Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201702180/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:612, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 4 februari 2016 heeft het college aan onderscheidenlijk [partij A] en [partij B] en aan [partij C] en [partij D] een tegemoetkoming in planschade toegekend van onderscheidenlijk € 14.500,00 en € 13.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/193 met annotatie van H.D. Tolsma
JOM 2019/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702180/1/A2.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    de Hervormde Gemeente Zwartebroek-Terschuur (hierna: de Hervormde Gemeente),

2.    de Diaconie van de Hervormde Gemeente Zwartebroek-Terschuur (hierna: de Diaconie),

3.    de Stichting Dwarsakker Zorg en Wonen, gevestigd te Zwartebroek (hierna: de stichting),

appellanten (hierna ook samen: de Hervormde Gemeente en andere),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 februari 2017 in zaak nr. 16/4150 in het geding tussen:

de Hervormde Gemeente en andere

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 4 februari 2016 heeft het college aan onderscheidenlijk [partij A] en [partij B] en aan [partij C] en [partij D] een tegemoetkoming in planschade toegekend van onderscheidenlijk € 14.500,00 en € 13.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.

Bij besluit van 6 juni 2016 heeft het college het door de Hervormde Gemeente en de Diaconie daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2017 heeft de rechtbank het beroep daartegen, voor zover ingesteld door de stichting, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover ingesteld door de Hervormde Gemeente en de Diaconie, gegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank het besluit van 6 juni 2016 vernietigd, het bezwaar van de Hervormde Gemeente en de Diaconie tegen de besluiten van 4 februari 2016 alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Hervormde Gemeente en andere hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2018, waar de Hervormde Gemeente en andere, vertegenwoordigd door mr. J. van den Brink, advocaat te Hardinxveld-Giessendam, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Dankers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De gemeente Barneveld en de stichting hebben op 18 januari 2014 een exploitatieovereenkomst gesloten over de ontwikkeling van woningbouw op een nader aangeduid gebied in Zwartebroek. In die overeenkomst is bepaald dat de door het college toegekende tegemoetkomingen in planschade die betrekking hebben op het projectgebied voor rekening en risico van de stichting komen. De gemeenteraad heeft woningbouw in dit gebied mogelijk gemaakt door de vaststelling van het bestemmingsplan "Dwarsakker".

    [partij A] en [partij C] hebben het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade die zij stellen te lijden ten gevolge van dat bestemmingsplan. Bij besluiten van 4 februari 2016 heeft het college hen elk tegemoetkomingen in planschade toegekend van onderscheidenlijk € 14.500,00 en € 13.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.

    Het college heeft het door de Hervormde Gemeente en de Diaconie tegen de besluiten van 4 februari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Daartegen hebben de Hervormde Gemeente, de Diaconie en de stichting beroep ingesteld bij de rechtbank.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het door de Hervormde Gemeente en de Diaconie gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 4 februari 2016 niet aan de stichting kan worden toegerekend omdat de belangen van de stichting niet met de belangen van de Hervormde Gemeente en de Diaconie kunnen worden vereenzelvigd. Gelet hierop en omdat aan de stichting redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen die besluiten, heeft de rechtbank het beroep, voor zover ingesteld door de stichting, niet-ontvankelijk verklaard.

    Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de Hervormde Gemeente en de Diaconie niet als belanghebbenden bij de door hen in bezwaar bestreden besluiten van 4 februari 2016 kunnen worden aangemerkt. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar van de Hervormde Gemeente en de Diaconie niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft om die reden het beroep, voor zover ingesteld door de Hervormde Gemeente en de Diaconie, gegrond verklaard en het besluit van 6 juni 2016 vernietigd. Tevens heeft de rechtbank, zelf in de zaak voorziend, hun bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Hoger beroep

-niet-ontvankelijk verklaring van het beroep van de stichting

3.    De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de belangen van de stichting niet kunnen worden vereenzelvigd met de belangen van de Hervormde Gemeente en de Diaconie. Zij verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1943), 8 juni 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AN6707, AB 2001/217) en 18 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:837). Volgens de stichting is de verhouding tussen enerzijds de Hervormde Gemeente en de Diaconie en anderzijds de stichting vergelijkbaar met die van de directeur/enig aandeelhouder en diens besloten vennootschap. Zij voert daartoe aan dat volgens de statuten de stichting zich alleen ten doel stelt de Hervormde Gemeente en de Diaconie financieel te ondersteunen en haar bestuur alleen bestaat uit vertegenwoordigers uit de Hervormde Gemeente en de Diaconie. Voorts voert zij aan dat de Hervormde Gemeente en de Diaconie een risicodragende inleg in de stichting hebben gedaan. De omvang van de tegemoetkomingen in planschade die de stichting aan de gemeente Barneveld moet afdragen, zal direct en onverdeeld haar weerslag vinden in de omvang van de opbrengsten die uitsluitend aan de Hervormde Gemeente en de Diaconie ten goede zullen komen. Tot slot heeft de stichting ter zitting aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO9213), dat het college er bekend mee was dat de belangen van de stichting en die van de Hervormde Gemeente en de Diaconie identiek waren. De gemachtigde, Laseur Projectontwikkeling, heeft per vergissing geen bezwaar gemaakt namens de stichting, terwijl het voor het college duidelijk was dat dat wel de bedoeling was.

3.1.    Vaststaat dat de stichting geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 4 februari 2016 en de Hervormde Gemeente en de Diaconie dat wel hebben gedaan. Voor het kunnen toerekenen van het bezwaar van de Hervormde Gemeente en de Diaconie aan de stichting is slechts ruimte, indien de stichting en de Hervormde Gemeente en de Diaconie met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Hiervan is alleen sprake wanneer vaststaat dat de belangen van de één identiek zijn aan de belangen van de ander en daarover voor andere betrokkenen in het rechtsverkeer geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid kan hebben bestaan.

