Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201708238/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:4576, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2017 heeft het CBR [appellante] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen, en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708238/1/A2.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 augustus 2017 in zaak nr. 17/1982 in het geding tussen:

[appellante]

en

de algemeen directeur (lees: de directie) van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2017 heeft het CBR [appellante] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen, en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nog nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:57, derde lid, en artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

    Wettelijk kader

1.    Het relevante wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De politie heeft het CBR op 18 januari 2017 medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [appellante] niet langer beschikt over de rijvaardigheid of over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Uit de melding en de bijgevoegde mutatierapporten komt naar voren dat [appellante] in de periode tussen 13 juli 2014 en 18 januari 2017 een aantal keer op het politiebureau is geweest met onsamenhangende verhalen, waarbij zij een verwarde indruk maakte. Op basis van deze mededeling en de bijgevoegde mutatierapporten heeft het CBR [appellante] bij besluit van 3 maart 2017 verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst. Dit besluit is bij besluit van

8 mei 2017 gehandhaafd. De rechtbank heeft het door [appellante] tegen het besluit van 8 mei 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellante] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank.

Hoger beroep

3.    [appellante] betoogt, kort samengevat, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR ten onrechte tot het opleggen van een onderzoek en het schorsen van het rijbewijs is overgegaan. Daartoe voert zij aan dat zij niet verward is en dat de door haar gedane meldingen bij de politie op waarheid berusten. Ook heeft zij opfriscursussen gevolgd bij de ANWB die, als zij niet langer een motorrijtuig mag besturen, voor niets zijn geweest en haar onnodig geld hebben gekost, aldus [appellante].

3.1.    De rechtbank heeft, overeenkomstig vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:646), terecht vooropgesteld dat voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid behoeft te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.

    Uit de door de politie gedane melding en de bijgevoegde mutatierapporten komt naar voren dat [appellante] in de periode tussen 13 juli 2014 en 18 januari 2017 een aantal keer op het politiebureau is geweest met onsamenhangende verhalen, waarbij zij een verwarde indruk maakte. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:118) is een mutatierapport een aanvaarde vorm waarin door politieambtenaren waargenomen feiten en omstandigheden worden vastgelegd. Een mutatierapport hoeft niet ter zijde te worden geschoven op basis van de enkele ontkenning van betrokkene op enig moment nadat hij die verklaring heeft afgelegd. Hierbij is van betekenis dat de mutaties zijn opgesteld door opgeleide politieambtenaren die geen belang hebben bij hetgeen zij in de mutatierapporten vermelden als door hen waargenomen. Nu [appellante] de inhoud van de mutatierapporten niet heeft betwist en de mutatierapporten voldoende nauwkeurige en uitgebreide omschrijvingen bevatten van de waarnemingen van de politieagenten die aan het vermoeden ten grondslag zijn gelegd, mocht de rechtbank uitgaan van de juistheid en de betrouwbaarheid daarvan. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat, nu op basis van de mutatierapporten een vermoeden van ongeschiktheid is gerezen, het CBR, gelet op artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c van de Wvw 1994, gelezen in verbinding met artikel 23, derde lid, aanhef en onder b van de Regeling maatregelen en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling), gehouden was een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen. Nu de mutatierapporten ook duidelijke aanwijzingen bevatten dat [appellante] lijdt aan een aandoening waardoor zij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, heeft de rechtbank ook terecht geoordeeld dat het college, gelet op artikel 6, gelezen in verbinding met artikel 5, aanhef en onder c, van de Regeling, gehouden was om het rijbewijs van [appellante] te schorsen.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:244) laten de toepasselijke bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Het betoog van [appellante] dat zij opfriscursussen heeft gevolgd bij de ANWB die, als zij niet langer een motorrijtuig mag besturen, voor niets zijn geweest en haar onnodig geld hebben gekost kan derhalve niet leiden tot het afzien van het aan [appellante] opleggen van een geschiktheidsonderzoek, noch aan het afzien van het schorsen van de geldigheid van haar rijbewijs.

    Het betoog faalt.         

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

85-854. BIJLAGE Wettelijk kader

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt tevens gedaan in bij ministeriële regeling aangegeven gevallen van overtreding van de voorwaarden van deelname aan het alcoholslotprogramma. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden. […].

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. […],

b. […], of

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. […].

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;

[…]

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 5

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

[…]

c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige; […].

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd, het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.

Artikel 23

[…]

3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

[…]

b. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II, of

[…].

Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

[…]

B. Geschiktheid

[…]

II. geestelijke geschiktheid

a. verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen;

[…].