Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:943

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201703216/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2354, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft de korpschef gereageerd op het verzoek van [appellant] op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703216/1/A3.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2017 in zaak nr. 14/8046 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft de korpschef gereageerd op het verzoek van [appellant] op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg).

Bij besluiten van 22 april 2016 en 25 oktober 2016 is de korpschef tegemoetgekomen aan enkele bij de rechtbank aangevoerde bezwaren.

Bij uitspraak van 30 maart 2017 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 9 oktober 2014, 22 april 2016 en 25 oktober 2016 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2018, waar [appellant] en de korpschef van politie, vertegenwoordigd door mr. I. de Hoop, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 30 april 2014 heeft [appellant] verzocht om inzage van bij de politie in een dossier geregistreerde gegevens die op hem betrekking hebben. Nadat [appellant] zijn gegevens op 22 juli 2014 heeft ingezien en naar aanleiding daarvan bij brief van 4 augustus 2014 heeft verzocht om onder meer stukken uit zijn dossier te verwijderen die ouder zijn dan vijf jaar en diverse gegevens in dat dossier te corrigeren, heeft de korpschef bij besluit van 9 oktober 2014 gedeeltelijk gevolg gegeven aan het verzoek van [appellant].

    Vervolgens heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het besluit van 9 oktober 2014. Volgens [appellant] heeft hij geen volledige inzage gehad in zijn dossier en kan hij daardoor niet aangeven wat gecorrigeerd moet worden. Daarnaast zijn enkele gegevens volgens [appellant] nog steeds feitelijk onwaar. Naar aanleiding van de zitting bij de rechtbank op 23 maart 2016, heeft [appellant] nadere inzage in zijn dossier gehad, waarna hij heeft verzocht om wijzigingen in en verwijderingen uit zijn dossier. Bij besluit van 22 april 2016 heeft de korpschef zijn verzoek afgewezen. In reactie op een bij de rechtbank ingekomen stuk heeft de korpschef bij besluit van 25 oktober 2016 alsnog besloten om het dossier aan te vullen.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] geen feiten naar voren heeft gebracht die aannemelijk maken dat de gegevens die op hem betrekking hebben en welke de politie heeft geregistreerd onjuist of onvolledig zijn. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de door [appellant] genoemde registraties niet reeds gewijzigd kunnen worden op basis van de enkele stelling dat die registraties op onwaarheden berusten. Volgens de rechtbank heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de registraties onjuistheden bevatten, ondanks zijn stelling dat hij over documenten beschikt die het tegendeel kunnen bewijzen.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de uitspraak van de rechtbank onwaarheden bevat. Ten onrechte heeft de rechtbank niet geoordeeld dat de korpschef enkele gegevens dient aan te passen en/of te verwijderen in zijn dossier. Volgens [appellant] kan hij zijn stellingen bewijzen. Daarnaast stelt [appellant] dat de politie uit eigen beweging en zonder aanleiding stukken toevoegt aan zijn dossier. De in mutaties opgenomen beweringen zijn volgens [appellant] gelogen.

Wettelijk kader

4.    Artikel 25, eerste lid, van de Wpg luidt: ‘De verantwoordelijke deelt een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens verwerking ondergaan. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt. De verantwoordelijke kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende regionale of landelijke eenheden van de politie politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.’

Artikel 28, eerste lid, van de Wpg luidt: ‘Een ieder over wiens persoon politiegegevens worden verwerkt kan de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.’

Beoordeling hoger beroep

5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3122) is het in artikel 28, eerste lid, van de Wpg neergelegde correctierecht niet bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Voor zover verzoeken betrekking hebben op feiten, is het aan de verzoeker om aannemelijk te maken dat deze feiten onjuist zijn.

    In dit geval is het derhalve aan [appellant] om aannemelijk te maken dat de hem betreffende gegevens onjuist dan wel onvolledig zijn. In zijn hogerberoepschrift heeft [appellant] gesteld dat hij kan bewijzen dat hem betreffende gegevens onjuist zijn. Zodanige bewijzen heeft hij echter niet overgelegd. Bij brief van 24 januari 2018 heeft de Afdeling daarom [appellant] erop gewezen dat hij nadere stukken kan indienen, doch uiterlijk tot tien dagen voor de zitting. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt. Ook ter zitting heeft [appellant] desgevraagd niet duidelijk kunnen maken welke gegevens die op hem betrekking hebben onjuist zijn en om welke reden dat zo is. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geregistreerde gegevens die op hem betrekking hebben onjuist of onvolledig zijn. Hierbij is van belang dat de mutaties worden opgesteld door opgeleide politieambtenaren, die geen belang hebben bij hetgeen zij in de mutaties als door hen waargenomen vermelden. De in een mutatierapport weergegeven feitelijke verklaringen kunnen niet reeds terzijde worden geschoven op basis van de enkele niet onderbouwde stelling dat die verklaringen onjuist of onwaar zijn. De rechtbank heeft derhalve op juiste gronden geoordeeld dat de korpschef de gegevens die betrekking hebben op [appellant] niet heeft hoeven wijzigen of verwijderen.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

176-857.