Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:964

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201703989/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2017 heeft het college de tweede wijziging van het Aanwijzingsbesluit ondergrondse containers voor huishoudelijk restafval deelplan A, gemeente Breda, waarbij onder meer locatie OG0080 ter hoogte van het perceel [locatie] te Teteringen is aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: orac), vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703989/1/A1.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Teteringen, gemeente Breda,

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2017 heeft het college de tweede wijziging van het Aanwijzingsbesluit ondergrondse containers voor huishoudelijk restafval deelplan A, gemeente Breda, waarbij onder meer locatie OG0080 ter hoogte van het perceel [locatie] te Teteringen is aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: orac), vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.B.G.M. Foolen, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M. Schipper, advocaat te Breda, L.J.M. Peeters-van Bergen, I.M.J. Wilms en A.J.H.J. Thijssen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding        

1.    Bij het bestreden besluit heeft het college concrete locaties aangewezen waar orac’s worden geplaatst. Het stuk ‘nota van beantwoording zienswijzen’ maakt onderdeel uit van het besluit. Bij het besluit is locatie OG0080 ter hoogte van het perceel [locatie] aangewezen als locatie voor een orac. [appellant] woont aan de [locatie] en kan zich niet met de aanwijzing van de locatie verenigen. De orac komt ten opzichte van zijn woning aan de overzijde van de weg in een groenstrook, waarin parkeervakken aanwezig zijn. De orac zal worden voorzien van een toegangssysteem, zodat deze alleen kan worden gebruikt door personen die hun huisvuil bij die orac ter inzameling mogen aanbieden.

2.    Bij de aanwijzing van locaties voor de plaatsing van orac’s komt het college beleidsruimte toe. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college in redelijkheid tot de aangewezen locatie heeft kunnen komen.

Kenbare belangenafweging

3.    [appellant] betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende inzicht geeft in de door het college gemaakte belangenafweging en dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot aanwijzing van de locatie heeft kunnen komen.

3.1.    In het ontwerpbesluit is gekozen voor de plaatsing van een orac aan de Laanzichtweg ter hoogte van de kruising met de Kleine Haan. Naar aanleiding van zienswijzen heeft het college besloten de locatie ter hoogte van het perceel [locatie] aan te wijzen. In het besluit is ter motivering van de keuze voor de daarbij aangewezen locatie slechts vermeld dat de locatie voldoet aan de gestelde criteria. Het besluit biedt geen inzicht of, en zo ja, in hoeverre, het college bij de aanwijzing van de locatie betekenis heeft toegekend aan de betrokken belangen, zoals onder meer verkeersbelangen en de gevolgen van de orac voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Gelet hierop bevat het besluit geen kenbare belangenafweging, zodat moet worden geoordeeld dat het onzorgvuldig is genomen.

    Het betoog slaagt.

4.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 4 april 2017, voor zover daarbij locatie OG0080 is aangewezen als locatie voor een orac, dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

5.    De Afdeling zal vervolgens aan de hand van de overige beroepsgronden beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

Uitgangspunten

6.    Bij het bepalen van de locaties voor de orac’s heeft het college verscheidene uitgangspunten, zoals neergelegd in het stuk "Procedure invoering ondergrondse inzameling restafval gemeente Breda", gehanteerd. De uitgangspunten, voor zover hier van belang, houden in:

B. Bereikbaarheid

De container moet zowel voor de inzameldienst als voor de gebruikers voldoende bereikbaar en toegankelijk zijn. Vanuit de kant van de inzameldienst houdt dit minimaal in dat de toegangswegen naar de container toegankelijk zijn voor het inzamelvoertuig, de containers zo gesitueerd dienen te zijn dat het technisch mogelijk is de container te legen en dat de inzameldienst bij het legen geen objecten in de openbare ruimte (zoals bomen, lantaarnpalen, auto’s e.d.) of gebouwen (bijvoorbeeld muren, balkons, uitsteeksels aan gebouwen e.d.) kan raken. Vanuit de kant van de gebruikers dienen de containers makkelijk bereikbaar, toegankelijk en veilig gesitueerd te zijn. In het bijzonder ook (altijd) voor ouderen en mindervaliden. C. Verkeersveiligheid

