Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201700757/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:5617, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor de instandhouding van een bouwweg tussen de St. Annerweg en de Aalscholver te Bedum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700757/1/A1.

Datum uitspraak: 16 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bedum,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 december 2016 in zaak nr. 16/2020 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bedum.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2016 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor de instandhouding van een bouwweg tussen de St. Annerweg en de Aalscholver te Bedum.

Bij uitspraak van 16 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door J. de Vries en F.G. Zuidema, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1.    De bouwweg is in 2008 vergund met een tijdelijke instandhoudingstermijn van vijf jaar. Vanaf 2013 is de bouwweg door het college gedoogd. Op 5 februari 2015 heeft [vergunninghoudster] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de instandhouding van de bouwweg ten behoeve van de realisatie van de woningbouwlocatie "Ter Laan IV". De gronden waarop de weg is gelegen hebben op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied" deels de bestemmingen "Agrarisch", "Verkeer", "Wonen-1" en "Water". Met het besluit van 5 april 2016 heeft het college de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend. Aan de vergunning is, met toepassing van artikel 2.23, eerste lid, van de Wabo, onder meer het voorschrift verbonden dat de bouwweg inclusief de fundatie uiterlijk zes maanden na de dag van gereedmelding van de laatste woning van het project ‘Ter Laan IV’ dient te worden opgeruimd.

    [appellant] woont nabij de afslag van de St. Annerweg naar de bouwweg. Hij heeft beroep ingesteld tegen de verleende vergunning omdat hij visuele hinder en geluidshinder van de bouwweg ondervindt.

2.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de bij de omgevingsvergunning behorende ruimtelijke onderbouwing, waarin wordt verwezen naar een door Ingenieursbureau Spreen uitgevoerd onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van de bouwweg, blijkt dat de 48 dB(A)-contour op ongeveer 8 m uit het hart van de bouwweg ligt en dat binnen die contour geen woningen zijn gelegen. Om die reden is er blijkens de ruimtelijke onderbouwing vanuit akoestisch oogpunt geen aanleiding om de afwijking van het bestemmingsplan niet te vergunnen. Wat betreft de tijdelijkheid van de verleende vergunning heeft de rechtbank overwogen dat het college aan de omgevingsvergunning de beperkte werkingsduur tot uiterlijk zes maanden na de dag van gereedmelding van de laatste woning van het project ‘Ter Laan IV’ heeft kunnen verbinden. Volgens de rechtbank bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de woonwijk ‘Ter Laan IV’ niet volledig zal worden voltooid. Gelet daarop bestaat er voldoende zekerheid ten aanzien van de beperkte werkingsduur.  

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college aan de bouwweg een andere bestemming geeft dan uitsluitend ten behoeve van het bouwverkeer voor de woningbouwlocatie ‘Ter Laan IV’.

3.1.    Het college heeft zich, onder verwijzing naar de bij de vergunning gevoegde tekening, in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de bouwweg niet aansluitend aan de St. Annerweg begint. Op 35 m van de St. Annerweg staat de schuifpoort die toegang tot de bouwweg biedt. Dit eerste gedeelte van de weg gaat in de toekomst fungeren als inrit naar de nog te realiseren ambulancepost waarvoor in 2014 vergunning is verleend. De voormalige woning St. Annerweg 2, die op de locatie van de ambulancepost stond, had een onverharde inrit, die is vervangen door de huidige inrit. Zodra de bouwweg is verwijderd, is er slechts nog sprake van een inrit naar de nog te realiseren ambulancepost.

3.2.    Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de tekening, die onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning, dat de volledige verbindingsweg tussen de St. Annerweg en de Aalscholver als bouwweg wordt vergund. De vergunning van 5 april 2016, die in deze procedure aan de orde is, ziet niet op het mogelijke toekomstige gebruik van het eerste gedeelte van de weg als in- en uitrit ten behoeve van de te realiseren ambulancepost. Aan de vergunning is voorts het voorschrift verbonden dat de bouwweg alleen mag worden gebruikt door bouwverkeer en door landbouwverkeer. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat de vergunning het mogelijk maakt dat de bouwweg op een andere wijze wordt gebruikt dan voor bouwverkeer en landbouwverkeer.

