Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201701875/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:1163, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2016 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] te Heemskerk voor de duur van zes maanden te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701875/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Heemskerk,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 31 januari 2017 in zaak nrs. 17/385 en 17/387 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Heemskerk.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2016 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] te Heemskerk voor de duur van zes maanden te sluiten.

Bij besluit van 17 januari 2017 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. L. Offerman en mr. W. Duineveld, zijn verschenen. Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] was ten tijde van belang bewoner van de woning aan de [locatie] te Heemskerk. Op dit adres stonden ook zijn ex-partner en haar twee minderjarige kinderen ingeschreven. Naar aanleiding van vele meldingen bij de politie van geluidoverlast, vernielingen en drugsgerelateerde overlast, is de politie een onderzoek gestart naar handel in drugs. Uit strafrechtelijk onderzoek van de politie is gebleken dat in de woning middelen als bedoeld in de Opiumwet, te weten ongeveer 3 liter 4-hydroxyboterzuur - ook wel GHB -, aanwezig waren. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester bij besluit van 14 november 2016 op grond van artikel 13b van de Opiumwet sluiting van de woning gelast. De burgemeester heeft bij besluit van 17 januari 2017 de last tot sluiting gehandhaafd en de rechtbank heeft dat besluit rechtmatig geacht.

Beoordeling gronden

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor handel daarin vanuit de woning. Daartoe voert hij aan dat in het eerste voornemen staat vermeld dat uit strafrechtelijk onderzoek van de politie zou blijken dat er tot een maximum van 3,5 liter GHB is aangetroffen in zijn woning. Het strafdossier is hem pas na de aangevallen uitspraak verstrekt. Daaruit blijkt dat er slechts een hoeveelheid van 1,5 liter GHB is aangetroffen, die gedeeltelijk in het bezit was van een andere verdachte. Van de overige aangetroffen flessen met vloeistof, ongeveer 2,5 liter, is abusievelijk niet vastgesteld welke vloeistof het betrof. [appellant] blijft dan ook bij zijn standpunt dat hij alleen een aantal eenheden gebruikershoeveelheid onder zich heeft gehad, waarvan hij een gedeelte in bewaring had voor zijn toenmalige vriendin en dat geen sprake is van handel of verkoop vanuit de woning. [appellant] betoogt dat het dan op de weg van de burgemeester ligt om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie ondersteunen dat de aangetroffen drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Volgens [appellant] is de burgemeester er niet in geslaagd aan te tonen dat sprake is van een hoeveelheid bestemd voor de handel in drugs en was hij derhalve niet bevoegd om over te gaan tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden. Van strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in de Beleidsregel handhaving Wet Damocles (hierna: de Beleidsregel) is geen sprake, aldus [appellant].

2.1.    Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362), mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 g en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 g als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid drugs is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

2.2.    De burgemeester heeft aan de sluiting een bestuurlijke rapportage van 21 oktober 2016 ten grondslag gelegd. Hieruit volgt dat [appellant] en zijn toenmalige vriendin op 17 augustus 2016 zijn aangehouden, waarbij 3 liter stroperige vloeistof is aangetroffen in de schuur van de woning. Tijdens de actie is een klant aangehouden, die een flesje met dergelijke vloeistof bij zich had en die heeft verklaard die bij [appellant] te hebben gekocht. Deze vloeistof is door het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht, waarbij is vastgesteld dat het 4-hydroxyboterzuur, zijnde GHB, vermeld op lijst I bij de Opiumwet is.

2.3.    In hoger beroep heeft [appellant] een deel van een algemeen dossier van de politie Noord-Holland overgelegd. Hieruit volgt dat bij een doorzoeking van de woning en schuur van [appellant] onder andere diverse flessen met vloeistof (circa 2,5 liter) en diverse aan verdovende middelen gerelateerde goederen zijn aangetroffen en in beslag genomen voor nader onderzoek. De flessen met vloeistof werden voor nader onderzoek overgedragen aan de afdeling forensische opsporing en aansluitend abusievelijk vernietigd. Hierdoor werd de inhoud niet nader onderzocht. Echter meer dan vermoedelijk bevatten deze flessen de vloeistof GHB. [appellant] heeft namelijk verklaard dat de vloeistof die een andere verdachte in haar bezit had, uit zijn voorraad kwam en dat zijn voorraad circa 1,5 liter betrof. Van de vloeistof van die andere verdachte werd bekend dat dit GHB was, hierover verklaarde zij dat [appellant] die aan haar meegaf.

