Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201609414/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2015 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade ten bedrage van € 4.200, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2014, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/89 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2018/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609414/1/A2.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lent, gemeente Nijmegen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 november 2016 in zaak nr. 16/1230 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2015 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade ten bedrage van € 4.200, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2014, toegekend.

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Stommels, advocaat te Eindhoven, en vergezeld door mr. T.A.P. Langhout, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, advocaat te Ede, en mr. J.H.J. van Erk, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Inleiding

2.    De raad van de gemeente Nijmegen heeft op 6 juli 2011 het bestemmingsplan "Dorp Lent-11 (Definitieve locatie Station Nijmegen Lent e.o.)" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) vastgesteld. Het nieuwe bestemmingsplan is op 22 september 2011 in werking getreden.

    [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie] te Lent. Op dat perceel staat een woning waarin [appellant] woont. Hij is tevens eigenaar van de aangrenzende percelen kadastraal bekend gemeente Lent, sectie B, nummers 1541 en 1683. [appellant] heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan, omdat het plan nabij zijn percelen een stationsgebied mogelijk maakt waarvan hij stelt extra geluid- en lichthinder te zullen ondervinden, waardoor hij schade, bestaande uit waardevermindering van de percelen, lijdt.

3.    Het college heeft aan het besluit van 29 april 2015 een door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) opgesteld advies van maart 2016 ten grondslag gelegd. Volgens dat advies is de ligging van de percelen van [appellant] ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan minder gunstig geworden, waardoor [appellant] schade lijdt. De SAOZ heeft de schade bepaald op een bedrag van € 12.000,00 en geadviseerd aan [appellant], na aftrek van het forfaitaire normaal maatschappelijk risico van 2%, een tegemoetkoming in planschade ten bedrage van € 4.200,00 toe te kennen.

    [appellant] heeft in bezwaar een door mr. T.A.P. Langhout opgestelde contra-expertise van 9 juli 2015 ingediend. In de contra-expertise is vermeld dat op grond van de bestemming "Verkeer" in het nieuwe bestemmingsplan, vergeleken met de bestemming "Verkeersdoeleinden" in het voorheen geldende bestemmingsplan, de bouwmogelijkheden nabij de percelen van [appellant] fors zijn toegenomen, waardoor het uitzicht van [appellant] verder kan worden aangetast. Volgens de contra-expertise leidt het ingevolge het nieuwe bestemmingsplan ter plaatse toegestane gebruik evenzeer tot planologisch nadeel voor [appellant]. Volgens Langhout lijdt [appellant] ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan planschade ten bedrage van € 45.000,00.

    In een op verzoek van het college opgesteld nader SAOZ-advies van 6 oktober 2015 is vermeld dat de gronden nabij de percelen van [appellant] met de nieuwe bestemming "Verkeer" in het nieuwe bestemmingsplan mede zijn bestemd voor "Waarde-Archeologie 3" en de regels voor deze laatste bestemming primair gelden ten opzichte van de andere aan de gronden gegeven bestemmingen. Volgens het nader SAOZ-advies zijn op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen, toegestaan. Van het verbod om gebouwen op te richten kan volgens de planregels weliswaar met omgevingsvergunning worden afgeweken, maar een dergelijke afwijkingsmogelijkheid dient niet bij de planvergelijking betrokken te worden, aldus het nader SAOZ-advies.

    In een nader advies van Langhout van 30 oktober 2015 wordt dit standpunt van de SAOZ betwist. Volgens Langhout volgt uit de regels voor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 3" dat de bouwmogelijkheden ingevolge andere bestemmingen bij recht zijn toegestaan, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De dubbelbestemming vormt volgens Langhout geen belemmering voor het realiseren van de bouwmogelijkheden die ingevolge de bestemming "Verkeer" op gronden nabij de percelen van [appellant] planologisch zijn toegestaan. Deze bouwmogelijkheden dienen daarom bij de planologische vergelijking te worden betrokken, aldus het nader advies van Langhout.

    Het college heeft in het besluit van 12 januari 2016 de SAOZ-adviezen gevolgd en het besluit van 29 april 2015 gehandhaafd.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de SAOZ-adviezen aan zijn besluiten ten grondslag mocht leggen.

Planvergelijking

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college, in navolging van de SAOZ, van een onjuiste planvergelijking is uitgegaan. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat ingevolge artikel 4, lid 4.2, van de regels van het nieuwe bestemmingsplan op gronden met de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 3" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, tot een bepaalde hoogte ten behoeve van die bestemming mogen worden gebouwd en dat derhalve op gronden met de dubbelbestemming bij recht geen gebouwen zijn toegestaan. [appellant] voert aan dat ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, onderdeel b, van de regels op die gronden bij recht kan worden gebouwd indien aan één van de in die bepaling vermelde criteria is voldaan.

