Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:949

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201701007/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de wijk Archipelbuurt (wijk 46) te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701007/1/A1.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Den Haag,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de wijk Archipelbuurt (wijk 46) te Den Haag.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2017, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Blankenstein en R. van Coevorden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van het plaatsingsplan, concrete locaties in de wijk Archipelbuurt aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Onder meer is voorzien in plaatsing van twee ORAC’s aan de Balistraat ter hoogte van de woning op nummer 49 (locatie 46-50A; hierna: de locatie). [appellant] en anderen bewonen de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] op korte afstand van de locatie en kunnen zich niet met de aanwijzing van de locatie verenigen.

    Ontvankelijkheid

2.    Artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen."

    Artikel 6:13 van de Awb luidt: "Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht (…)".

2.1.    Het beroep is mede ingesteld door [persoon], woonachtig aan de [locatie 3] te Den Haag. De door [appellant] en anderen ingediende zienswijzen zijn niet ondertekend door [persoon], noch is daaruit op andere wijze af te leiden dat deze mede door of namens [persoon] zijn ingediend. Evenmin is gebleken dat sprake is van omstandigheden die maken dat aan [persoon] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Het beroep, voor zover ingediend door [persoon], is derhalve niet-ontvankelijk.

    Beroep

3.    Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn "Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval" met kenmerk RIS 160943, gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:

"- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!).

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen (kosten!).

- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.

- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden."

4.    [appellant] en anderen betogen dat het college de locatie in redelijkheid niet kon aanwijzen, nu de locatie zich naast de scootercontainer van [mede-appellante] bevindt. Hierdoor ontstaat zichtbederf en voorts is het vanuit humanitair perspectief onwenselijk om ORAC's naast een scootercontainer te plaatsen. Bovendien kunnen ten gevolge van het plaatsen van de ORAC's en mogelijk dumpen van vuilniszakken tussen de ORAC's en de scootercontainer problemen ontstaan met de toegankelijkheid van de scootercontainer, dan wel de auto van de mantelzorger van [mede-appellante], aldus [appellant] en anderen.

4.1.    Bij het besluit van 10 januari 2017 heeft het college een Nota van Antwoord gepubliceerd, waarin wordt ingegaan op door belanghebbenden tegen het ontwerp-plaatsingsplan ingediende zienswijzen. In de Nota van Antwoord staat dat bij plaatsing van ORAC's altijd rekening wordt gehouden met een minimale afstand van 1,50 m tussen gevel en ORAC's. Vermeld is dat, aangezien ORAC's veelal in de parkeervakken of -stroken geplaatst zijn, ORAC's doorgaans niet dichter bij de huizen staan dan geparkeerde auto's. Daarnaast heeft het college in het verweerschrift uiteengezet dat de toegang tot de scootercontainer door plaatsing niet zal worden gehinderd, nu deze naar de trottoirzijde en niet naar de zijde van de ORAC's opent.

    Voor zover vrees bestaat voor zwerfafval heeft het college in het verweerschrift naar voren gebracht dat de ORAC's twee maal per week wordt geleegd en dat indien melding wordt gemaakt van zwerfafval, dit zal worden verwijderd. Het college treedt verder op tegen bewoners die hun afval niet correct in ORAC's deponeren. Volgens de Nota van Antwoord leert de ervaring bovendien dat straten na plaatsing van ORAC's doorgaans schoner zijn dan voordien het geval was.

4.2.    De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen het college met betrekking tot hinder naar voren heeft gebracht. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat hinder door zwerfvuil zal ontstaan, dat de bereikbaarheid van de scootercontainer of hun woningen in het geding is, of dat vanuit humanitair perspectief of anderszins sprake is van zodanig nadelige gevolgen van plaatsing van de ORAC's op de locatie, dat het college niet in redelijkheid tot aanwijzing daarvan kon overgaan.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] en anderen betogen dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen, gelet op het bestaan van geschikte alternatieve locaties. Daartoe wijzen zij op locaties nabij Balistraat 44-46, dan wel 53A. Op deze laatste locatie bevond zich ten tijde van het besluit nog een invalidenparkeerplaats, doch deze is inmiddels opgeheven, zodat deze locatie beschikbaar is geworden voor plaatsing van de ORAC's. Plaatsing op deze locatie levert minder hinder op voor omwonenden, aldus [appellant] en anderen.

5.1.    Het college heeft in de Nota van Antwoord en het verweerschrift naar voren gebracht dat de aangewezen locatie de voorkeur verdient boven de door de bewoners bedoelde alternatieve locaties voor de Balistraat 44-46, dan wel 53A, omdat zich onder deze locaties kabels en leidingen bevinden, waardoor aldaar geen ORAC's geplaatst kunnen worden. Daarnaast is de opgeheven invalidenparkeerplaats ter hoogte van de Balistraat 53A tevens gelegen voor de woningen aan de Balistraat 55 en 57, zodat deze locatie geen verbetering oplevert van het bestaande plaatsingsplan. Ter zitting heeft het college voorts aangegeven dat de beschikbare oppervlakte van de locatie voor de Balistraat 44-46 te klein is voor plaatsing van ORAC's.

    Gelet hierop en gelet op de randvoorwaarden weergegeven onder 3. heeft het college in de door [appellant] en anderen voorgestelde alternatieve locaties in redelijkheid geen aanleiding hoeven vinden om af te zien van aanwijzing van de in geding zijnde locatie.

    Het betoog faalt.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep voor zover ingediend door [persoon] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

574.