De container moet zowel voor de inzameldienst als voor de gebruiker op een veilige wijze te bereiken zijn. Vanuit de kant van de inzameldienst houdt dit minimaal in dat de container geleegd moet kunnen worden zonder dat hierdoor een gevaarlijke verkeerssituatie ontstaat. Vanuit de kant van de gebruiker betekent dit dat zij hun afval kwijt moeten kunnen, zonder hiervoor verkeersonveilige handelingen te moeten verrichten. Het moeten oversteken van een druk bereden rijweg, zonder dat er een veilige oversteekplaats - bijvoorbeeld een voetgangersoversteekplaats, al dan niet met verkeerslicht - in de directe nabijheid is, is een voorbeeld van een verkeersonveilige handeling. De container mag nooit zo worden geplaatst dat het verkeer hier hinder van ondervindt.

Bereikbaarheid

7.    [appellant] betoogt dat de aangewezen locatie niet voldoet aan het  uitgangspunt van bereikbaarheid. Hij stelt dat de locatie slecht bereikbaar is voor de ledigingswagen, doordat auto’s regelmatig op de weg staan geparkeerd naast de groenstrook waarin de orac wordt geplaatst. Daarnaast stelt hij dat de in de groenstrook aanwezige lantaarnpaal een belemmering vormt voor het ledigen van de orac door de ledigingswagen. Voorts stelt hij dat de Lange Akker een doodlopende weg is en dat de weg regelmatig wordt geblokkeerd door bestelauto’s.

7.1.    Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de toegangswegen naar de orac toegankelijk zijn voor de ledigingswagen en dat de ledigingswagen bij de locatie voldoende opstelruimte heeft. De nabij de locatie gelegen lantaarnpaal vormt volgens het college geen belemmering voor de ledigingswagen bij het ledigen van de orac. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat een vrije doorgang van 1,20 m rondom een zijde van de afleverzuil is gegarandeerd.

7.2.    Het college heeft ter zitting toegelicht dat het ledigingswagen via de tegenover de locatie gelegen zijstraat, ook Lange Akker genaamd, naar de locatie rijdt. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door het college gedane stellingen over de toegankelijkheid van de toegangswegen voor de ledigingswagen en dat de ledigingswagen bij de locatie voldoende opstelruimte heeft. Verder ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van het college dat de lantaarnpaal geen belemmering vormt voor de ledigingswagen bij het ledigen van de orac.

Voor zover [appellant] stelt dat auto’s buiten de naast de orac gelegen parkeervakken kunnen worden geparkeerd op de weg naast de groenstrook, overweegt de Afdeling dat het college bij de keuze voor een locatie geen rekening heeft hoeven houden met auto’s die buiten de daarvoor bedoelde parkeervakken worden geparkeerd. Het aangevoerde leidt niet tot het oordeel dat de locatie niet voldoet aan het uitgangspunt van een voldoende bereikbaarheid.

    Gezien het vorenoverwogene heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangewezen locatie voldoet aan het uitgangspunt met betrekking tot bereikbaarheid.

Verkeersveiligheid

8.    [appellant] stelt een verkeersonveilige situatie te vrezen ten gevolge van de orac. Hij stelt dat de aanwezigheid van de orac zal leiden tot een zodanige toename van het verkeer dat de straat met name voor fietsers en schoolgaande kinderen onveilig wordt.

8.1.    Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat weliswaar enige verkeershinder kan worden ondervonden tijdens het gebruik en ledigen van de orac, maar dat het niet aannemelijk is dat hierdoor een verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

8.2.    Niet in geschil is dat de maximumsnelheid op de Lange Akker 30 km/uur bedraagt. Het deel van de Lange Akker, waaraan [appellant] woont, is doodlopend.

