Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201702561/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:725, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2015 heeft de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) op het verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) gereageerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702561/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 15 februari 2017 in zaak nr. 16/2816 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2015 heeft de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) op het verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) gereageerd.

Bij besluit van 7 december 2015 heeft het UWV het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2016 (kenmerk: AWB 16/202) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat het UWV met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit dient te nemen.

Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft het UWV opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant].

Bij uitspraak van 15 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2018, waar [appellant] en het UWV, vertegenwoordigd door mr. I. Smit, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 24 juli 2015 heeft [appellant] het UWV op grond van artikel 35 van de Wbp verzocht om mede te delen of het persoonsgegevens van hem gebruikt. Indien dit het geval was, verzocht [appellant] het UWV hem te informeren om welke persoonsgegevens het gaat, wat het doel is van het gebruik van de persoonsgegevens, aan wie de persoonsgegevens eventueel zijn verstrekt en hoe het UWV aan zijn persoonsgegevens komt. Het tegen het besluit van 20 augustus 2015 gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard, waarna de rechtbank bij uitspraak van 13 juli 2016 het beroep gegrond heeft verklaard omdat het besluit op bezwaar geen weergave bevatte van de persoonsgegevens van [appellant] en niet is gebleken welke persoonsgegevens worden verwerkt, met welk doel die worden verwerkt, wie de ontvangers van die persoonsgegevens zijn en wat de herkomst is van de persoonsgegevens. Het UWV diende opnieuw een besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

1.1.    Naar aanleiding van het opnieuw genomen besluit op bezwaar, heeft [appellant] wederom beroep ingesteld. [appellant] heeft hierbij aangevoerd dat de Algemene Pensioengroep (hierna: APG) inzage in zijn persoonsgegevens heeft, terwijl deze niet op de bijgevoegde lijst staat. Daarmee is volgens [appellant] sprake van een omissie. De rechtbank heeft overwogen dat de APG, anders dan in het nieuwe besluit op bezwaar staat vermeld, wel toegang heeft tot Suwinet om de persoonsgegevens van [appellant] te raadplegen. Evenwel voldoet het besluit op bezwaar volgens de rechtbank aan de uitspraak van 13 juli 2016. De in het besluit op bezwaar vermelde onjuistheid heeft de rechtbank gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aangezien [appellant] volgens de rechtbank niet is benadeeld door deze onjuiste mededeling.

Het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat hij wel is benadeeld doordat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het griffierecht aan hem terugbetaald had moeten worden. Tevens is volgens [appellant] het aan hem verstrekte overzicht in onbegrijpelijke taal opgesteld en daarnaast onduidelijk over de doelstelling van de verwerking van zijn persoonsgegevens, de herkomst daarvan en de ontvangers daarvan. Voorts stelt [appellant] zich op het standpunt dat hij nog steeds geen volledige inzage in alle persoonsgegevens die op hem betrekking hebben heeft ontvangen. Het overzicht dat hij wel heeft ontvangen is volgens hem onvolledig en onduidelijk, terwijl artikel 35 van de Wbp een begrijpelijk en volledig overzicht vereist, aldus [appellant].

Wettelijk kader

3.    Artikel 35, eerste en tweede lid, van de Wbp luidt:

"1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens."

Beoordeling van het hoger beroep

4.    De Afdeling stelt voorop dat in dit geding uitsluitend het ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegde besluit op bezwaar van 12 oktober 2016 aan de orde is. Al hetgeen [appellant] heeft aangevoerd omtrent het recht tot inzage van zijn persoonsgegevens, kan in deze procedure geen rol spelen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 juli 2016 het UWV opgedragen een overzicht aan [appellant] te verstrekken met daarin een weergave van de persoonsgegevens van [appellant]. Tevens moest uit dat overzicht blijken welke persoonsgegevens van hem worden verwerkt, met welk doel, wie de ontvangers van zijn persoonsgegevens zijn en van wie het UWV de persoonsgegevens van hem heeft verkregen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] geen hoger beroep ingesteld zodat de rechtbank gebonden is aan haar eerdere oordeel. De rechtbank is derhalve terecht niet op dit betoog van [appellant] ingegaan.

4.1.    Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat het overzicht dat bij het besluit op bezwaar is gevoegd niet begrijpelijk is, merkt de Afdeling op dat [appellant] deze grond voor het eerst in hoger beroep aanvoert. In beroep heeft [appellant] enkel aangevoerd dat het besluit op bezwaar een omissie bevat. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het besluit aan haar eerdere uitspraak voldoet. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is waarom [appellant] niet eerder had kunnen aanvoeren dat het overzicht niet begrijpelijk is en hij dit uit een oogpunt van zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

5.    De Afdeling is voorts van oordeel dat, gelet op de aard van het door de rechtbank gepasseerde gebrek, [appellant] terecht heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het griffierecht vergoed had moeten worden.

    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank niet heeft geoordeeld dat het UWV het betaalde griffierecht aan [appellant] diende terug te betalen.

7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 15 februari 2017 in zaak nr. 16/2816, voor zover de rechtbank niet heeft geoordeeld dat de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht aan [appellant] diende terug te betalen;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    gelast dat de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    griffier    

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

317-857.