Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201801145/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:623, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2017 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801145/1/V3.

Datum uitspraak: 15 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 januari 2018 in zaak nr. NL17.14608 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2017 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 31 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2017 ten onrechte ongegrond heeft verklaard en ten onrechte heeft nagelaten schadevergoeding toe te kennen. Daarover voert hij aan dat de staatssecretaris heeft erkend dat de vrijheidsontnemende maatregel in ieder geval een dag onrechtmatig heeft voortgeduurd, waarvoor hij een schadevergoedingsaanbod heeft gedaan. Omdat hij dit aanbod niet heeft aangenomen, betoogt de vreemdeling dat de rechtbank de onrechtmatigheid had moeten vaststellen onder toekenning van een schadevergoeding.

2.    De vrijheidsontnemende maatregel van 7 december 2017 is op 17 december 2017 opgeheven. Onbestreden is dat de staatssecretaris de vreemdeling een schadevergoedingsaanbod heeft gedaan, omdat de maatregel een dag te laat is opgeheven. Omdat de vreemdeling geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van de staatssecretaris, maar wel duidelijk is dat de maatregel een dag eerder had moeten worden opgeheven, had de rechtbank moeten concluderen dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 16 december 2017 onrechtmatig was, onder toekenning van een schadevergoeding voor de periode die hij ten onrechte in bewaring heeft verbleven en een proceskostenvergoeding (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:618).

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 7 december 2017 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 16 december 2017 tot 17 december 2017, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 januari 2018 in zaak nr. NL17.14608;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 80,00 (zegge: tachtig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Annen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2018

765.