    Het college heeft te kennen gegeven dat een huishouden gemiddeld eenmaal per week huishoudelijke afvalstoffen naar de orac zal moeten brengen. Ongeveer 100 huishoudens zullen van de orac gebruik kunnen maken, wat betekent dat er gemiddeld 14 à 15 keer per dag door iemand huisvuil naar de orac wordt gebracht. Dit zal volgens het college meestal te voet gedaan worden.

    De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van wat het college met betrekking tot de intensiteit van het gebruik van de orac naar voren heeft gebracht. Gelet op het te verwachten dagelijkse gebruik van de orac, is het niet aannemelijk dat de aanwezigheid van de orac, zelfs al zou, zoals door [appellant] gesteld, een groot deel daarvan met de auto komen, zal leiden tot een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen.

    Niet is aannemelijk geworden dat het ledigen van de orac zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Dat de ledigingswagen moet steken om de bocht bij de aangewezen locatie te kunnen maken, is daarvoor onvoldoende.

Daarbij is van betekenis dat het college ter zitting heeft toegelicht dat ledigingswagens zijn voorzien van camera’s, knipperlichten en achteruitrijsignalering, zodat het voor de overige verkeersdeelnemers duidelijk kan zijn dat de ledigingswagen manoeuvreert. Verder zijn volgens het college bestuurders van ledigingswagens opgeleid om veilig te rijden.

    Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat wordt voldaan aan het uitgangspunt van verkeersveiligheid.

Brandgevaar kerstbomen en overlast hondenpoep

9.    [appellant] stelt te vrezen dat er na de kerstperiode bij de orac kerstbomen ter inzameling aangeboden zullen worden en dat het risico bestaat dat deze in brand worden gestoken. Ook stelt hij te vrezen dat hondeigenaren bij het ter inzameling aanbieden van huisvuil hun hond zullen meenemen, waardoor er nabij de orac overlast van hondenpoep zal komen.

9.1.    Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat brandonveilige situaties door de aanwezigheid ontstaan. Indien overlast wordt ondervonden door ter inzameling aangeboden kerstbomen of hondenpoep of indien zich andere omstandigheden voordoen waardoor onaanvaardbare situaties ontstaan, kan dit gemeld worden bij het college en zullen indien nodig mogelijk passende maatregelen getroffen worden, zo stelt het.

    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van de orac leidt tot brandonveilige situaties en dat de hinder door hondenpoep ten gevolge van de aanwezigheid van de orac zodanig is, dat het college aanleiding had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen. Daarbij komt dat het college te kennen heeft gegeven dat passende maatregelen genomen kunnen worden.

Trillingen en schade

10.    [appellant] stelt te vrezen voor trillinghinder en schade aan regenwater- en vuilwaterriolering als gevolg van een te zware belasting van de weg. Hij stelt verder dat de aanwezigheid van de orac zal leiden tot scheurvorming in zijn woning.

10.1.    Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld stelt dat het straatwerk ter plaatse bestand is tegen de belasting die op de weg wordt uitgeoefend door het rijden van de ledigingswagen en bij het ledigen van de orac. Het college acht het mede daarom onaannemelijk dat het ledigen van de orac trillingen veroorzaakt en kan leiden tot scheurvorming in nabijgelegen woningen. Daarnaast leidt volgens het college plaatsing en lediging van de orac niet tot schade aan riolering.