2.4.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738, bestaat geen aanleiding af te wijken van de bestendige jurisprudentielijn, dat bij de aanwezigheid van een hoeveelheid harddrugs in een pand die groter is dan 0,5 g in beginsel, dat wil zeggen behoudens tegenbewijs, aannemelijk is dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het is daarom, anders dan [appellant] betoogt, niet aan de burgemeester om bij een geringe overschrijding van de gebruikershoeveelheid feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die de conclusie ondersteunen dat de aangetroffen drugs bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking.

    Volgens de door het openbaar ministerie toegepaste criteria wordt een consumptie-eenheid van 5 ml GHB als geringe hoeveelheid voor eigen gebruik aangemerkt.

    Zelfs wanneer de verklaring van [appellant] wordt gevolgd, had hij ruim 1 liter GHB op voorraad. Bij de aanwezigheid van een dermate grote hoeveelheid drugs is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Met de betwisting van de andere verdachte dat zij voor de door [appellant] meegegeven GHB heeft betaald, heeft hij het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de op 17 augustus 2016 aangetroffen harddrugs aanwezig waren teneinde te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. De burgemeester was, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, dan ook bevoegd om op grond van artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet sluiting van de woning te bevelen.

2.5.    De burgemeester heeft ter uitvoering van de in artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid de Beleidsregel opgesteld. Ingevolge artikel 3 van de Beleidsregel is de toepassing van bestuursdwang gericht op het herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving en het voorkomen van herhaling en verdere aantasting van het woon- en leefklimaat. Volgens de Beleidsregel wordt bij het aantreffen van meer dan 5 gram harddrugs overgegaan tot sluiting van de woning voor drie maanden. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Beleidsregel kan een woning voor langere tijd worden gesloten, indien sprake is van het aantreffen van verboden middelen in combinatie met strafverzwarende omstandigheden. Uit artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregel volgt dat feiten en omstandigheden die wijzen op handel in harddrugs vanuit de woning als strafverzwarende omstandigheid worden aangemerkt.

2.6.    In dit geval is volgens de burgemeester sprake van een dergelijke strafverzwarende omstandigheid, namelijk de gevonden hoeveelheid harddrugs in de woning, het verhandelen daarvan vanuit de woning en de structurele drugsgerelateerde overlast. Gelet op de bestuurlijke rapportage van 21 oktober 2016 heeft de burgemeester zich, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Uit die rapportage blijkt immers dat al geruime tijd sprake was van (drugs)gerelateerde overlast rond de woning en dat [appellant] en zijn toenmalige vriendin op 17 augustus 2016 zijn aangehouden in verband met het handelen in GHB vanuit hun woning.

2.7.    Het betoog faalt.

3.    Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat sluiting nog noodzakelijk was in het kader van het herstellen van de openbare orde na een onafgebroken periode van vijf maanden waarin geen drugsrelateerde overlast is geconstateerd. Mede gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid voorbij heeft kunnen gaan aan het door [appellant] voorgestelde alternatief, te weten onaangekondigde huisbezoeken, aldus [appellant].

3.1.    Het tijdsverloop sinds de aanhouding op 17 augustus 2016, waarin - naar [appellant] stelt - geen sprake meer is geweest van drugsgerelateerde overlast, maakt niet dat de burgemeester het algemeen belang bij sluiting van de woning niet zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellant]. Daartoe is redengevend dat het besluit van 17 januari 2017 moet worden getoetst, naar het recht en de feiten die op dat moment golden. De burgemeester heeft zich in dit besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een sluiting van zes maanden noodzakelijk is. Omdat de woning tot dat moment bereikbaar is gebleven, mocht de burgemeester ervan uitgaan dat het doel van de sluiting, namelijk de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen en de rust in de buurt te doen wederkeren, nog niet was bereikt. De enkele stelling van [appellant] dat er in de tussenliggende periode geen sprake meer is geweest van drugsgerelateerde overlast, is door de burgemeester tijdens de hoorzitting in bezwaar en ter zitting bij de Afdeling weersproken. Dat er geen officiële meldingen van drugsgerelateerde overlast zijn gedaan, zegt bovendien weinig nu deze mogelijk zijn uitgebleven in afwachting van de uitvoering van het voornemen tot sluiting. Het neemt ook niet weg dat de woonwijk in de periode voorafgaand aan de aanhouding te maken heeft gehad met sterke overlast. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit tot sluiting niet evenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen dan wel dat de burgemeester een minder vergaande maatregel had moeten opleggen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid voorbij heeft kunnen gaan aan het door [appellant] voorgestelde alternatief. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals de burgemeester ter zitting bij de rechtbank en de Afdeling heeft toegelicht, veelvuldige bezoeken van de politie meer onrust geven in de woonwijk. Geregeld huisbezoeken afleggen is bovendien arbeidsintensief en lastig uit te voeren, omdat niet zomaar toegang tot de woning kan worden verkregen.

3.2.    Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Deventer-Lustberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

587.