Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201701066/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:8273, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2015 heeft het college een verzoek van [appellante] om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0079
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701066/1/A2.

Datum uitspraak: 16 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], alsmede haar [vennoot], gevestigd onderscheidenlijk wonende te Hank, gemeente Werkendam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 december 2016 in zaak nr. 16/4931 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Werkendam.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2015 heeft het college een verzoek van [appellante] om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 17 juli 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar de afwijzing van het verzoek van [appellante] gehandhaafd.

Bij uitspraak van 23 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld van mr. G.H. Blom, rechtsbijstandverlener te Tilburg, en A.J.M. de Groot, werkzaam bij DLV Advies, en het college, vertegenwoordigd door J.W.R. Schmidt, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] exploiteert een geitenhouderij op het perceel [locatie A] te Hank. Op dat perceel is ook de woning van [vennoot] gelegen. [appellante] heeft het college verzocht om tegemoetkoming in planschade, omdat zij meent dat zij als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)" in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om op korte afstand van het perceel [locatie A] woningbouw te realiseren. Dat heeft een waardedrukkend effect op het perceel en de daarop aanwezige woning. Verder is het als gevolg van de inwerkingtreding van dit plan niet mogelijk de geitenhouderij verder te ontwikkelen, aldus [appellante].

2.    [appellante] heeft op 10 november 2015 een aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets ingediend voor het uitbreiden van haar geitenhouderij met 200 geiten. Op 20 juli 2016 heeft het college de gevraagde vergunning verleend.

Besluitvorming

3.    Aan zijn besluit van 24 november 2015 heeft het college een advies van mr. J.R.M. van der Poel en ing. P.E. Bakker van mei 2015 ten grondslag gelegd. Volgens Van der Poel en Bakker ondervindt [appellante] geen planologisch nadeel voor wat betreft de door haar gestelde uitbreidingsmogelijkheden. Wel is sprake van een geringe aantasting van het uitzicht en de situeringswaarde en derhalve van een nadelige wijziging van de planologische situatie. Dit nadeel is evenwel zo gering dat de woning van [vennoot] niet in waarde daalt. Daaraan voegen Van der Poel en Bakker toe dat het nieuwe planologische regime geen nadelige invloed heeft op de waarde van de bedrijfsgebouwen.

4.    Aan zijn besluit van 17 juli 2016 heeft het college een advies van de bezwarencommissie van de gemeente Werkendam van 4 april 2016 ten grondslag gelegd. Volgens de commissie zijn Van der Poel en Bakker in hun advies van mei 2015 uitgegaan van een onjuiste peildatum, 20 augustus 2009. De juiste peildatum is 9 februari 2011. Omdat Van der Poel en Bakker niet zijn toegekomen aan een waardebepaling, leidt de aanpassing van de peildatum niet tot het herroepen van het door [appellante] bestreden besluit, aldus de commissie in haar advies.

Beroep

5.    De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusie van Van der Poel en Bakker dat als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)" geen sprake is van planologisch nadeel wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van [appellante]. Hierbij is volgens de rechtbank van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de woningen die het nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt de uitbreidingsmogelijkheden van [appellante] niet beperken. Als gevolg van de vastgestelde Geurverordening geldt voor deze nieuwe woningen een aangepaste geurnorm van 4,5 ouE/m³ in plaats van de op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geldende geurnorm van 2,5 ouE/m³. Uit de Geurverordening en de daaraan ten grondslag liggende Gebiedsvisie blijkt dat deze aangepaste geurnorm is gebaseerd op geurberekeningen, waarbij van een worst-caseberekening is uitgegaan. Deze worst-caseberekening betreft de situatie dat alle nabij gelegen veehouderijen volledig gebruikmaken van hun uitbreidingsmogelijkheden.

    Daarnaast acht de rechtbank van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellante] reeds worden beperkt door de op het naastgelegen perceel, [locatie B], aanwezige woning, waarvoor een geurnorm van 8,0 ouE/m³ geldt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3690, op het hoger beroep van [appellante] over de vaststelling van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)", overwogen dat de woning aan [locatie B] als een geurgevoelig object moet worden aangemerkt en uit de stukken blijkt dat voor deze woning de maximaal toegestane geurbelasting vanwege het bedrijf al is bereikt. Gelet op de aanwezigheid van dit geurgevoelig object op kortere afstand van het bedrijf van [appellante] dan het deel van het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan is volgens de Afdeling de in het plan voorziene woningbouw niet maatgevend voor het bedrijf. In zoverre vormen deze ontwikkelingen dan ook geen beperking voor de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf, aldus de Afdeling. Ook heeft het college onweersproken gesteld dat uit de aan de Geurverordening ten grondslag liggende Gebiedsvisie blijkt dat het gehele plangebied van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)" buiten de geurcontouren van 4,5 ouE/m³ ligt en dat voor de woning aan [locatie B] eerder de geurnorm van 8,0 ouE/m³ wordt overschreden dan voor de bij voormeld bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen de geurnorm van 4,5 ouE/m³.