    Het betoog faalt.   

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat onvoldoende is gewaarborgd dat de bouwweg tijdelijk is. Hij wijst er op dat er al eerder een tijdelijke vergunning is verleend en betoogt dat het college om die reden niet opnieuw een tijdelijke vergunning voor de bouwweg heeft kunnen verlenen.

4.1.    Het college en [vergunninghoudster] hebben ter zitting toegelicht dat de eerdere stagnatie van de realisatie van de woonwijk ‘Ter Laan IV’ voorbij is en dat er in 2017 dertig nieuwe woningen zijn gerealiseerd. Het college en [vergunninghoudster] verwachten dat ook de komende jaren in dit tempo zal worden gebouwd. Op basis daarvan gaan zij ervan uit dat de laatste woning van het project over drie tot vier jaar gereed zal worden gemeld.

    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de tijdelijkheid van de bouwweg voldoende is gewaarborgd. Dat voor de bouwweg eerder met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een tijdelijke vergunning voor vijf jaar is verleend, maakt, anders dan [appellant] betoogt, niet dat het college voor die bouwweg niet in redelijkheid vergunning met toepassing van artikel 2.23 van de Wabo heeft kunnen verlenen.

5.    [appellant] betoogt verder dat uit de door hem overgelegde foto’s onder meer blijkt dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat de bouwweg ook buiten de vergunde tijden wordt opengesteld.

5.1.    Aan de vergunning is het voorschrift verbonden dat de bouwweg aan de zijde van de St. Annerweg blijvend dient te zijn voorzien van een  toegangspoort, die alleen geopend mag zijn op werkdagen tussen 7.00 uur en 18.00 uur. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de tijden waarop de bouwweg feitelijk is geopend in het kader van de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen, omdat dit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. Het niet naleven van de in de vergunning opgenomen voorwaarden is een kwestie van handhaving. Ter zitting heeft het college overigens toegelicht dat het er voor zorgt dat de toegangspoort snel wordt gerepareerd als deze niet meer functioneert.    

    Het betoog faalt.

6.    Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank bij de toetsing of het college de vergunning wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten weigeren ten onrechte alleen de akoestische hinder heeft betrokken. Volgens [appellant] is in de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2466) bepaald dat het feit dat aan de geluidsnormen wordt voldaan niet betekent dat ook wordt voldaan aan de eisen van een goed woon- en leefklimaat. [appellant] stelt dat de rechtbank ten onrechte niet is  ingegaan op zijn betoog dat hij ook visuele hinder van de bouwweg ondervindt.

6.1.    Onderdeel van de verleende omgevingsvergunning is de ruimtelijke onderbouwing van oktober 2015. Wat betreft het aspect geluid wordt in de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar de geluidsnotitie van Ingenieursbureau Spreen van 18 februari 2013. Het college heeft er op gewezen dat [appellant] op meer dan 90 m van de weg woont, terwijl de contour van 48 dB(A), de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerlawaai, is gelegen op 8 m van de weg. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich, gelet op de conclusies van de geluidsnotitie en de afstand van de woning van [appellant] tot de bouwweg, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er bij [appellant] geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat de woning van [appellant], naar hij stelt, een andere ligging heeft ten opzichte van de bouwweg dan de zijdelingse ligging van de in de geluidsnotitie genoemde woningen nabij de bouwweg, maakt dit niet anders. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor dusdanige geluidhinder van de bouwweg ondervindt dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

    Wat betreft de gestelde visuele hinder heeft [appellant] terecht betoogd dat de rechtbank hierop niet is ingegaan. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het college heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om de bouwweg op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. De Afdeling overweegt daartoe dat [appellant] zowel in beroep als in hoger beroep, gelet op de afstand van de weg tot zijn woning, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onaanvaardbare visuele hinder van de bouwweg ondervindt.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Montagne

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2018

374-845.