4.1.    In artikel 4 van het nieuwe bestemmingsplan zijn de regels voor gronden met de bestemming "Waarde-Archeologie 3" opgenomen. Artikel 4, de leden 4.1, 4.2 en 4.3, van de planregels luiden, voor zover van belang:

"4.1    Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde-Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden (zeer hoge archeologische waarde). Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

4.2     Bouwregels

4.2.1    Algemene bouwregels

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde worden gebouwd.

4.2.2    Specifieke bouwregels

a.    […];

b.    op deze gronden mag ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen, in afwijking van het bepaalde in de bijbehorende bouwregels, niet worden gebouwd, tenzij aan een van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

1.    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn dan wel dat de aanwezige archeologische waarden niet op onaanvaardbare wijze worden geschaad;

2.    het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;

3.    geen grondwerk wordt verricht dieper dan 0,30 m (30 cm) onder maaiveld;

4.3    Afwijken van de bouwregels

4.3.1    Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder b voor bouwwerken ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende bestemmingen.

4.3.2    Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

4.3.3 Adviesprocedure voor afwijking

Alvorens te beslissen om met een omgevingsvergunning af te wijken, wint het bevoegd gezag advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften, ter bescherming van de archeologische waarden, aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden zoals:

a.    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;

b.    het doen van archeologisch onderzoek;

c.    het begeleiden van de activiteiten waarvoor omgevingsvergunning is verleend door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige."

4.2.    De specifieke bouwregels van lid 4.2, onder 4.2.2, onder b, van het nieuwe bestemmingsplan geven een rechtstreekse bouwtitel voor zover wordt voldaan aan één van de in die bepaling vermelde vereisten onder 1, 2 en 3. Onder b is immers bepaald dat, kort gezegd, niet mag worden gebouwd, tenzij aan één van de vereisten 1, 2 of 3 wordt voldaan. Anders dan het college ter zitting heeft bepleit, kunnen de algemene bouwregels van lid 4.2, onder 4.2.1, niet leiden tot een ander oordeel, omdat specifieke bouwregels voorgaan op algemene bouwregels. Bovendien regelt lid 4.2, onder 4.2.1, alleen de bouwmogelijkheden op de betrokken gronden ingevolge de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", terwijl dat lid onder 4.2.2, onder b, een regeling bevat voor de bouwmogelijkheden op die gronden ingevolge de andere bestemmingen. De afwijkingsbevoegdheid van lid 4.3 geldt voor aanvragen om omgevingsvergunningen die niet voldoen aan de specifieke bouwregels van lid 4.2, onder 4.2.2, onder b, aanhef en onder 1, 2, en 3.

    Anders dan is vermeld in het in hoger beroep overgelegde SAOZ-advies van 12 april 2017 is voor de planvergelijking in deze zaak niet van belang of op de peildatum aan de vereisten van lid 4.2, onder 4.2.2, onder b, is voldaan, aangezien het hier gaat om bouwregels in het nieuwe bestemmingsplan. Een aanvraag om omgevingsvergunning die voldoet aan vereiste 1, 2 of 3 kan immers gedurende de gehele looptijd van het nieuwe bestemmingsplan van in beginsel tien jaar worden ingediend.

    In het SAOZ-advies van maart 2015 en het nader SAOZ-advies van 6 oktober 2015 zijn de rechtstreekse bouwmogelijkheden van lid 4.2, onder 4.2.2, onder b, aanhef en onder 1, 2 en 3, van de regels van het nieuwe bestemmingsplan ten onrechte niet bij de planvergelijking betrokken. Het college mocht deze SAOZ-adviezen daarom in zoverre niet aan het besluit van 12 januari 2016 ten grondslag leggen. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

4.3.    Het betoog slaagt.

5.    [appellant] heeft zijn beroepschrift in het hogerberoepschrift opgenomen. Op de in dat beroepschrift aangevoerde gronden is de rechtbank ingegaan. [appellant] heeft, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de gronden en de argumenten in de rechtbankuitspraak onjuist, dan wel onvolledig is. Het aangevoerde kan dan ook niet tot vernietiging van de rechtbankuitspraak leiden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2204), onder 6. Dat betekent dat de verwerping van die gronden daarmee in rechte vast staat.

Conclusie en opdracht

6.    Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen volgt dat het besluit van 21 januari 2016 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De Afdeling ziet aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in dat besluit te herstellen. Daartoe dient het college binnen 12 weken met inachtneming van deze uitspraak op basis van een nieuw deskundigenadvies een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar te nemen. Het college dient het nieuwe besluit aan [appellant] en de Afdeling te zenden.

7.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen op om binnen 12 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 21 januari 2016, kenmerk JZ20/Z15.023801/D152305597, te herstellen door een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar te nemen en dit aan [appellant] en de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Oranje

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

507.