    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt volgens de rechtbank verder dat [appellante] met name vreest dat de nabij het bedrijf gelegen lintbebouwing, waarvan ook de woning aan [locatie B] onderdeel uitmaakt, in de toekomst als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan zal worden aangemerkt als binnen de bebouwde kom in plaats van als buiten de bebouwde kom. Als gevolg hiervan zou de op dit moment voor geurgevoelige objecten binnen deze lintbebouwing geldende geurnorm van 8,0 ouE/m³ worden verlaagd naar 2,0 ouE/m³. Het college heeft echter zowel in de stukken als ter zitting toegelicht dat deze lintbebouwing nog steeds wordt beschouwd als liggend buiten de bebouwde kom en dat het nieuwe bestemmingsplan daarin geen verandering brengt. Zo volgt volgens het college uit de Geurverordening en de daaraan ten grondslag liggende Gebiedsvisie dat de bij het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)" mogelijk gemaakte woningen binnen het gebied de Roode Camer als binnen de bebouwde kom moeten worden beschouwd en de woningen in de lintbebouwing nabij de geitenhouderij als buiten de bebouwde kom. De Roode Camer wordt gezien als overgangsgebied. Deze lijn is volgens het college ook gevolgd bij het verlenen van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor uitbreiding van de geitenhouderij met 200 geiten.

    De rechtbank ziet verder in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van Van der Poel en Bakker dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)" een geringe aantasting van de situeringswaarde van het perceel met zich brengt. Met betrekking tot de inzichtelijkheid van de onderbouwing van het oordeel over waardevermindering is van belang dat Van der Poel en Bakker hebben geconcludeerd dat zij niet toekomen aan een taxatie van de waardevermindering van de woning van [vennoot] omdat geen sprake is van een relevante planologische verslechtering. Bovendien heeft de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)" geen nadelige invloed op de waarde van de bestaande bedrijfsgebouwen. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat het advies van Van der Poel en Bakker onjuist is. Hierbij is volgens de rechtbank mede van belang dat Bakker taxateur is.

    Uit het vorenstaande volgt dat het college zijn besluitvorming mocht baseren op het advies van Van der Poel en Bakker en derhalve het verzoek van [appellante] om tegemoetkoming in planschade kon afwijzen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn besluitvorming mocht baseren op het advies van Van der Poel en Bakker. [appellante] voert hiertoe in de eerste plaats aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de uitbreidingsmogelijkheden van de geitenhouderij zijn afgenomen als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)". Volgens [appellante] kan het gebied de Roode Camer nu zo vol gebouwd worden dat ook haar geitenhouderij tot de bebouwde kom moet worden gerekend. Als alle woningen zijn gerealiseerd, zal de geurnorm van 8,0 ouE/m³ naar beneden worden bijgesteld, tot 2,0 ouE/m³. Het is daarom niet langer mogelijk haar bedrijf uit te breiden met 500 geiten, terwijl zij hiervoor wel plannen had. Dat de gemeente niet bereid zal zijn mee te werken aan een verdere uitbreiding van de geitenhouderij, blijkt ook uit diverse uitlatingen die namens de gemeente zijn gedaan. [appellante] voert in de tweede plaats aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)" tot gevolg heeft dat haar perceel en in het bijzonder de woning van [vennoot] in waarde zijn gedaald. Volgens [appellante] grenst haar perceel nu bijna aan stedelijk gebied, terwijl het stedelijk gebied voor de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan op ongeveer 310 m lag. Een redelijk denkend en handelend koper zal voor het perceel nu minder willen betalen, aldus [appellante].

6.1.    Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582). Het advies van Van der Poel en Bakker biedt op de wijze als hiervoor bedoeld inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [appellante] geen planologisch nadeel ondervindt voor wat betreft de door haar gestelde uitbreidingsmogelijkheden en de woning van [vennoot] en de bedrijfsgebouwen niet in waarde dalen.

6.2.    De Afdeling stelt vast dat voor het perceel van [appellante] als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Roode Camer (Hank)" geen andere geurnorm is gaan gelden. In dit verband wordt gewezen op de op 20 juli 2016 verleende omgevingsvergunning die het [appellante] mogelijk maakt haar geitenhouderij met 200 geiten uit te breiden. Voor zover [appellante] ervoor vreest dat haar perceel als gevolg van de realisatie van de woningen op de gronden tegenover haar perceel binnen de bebouwde kom komt te liggen - als gevolg waarvan de geurnorm ook voor haar perceel zal worden bijgesteld - overweegt de Afdeling dat het college zowel ter zitting bij de rechtbank als ter zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat het perceel van [appellante] ook als gebruik is gemaakt van alle in het genoemde bestemmingsplan gecreëerde bebouwingsmogelijkheden niet binnen de bebouwde kom komt te liggen. Verder geldt, zoals de rechtbank heeft overwogen en [appellante] overigens ook niet heeft bestreden, dat er bij de vaststelling van de geurvoorschriften die gelden voor de woningen die tegenover het perceel van [appellante] gerealiseerd kunnen worden rekening is gehouden met de maximale uitbreidingsmogelijkheden van onder meer [appellante] en dat de uitbreidingsmogelijkheden van [appellante] op dit moment al beperkt worden vanwege het naastgelegen perceel, dat, zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, een geurgevoelig object is. Uit het vorenstaande volgt dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij er wat uitbreidingsmogelijkheden betreft op achteruitgaat als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan.

6.3.    Hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht over de situeringswaarde geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door Van der Poel en Bakker gemaakte beoordeling onjuist is. De enkele stelling dat een redelijk denkend en handelend koper voor het perceel van [appellante] en in het bijzonder de woning van [vennoot] minder zal willen betalen, is onvoldoende grond voor het oordeel dat het college niet van de juistheid van de door Van der Poel en Bakker gemaakte beoordeling mocht uitgaan. Het had op de weg van [appellante] gelegen om zijn standpunt te onderbouwen met, bijvoorbeeld, een deskundigenadvies. Dit heeft [appellante] nagelaten.

6.4.    Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zijn besluitvorming mocht baseren op het advies van Van der Poel en Bakker en derhalve het verzoek van [appellante] om tegemoetkoming in planschade kon afwijzen.

    Het betoog faalt.

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G. Snijders en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Dijkshoorn

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2018

735.