Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201706865/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:3529, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706865/1/V3.

Datum uitspraak: 16 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 augustus 2017 in zaak nr. NL17.6490 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 18 augustus 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N. Akbalik, advocaat te Nijmegen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 3 juli 2017 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling niet behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij mondelinge uitspraak van 20 juli 2017 heeft de rechtbank Den Haag het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

    Op 2 augustus 2017 heeft de vreemdeling een aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf met het verblijfsdoel 'familie en gezin' ingediend. Op dezelfde dag is de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld. Op 5 augustus 2017 is deze maatregel opgeheven.

Grief

2.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling ten onrechte krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de grondslag van de maatregel van bewaring onjuist was, omdat de vreemdeling rechtmatig verblijf had door de indiening van een reguliere aanvraag voorafgaand aan haar inbewaringstelling op 2 augustus 2017. De staatssecretaris betoogt dat de vreemdeling, daargelaten of zij ten tijde van de inbewaringstelling rechtmatig verblijf had, terecht krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld, omdat rechtmatig verblijf er niet aan in de weg staat om de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring te stellen, aldus de staatssecretaris.

Beoordeling

2.1.    De Franse autoriteiten hebben het terugnameverzoek van de staatssecretaris op 13 februari 2017 geaccepteerd. Op 2 augustus 2017 stond de overdracht van de vreemdeling aan Frankrijk gepland. Gelet hierop bestond ten tijde van de inbewaringstelling een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in Verordening (EU) nr. 604/2013 (PbEU 2013 L180; hierna: de Dublinverordening).

2.2.    De rechtbank heeft niet onderkend dat bij de beoordeling of de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld, bepalend is of op de vreemdeling de Dublinverordening van toepassing is. Met artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 is beoogd een afzonderlijke grondslag te bieden voor inbewaringstelling van personen op wie de Dublinverordening van toepassing is, omdat uit de Dublinverordening volgt dat voor deze personen andere vereisten voor inbewaringstelling gelden dan voor vreemdelingen op wie de Dublinverordening niet van toepassing is. In dat verband wijst de staatssecretaris er terecht op dat bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 alleen mogelijk is indien een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in artikel 59a en 59b.

    Omdat op de vreemdeling de Dublinverordening van toepassing is, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris, door de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring te stellen, de inbewaringstelling op een onjuiste grondslag heeft gebaseerd.

    De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

3.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 2 augustus 2017 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroep

4.    De vreemdeling betoogt dat zij ten onrechte krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 is staandegehouden. Daartoe voert de vreemdeling aan dat onvoldoende aanknopingspunten bestonden voor een redelijk vermoeden dat zij zich in de woning van haar broer ophield.

4.1.    Zoals de rechtbank onbestreden heeft overwogen, heeft de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank verklaard dat artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 ten onrechte is toegepast. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat dit de maatregel van bewaring niet onrechtmatig maakt, nu de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. In dat verband heeft de staatssecretaris toegelicht dat de vreemdeling op 1 augustus 2017 niet op de aangewezen plek is verschenen, waardoor haar op 2 augustus 2017 geplande overdracht aan Frankrijk geen doorgang heeft kunnen vinden, en dat het einde van de overdrachtstermijn nadert. Gelet op deze omstandigheden wegen de met de bewaring gediende belangen zwaarder dan de door het vastgestelde gebrek geschonden belangen van de vreemdeling.

    De beroepsgrond faalt.

5.    De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris met een lichter middel had moeten volstaan, omdat zij een reguliere aanvraag heeft ingediend, zij medische problemen heeft en verschillende familieleden in Nederland verblijven.

5.1.    Uit de toelichting op de maatregel van bewaring blijkt dat de staatssecretaris de door de vreemdeling vermelde omstandigheden kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. De staatssecretaris heeft opgemerkt dat de nieuwe reguliere aanvraag van de vreemdeling nog niet bekend is en dat evenmin is gebleken dat de vreemdeling in verband met een nieuwe aanvraag een verzoek om uitstel van de overdracht heeft ingediend. Verder heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat er medische zorg in het detentiecentrum aanwezig is en dat de medicatie die de vreemdeling gebruikt aldaar aanwezig is. Ten aanzien van de omstandigheid dat verschillende broers en zussen van de vreemdeling in Nederland verblijven, heeft de staatssecretaris opgemerkt dat dit voor de vreemdeling een eenvoudige manier biedt om zich aan het toezicht te onttrekken. Ook heeft de staatssecretaris erop gewezen dat de vreemdeling zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken door op 1 augustus 2017 niet te verschijnen op een afspraak, waardoor haar geplande overdracht op 2 augustus 2017 geen doorgang heeft kunnen vinden. Volgens de staatssecretaris bestaat ook geen aanleiding voor toepassing van een lichter middel, omdat de overdrachtstermijn op korte termijn verstrijkt. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich in de maatregel van bewaring gemotiveerd en terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel in het geval van de vreemdeling niet doeltreffend kan worden toegepast.

    De beroepsgrond faalt.

Conclusie beroep

6.    Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 augustus 2017 in zaak nr. NL17.6490;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Nieuwenhuizen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2018

633.