3.2.    Anders dan de stichting betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het door de Hervormde Gemeente en de Diaconie gemaakte bezwaar niet aan de stichting kan worden toegerekend, omdat de belangen van de stichting niet kunnen worden vereenzelvigd met de belangen van de Hervormde Gemeente en de Diaconie. De stichting is een zelfstandige rechtspersoon met een eigen afgescheiden vermogen en wordt gefinancierd door externe partijen. Dat de stichting zich op grond van haar statuten ten doel stelt de Hervormde Gemeente en de Diaconie financieel te ondersteunen door middel van het exploiteren van nieuwbouwprojecten en dat haar bestuur alleen bestaat uit vertegenwoordigers uit de Hervormde Gemeente en de Diaconie, maakt niet dat de belangen van de stichting identiek zijn aan die van de Hervormde Gemeente en de Diaconie. De door de stichting aangehaalde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat het in dit geval gaat om de belangen van drie afzonderlijke rechtspersonen. Het betoog van de stichting dat het college ermee bekend was dat de belangen van de stichting en die van de Hervormde Gemeente en de Diaconie identiek zijn, faalt reeds omdat niet is komen vast te staan dat die belangen identiek zijn. Hieraan doet niet af dat, naar de stichting stelt, Laseur Projectontwikkeling per vergissing geen bezwaar namens de stichting heeft gemaakt. De door haar in dit verband aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2004 kan haar niet baten nu in die zaak is geoordeeld dat de belangen van de directeur/enig aandeelhouder en die van de B.V. onder de in die uitspraak aan de orde zijnde specifieke omstandigheden met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde.

    Het betoog faalt.

4.    De stichting betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de stichting redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 4 februari 2016. Laseur Projectontwikkeling, die namens de Hervormde Gemeente en de Diaconie bezwaar heeft gemaakt tegen die besluiten, heeft zich daarbij laten leiden door het door het college overgenomen advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) waarin de Hervormde Gemeente en de Diaconie als belanghebbenden zijn genoemd. Daarbij komt dat het college het verzoek om de toegekende tegemoetkomingen in planschade aan de gemeente Barneveld te betalen, heeft gericht aan Laseur Projectontwikkeling waarbij de stichting niet is genoemd. Dat de brief van het college van 3 maart 2015 over de ontvangst van de aanvragen om een tegemoetkoming in planschade aan de stichting is geadresseerd, maakt dat niet anders, gelet op de hogere frequentie en de veel meer recente data van de vermeldingen van de Hervormde Gemeente en de Diaconie als belanghebbenden. Volgens de stichting kan haar redelijkerwijs niet worden verweten dat namens haar geen bezwaar is gemaakt.

4.1.    Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de stichting geen beroep bij de rechtbank kan instellen als aan de stichting redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Voor de beoordeling daarvan is het volgende van belang.

    Uit de op 12 februari 2014 tussen de gemeente Barneveld en de stichting gesloten exploitatieovereenkomst volgt dat de stichting de door de gemeente toegekende tegemoetkomingen in planschade die betrekking hebben op het woningbouwproject "Dwarsakker" dient te betalen aan de gemeente. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met deze overeenkomst een eerdere conceptovereenkomst tussen de gemeente Barneveld en de Hervormde Gemeente en de Diaconie van tafel is gegaan en de stichting belanghebbende is geworden bij de verzoeken om een tegemoetkoming in planschade die betrekking hebben op voormeld woningbouwproject. Het college heeft de stichting als belanghebbende bij brief van 3 maart 2015 bericht dat er twee aanvragen om een tegemoetkoming in planschade met betrekking tot dat project zijn ontvangen en dat die ter advisering zijn voorgelegd aan de SAOZ. Gelet op de inhoud van voormelde stukken heeft de vermelding in de adviezen van de SAOZ van de Hervormde Gemeente en de Diaconie als belanghebbenden, voor de stichting in redelijkheid geen aanleiding kunnen zijn om zich zelf niet meer te beschouwen als belanghebbende en ontsloeg haar evenmin van haar eigen verantwoordelijkheid om als belanghebbende bezwaar te maken tegen de op basis van die adviezen toegekende tegemoetkomingen in planschade. De rechtbank heeft daarbij terecht betrokken dat wie als belanghebbende moet worden aangemerkt, niet wordt bepaald door de SAOZ. Voorts heeft de rechtbank in de omstandigheid dat het college de misvatting van de SAOZ niet heeft gecorrigeerd in de besluiten van 4 februari 2016, terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Het college was daartoe niet gehouden. Het college heeft deze besluiten bij brief van dezelfde datum toegezonden aan Laseur Projectontwikkeling die de belangenbehartiger van de stichting is. Gelet hierop blijft het voor rekening van de stichting dat haar belangenbehartiger alleen namens de Hervormde Gemeente en de Diaconie bezwaar heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat aan de stichting redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 4 februari 2016.

    Het betoog faalt.

-niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van de Hervormde Gemeente en de Diaconie

5.    Anders dan de Hervormde Gemeente en de Diaconie betogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat zij niet als belanghebbenden bij de door hen in bezwaar bestreden besluiten van 4 februari 2016 kunnen worden aangemerkt. De Hervormde Gemeente en de Diaconie zijn geen belanghebbenden, reeds omdat uit de exploitatieovereenkomst van

12 februari 2014 volgt dat de gemeente Barneveld zich voor de betaling van de toegekende tegemoetkomingen in planschade alleen kan wenden tot de stichting en dus niet tot de Hervormde Gemeente en de Diaconie.

Slotoverwegingen

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Jansen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

609.