10.2.    De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de stellingen van het college dat in zijn algemeenheid geen trillinghinder van betekenis, scheurvorming en schade aan riolering ontstaat ten gevolge van de aanwezigheid en het ledigen van een orac. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval de weg niet bestand is tegen belastingdruk van de stempels van de ledigingswagen bij het ledigen van de orac. Voorts acht de Afdeling niet door hem aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van de orac zal leiden tot schade aan riolering. Wat betreft het betoog van [appellant] dat hinder door trillingen zal worden veroorzaakt, overweegt de Afdeling dat, als al enige trillinghinder zal optreden, het college ervan heeft mogen uitgaan dat deze niet zodanig is dat de locatie niet in redelijkheid kon worden aangewezen.

    Het vorenstaande laat onverlet dat [appellant], indien hij stelt dat hij schade door scheurvorming lijdt die niet voor zijn rekening dient te komen, een verzoek tot schadevergoeding tot het college kan richten.

Waardevermindering

11.    [appellant] betoogt dat de aanwezigheid van de orac zal leiden tot waardevermindering van zijn woning.

11.1.    Het college heeft er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid van kunnen uitgaan dat waardevermindering van een nabij een orac gelegen woning de belangen van de eigenaar in de regel niet zodanig aantast dat daaraan meer gewicht moet worden toegekend dan aan het belang dat is gediend met de plaatsing van orac’s. Het college heeft in de enkele stelling dat de woning in waarde zal verminderen in redelijkheid geen aanleiding hoeven vinden om af te zien van de aanwijzing van de locatie. Zoals hiervoor overwogen onder 10.2. laat dit onverlet dat [appellant], indien hij stelt dat hij schade lijdt die niet voor zijn rekening dient te komen, een verzoek tot schadevergoeding tot het college kan richten.

Alternatieve locaties

12.    [appellant] betoogt dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen, gelet op het bestaan van geschiktere locaties. Daartoe wijst hij op een locatie op de hoek van de kruising van de Laanzichtweg met de Heiackerdreef en een locatie op de hoek van de Lange Akker met de Heiackerdreef op 50 m van de aangewezen locatie.

12.1.    Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de alternatieve locatie op de hoek van de kruising van de Laanzichtweg en de Heiackerdreef minder geschikt is dan de aangewezen locatie. Daartoe stelt het college dat deze locatie direct aan de kruising ligt en bovendien is gesitueerd aan de Heiackerdreef, die een doorgaande weg is met een maximumsnelheid van 50 km/uur. Met betrekking tot de aangedragen alternatieve locatie op 50 m afstand van de aangewezen locatie, stelt het college dat deze locatie een overschrijding van de maximale loopafstand van 300 m tot gevolg heeft. Volgens het college is deze locatie derhalve niet geschikt.

12.2.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college de aangewezen locatie geschikt kunnen achten voor het plaatsen van een orac. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem voorgestelde alternatieve locaties geschikter zijn. Daartoe overweegt de Afdeling dat, zoals het college terecht heeft gesteld, de voorgestelde locatie op de hoek van de Laanzichtweg met de Heiackerdreef is gelegen ter hoogte van een kruising en is gesitueerd aan een doorgaande weg. Het college heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat deze locatie daarom minder geschikt is voor de plaatsing van een orac. Zoals het college heeft toegelicht, zou de voorgestelde locatie op de hoek van de Lange Akker met de Heiackerdreef op 50 m afstand van de aangewezen locatie, leiden tot een toename van de loopafstand tussen de orac en de huishoudens die van de orac gebruik zullen maken. Voor enkele huishoudens zou de loopafstand tot de orac meer dan 300 m worden. Het college heeft dat, gelet op het uitgangspunt dat een maximale loopafstand van 300 m tussen de erfgrens van de woningen die van de orac gebruik zullen kunnen maken en de orac, ongewenst mogen achten.

Slotoverwegingen

13.    De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten en overweegt hiertoe dat in wat  [appellant] heeft aangevoerd geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat het college de aangewezen locatie, gelet op de in het verweerschrift gegeven motivering, niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen.

14.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 4 april 2017, voor zover locatie OG0080 is aangewezen voor de plaatsing van een orac;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

163-855.