Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:936

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201701793/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld, waarbij onder meer locatie 46-36C ter hoogte van het pand [locatie 2] te Den Haag, is aangewezen voor het plaatsen van twee ondergrondse restafvalcontainers (hierna: orac’s).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701793/1/A1.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Den Haag,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld, waarbij onder meer locatie 46-36C ter hoogte van het pand [locatie 2] te Den Haag, is aangewezen voor het plaatsen van twee ondergrondse restafvalcontainers (hierna: orac’s).

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2018, waar [appellant], [gemachtigden] en het college, vertegenwoordigd door R. van Coevorden en mr. R.W. Schrijver, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] en anderen hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat voor zover beroep is ingesteld door omwonenden die geen zienswijze hebben ingediend, dit opgevat moet worden als steunbetuigingen, hetgeen neerkomt op intrekking van het beroep, voor zover dat door die omwonenden is ingesteld. Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van het plaatsingsplan, concrete locaties in de wijk Archipelbuurt aangewezen waar orac’s worden geplaatst. Onder meer is voorzien in plaatsing van orac’s ter hoogte van het pand [locatie 2]. [appellant] en anderen wonen aan de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] op korte afstand van de locatie en kunnen zich niet met de aanwijzing van de locatie verenigen.

2.    Bij het vaststellen van een plaatsingsplan komt het bevoegd gezag wat betreft de keuze voor locaties voor plaatsing van orac’s beleidsruimte toe. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college in redelijkheid tot de aangewezen locatie heeft kunnen komen.

3.    [appellant] en anderen betogen dat het college, gelet op de betrokken belangen, niet in redelijkheid de locatie heeft kunnen aanwijzen. Zij stellen ten gevolge van de orac’s geur- en geluidhinder en daarmee een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat te zullen ondervinden. Daartoe stelt [appellant] te vrezen dat zij door deze hinder stressklachten krijgt en dat zij haar hobby’s niet meer kan uitoefenen. Voorts betogen [appellant] en anderen hinder te zullen ondervinden van huisvuil dat naast de orac’s wordt geplaatst, waardoor de woningen [locatie 1] en [locatie 2] niet goed bereikbaar zullen zijn. Verder vreest de eigenaar van de woning [locatie 2] voor aantasting van de verhuurbaarheid van zijn woning.

3.1.    In de Nota van Antwoord, die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, staat dat de orac’s grotendeels in de grond worden geplaatst en twee halve schalen hebben die tegen elkaar indraaien. Daardoor wordt volgens het college geurhinder tot een minimum beperkt. Daarnaast worden volgens het college de orac’s twee keer per jaar van binnen en buiten grondig gereinigd.

    Verder heeft het college toegelicht dat de orac’s zijn voorzien van rubberen dempers. Het plaatsen van huisvuil in de orac veroorzaakt daardoor niet of nauwelijks geluidhinder, zo stelt het college. Het ledigen van de orac’s zal doorgaans op werkdagen tussen 07.00 en 22.00 uur plaatsvinden en zal slechts vijf tot tien minuten in beslag nemen. Volgens het college blijft de mogelijke geluidhinder vanwege de aanwezigheid van de orac’s dan ook binnen aanvaardbare grenzen.

    Hinder als gevolg van huisvuil dat naast de orac’s wordt geplaatst, acht het college gering. Het college heeft te kennen gegeven dat de orac’s twee keer per week zullen worden geledigd en dat handhavend wordt opgetreden tegen onjuist gebruik van de orac’s. Indien er huisvuil bij een orac wordt aangetroffen, kan hier een melding van worden gemaakt, aldus het college.

3.2.    De orac’s bevinden zich op een afstand van ongeveer 3 m van de voorgevel van de dichtstbijzijnde woning, [locatie 2].

    De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen het college met betrekking tot de verschillende vormen van hinder naar voren heeft gebracht. Voor de vrees voor aanzienlijke geur- en geluidhinder bestaat, gelet op de gegeven motivering, dan ook geen grond. Evenmin bestaat grond voor de vrees dat de woningen op de nummers [locatie 1] en [locatie 2] door onjuist geplaatst huisvuil niet goed bereikbaar zullen zijn, nu de orac’s twee keer per week zullen worden geledigd en het college te kennen heeft gegeven dat handhavend zal worden opgetreden tegen onjuist gebruik van de orac’s.

    Verder geeft de enkele stelling dat de verhuurbaarheid van de woning aan de [locatie 2] wordt aangetast, geen aanleiding tot het oordeel dat het college in redelijkheid had moeten af zien van de aanwijzing van de locatie. Aangenomen kan worden dat de eventuele vermindering van huuropbrengsten van een nabij orac’s gelegen woning de belangen van de eigenaar in de regel niet zodanig aantasten dat daaraan meer gewicht moet worden toegekend dan aan het belang dat is gediend met de plaatsing van orac’s. Dit laat onverlet dat de eigenaar, indien hij stelt dat hij schade lijdt die niet voor zijn rekening dient te komen, een verzoek tot schadevergoeding tot het college kan richten.

    Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de nadelige gevolgen van de orac’s niet zodanig zijn dat het college in verband daarmee niet in redelijkheid tot aanwijzing van de locatie kon overgaan.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] en anderen betogen dat het college de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen, gelet op het bestaan van geschiktere alternatieve locaties. Daartoe wijzen zij op locaties op drie hoeken van de Balistraat met de Laan Copes van Cattenburch. Voorts wijzen zij op locaties aan de Curaçaostraat en op de hoek van de Balistraat met de Sumatrastraat.

4.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de drie hoeken van de Balistraat met de Laan Copes van Cattenburch geen geschikte locaties zijn in verband met de aanwezigheid van kabels en leidingen. Verder zou de ledigingswagen zich, vanwege de ligging van die locaties op korte afstand van de Laan Copes van Cattenburch, gedeeltelijk moeten opstellen op het fietspad langs de Laan Copes van Cattenburch en wordt het afslaand verkeer vanaf de Laan Copes van Cattenburch gehinderd. Dit levert verkeerstechnisch onwenselijke situaties op, aldus het college. De Curaçaostraat is voor gemotoriseerd verkeer een doodlopende weg en op de hoek van de Balistraat met de Sumatrastraat wordt de maximale loopafstand voor omwonenden die aangewezen zijn op het gebruik van de orac’s overschreden.

    De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de feitelijke omstandigheden die het college met betrekking tot de door [appellant] en anderen aangedragen alternatieve locaties naar voren heeft gebracht. Het college heeft zich, gelet op de gegeven motivering, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant] en anderen aangedragen alternatieve locaties niet geschikter zijn voor plaatsing van orac’s dan locatie 46-36C. De door [appellant] en anderen genoemde alternatieve locaties geven derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid die locatie heeft kunnen aanwijzen.

    Het betoog faalt.

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

163-855.