. [appellant] heeft betoogd dat het overzicht een drietal onjuistheden bevat. Tevens stelt hij zich op het standpunt dat hij nog steeds geen integrale inzage heeft gehad in zijn persoonsgegevens, terwijl [appellant] ook betwijfelt of alle stukken die betrekking hebben op het ERD aan hem zijn verstrekt. De rechtbank overweegt dat zij in haar eerdere uitspraak het UWV heeft opgedragen om een op [appellant] toegespitst overzicht te verstrekken en dat [appellant] daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld. Het geding is volgens de rechtbank in zoverre beperkt dat het enkel betrekking kan hebben op de vraag of het besluit op bezwaar van 12 oktober 2016 voldoet aan hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in haar eerdere uitspraak. Voorts voldoet het overzicht volgens de rechtbank aan de uitspraak van 15 juli 2016 en bevat het daarnaast geen onjuistheden. Om die reden oordeelt de rechtbank dat het beroep ongegrond is.

Het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij nog steeds geen inzage heeft gehad in alle persoonsgegevens die betrekking hebben op hem.

    Tevens twijfelt [appellant] aan de volledigheid van de gegevens die hij wel heeft ontvangen. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij nog steeds geen duidelijkheid heeft over de doelstelling van verwerking van zijn persoonsgegevens. Ook de herkomst en de ontvangers van die gegevens zijn volgens [appellant] onduidelijk. Het overzicht dat [appellant] wel heeft ontvangen is volgens hem niet begrijpelijk opgesteld.

Wettelijk kader

3.    Artikel 35, eerste en tweede lid, van de Wbp luidt:

"1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens."

Beoordeling van het hoger beroep

4.    De Afdeling stelt voorop dat in dit geding uitsluitend het ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegde besluit op bezwaar van 12 oktober 2016 aan de orde is. Al hetgeen [appellant] heeft aangevoerd omtrent het recht tot inzage van zijn persoonsgegevens, kan in deze procedure geen rol spelen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 juli 2016 het UWV opgedragen een overzicht aan [appellant] te verstrekken met daarin een weergave van de persoonsgegevens van [appellant]. Tevens moest uit dat overzicht blijken welke persoonsgegevens van hem worden verwerkt, met welk doel, wie de ontvangers van zijn persoonsgegevens zijn en van wie het UWV de persoonsgegevens van hem heeft verkregen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] geen hoger beroep ingesteld zodat de rechtbank gebonden is aan haar eerdere oordeel. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat het beroep alleen betrekking kan hebben op de vraag of het besluit op bezwaar van 12 oktober 2016 voldoet aan hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in haar eerdere uitspraak van 15 juli 2016.

5.    Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat het overzicht dat bij het besluit op bezwaar is gevoegd niet begrijpelijk is, merkt de Afdeling op dat [appellant] deze grond voor het eerst in hoger beroep aanvoert. In beroep heeft [appellant] enkel aangevoerd dat het besluit op bezwaar een drietal onjuistheden bevat. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is waarom [appellant] niet eerder had kunnen aanvoeren dat het overzicht niet begrijpelijk is en hij dit uit een oogpunt van zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

6.    [appellant] voert in hoger beroep verder hetzelfde aan als hij bij de rechtbank reeds heeft aangevoerd. De rechtbank is op deze gronden in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. In deze gronden bestaat derhalve geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

317-857.