Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:892

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201605739/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft de raad het verzoek van GA1 B.V. en BPN B.V. om herziening van het bestemmingsplan "Harselaar Driehoek" (hierna: het plan), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2018/7946
JB 2018/73 met annotatie van A.M.M.M. Bots
ABkort 2018/158
JIN 2018/121 met annotatie van A.M.M.M. Bots
JOM 2018/901
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605739/1/R1.

Datum uitspraak: 16 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

GA1 B.V. en BPN B.V., beide gevestigd te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft de raad het verzoek van GA1 B.V. en BPN B.V. om herziening van het bestemmingsplan "Harselaar Driehoek" (hierna: het plan), afgewezen.

Bij besluit van 15 juni 2016 heeft de raad het door GA1 B.V. en BPN B.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben GA1 B.V. en BPN B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

GA1 B.V. en BPN B.V. en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2017, waar GA1 B.V. en BPN B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. F.J.M. Wolbers, advocaat te Amersfoort, en mr. J. Wildschut, en de raad, vertegenwoordigd B. Stolk, bijgestaan door mr. H. Witbreuk, advocaat te Almelo, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nadere stukken ontvangen van GA1 B.V. en BPN B.V. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 8 februari 2018, waar GA1 B.V. en BPN B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. F.J.M. Wolbers, advocaat te Amersfoort, en mr. J. Wildschut, en de raad, vertegenwoordigd door D.A. de Jong, ing. P.B. Hekman, drs. B.W.M. van Well, L.E. Morren, mr. J.W. Drost en Th. van der Heiden, bijgestaan door mr. H. Witbreuk, advocaat te Almelo, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    GA1 B.V. en BPN B.V. zijn eigenaar van gronden in het plangebied. Zij wensen deze gronden in ontwikkeling te brengen, onder meer door de betonwarenfabriek van BPN B.V. in Kootwijkerbroek daar naartoe te verplaatsen. In het plan is aan een deel van de gronden de bestemming "Verkeer" toegekend. Op deze gronden is de aanleg van de zogenoemde verkeerskundige slinger voorzien. De slinger verbindt twee afzonderlijk van elkaar gelegen delen van het plangebied, namelijk het bedrijventerrein en een deel van de te verlengen Mercuriusweg. Via de verkeerskundige slinger en de verlengde Mercuriusweg ontstaat een vernieuwde route in de richting van de kruising van de Mercuriusweg met de Baron van Nagellstraat (N 805) en aansluitend de noordelijke toerit van rijksweg A1. Als gevolg van een onteigeningsprocedure zijn de gronden benodigd voor de realisatie van de slinger thans in eigendom van de gemeente. De omliggende gronden zijn in eigendom van GA1 B.V. en BPN B.V. Zij betogen met name dat de raad, door de afwijzing van het verzoek om herziening, ten onrechte de verkeerskundige slinger zoals in het plan voorzien, in stand laat.

Toetsingskader

2.    Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht.

Dezelfde zaak

3.    Bij besluit van 1 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Harselaar Driehoek" vastgesteld. Bij uitspraak van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7349, heeft de Afdeling het door GA1 B.V. en anderen, waaronder ook BPN B.V., daartegen ingediende beroep voor zover van belang ongegrond verklaard. Het plan is met die uitspraak in zoverre onherroepelijk geworden.

3.1.    Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag zo'n verzoek ook inwilligen als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

3.2.    De bestuursrechter beoordeelt niet ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

3.3.    Als het bestuursorgaan ervoor kiest het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar een eerder besluit dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

3.4.    Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

3.5.    De raad heeft zich gelet op de beslissing op bezwaar, het verweerschrift en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen op het standpunt gesteld dat de hierna volgende argumenten niet berusten op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden:

- het gebruik door lange en zware vrachtwagencombinaties in verband met de boogstralen van de verkeerskundige slinger;

- de hoek van 0,25 ha en de gronden aan de binnenkant van de slinger;

- de gronden omtrent snijverlies, zuinig ruimtegebruik en een alternatief voor de slinger strak tegen de bebouwing aan;

- de rol van de belangen van de gemeente als ontwikkelaar in de belangenafweging;

- strijd met eerdere afspraken;

- actualisering milieucategorie;

- de omstandigheid dat een betonwarenfabriek bebouwingsextensief is en de gevolgen hiervan voor alternatieve waterinfiltratie enerzijds en de exploitatiebijdrage anderzijds;

- de groencompensatie;

- de gestelde omissies in het plan.

3.6.    Voor zover GA1 B.V. en BPN B.V. in het kader van de door hen voorgestane milieucategorie naar voren hebben gebracht dat in de omgeving van het plangebied een of meer woningen zijn gesloopt, heeft de raad hierin geen relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hoeven zien, nu de motivering van de voorziene milieucategorie erop is gebaseerd dat de raad heeft willen aansluiten bij de milieucategorie van de bestaande betonwarenfabriek, die geen gebruik maakt van persen, triltafels of bekistingstrillers.

3.7.    Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er in zoverre geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Voorts bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op het verzoek om terug te komen van het besluit evident onredelijk is. Daarom heeft de raad het verzoek in zoverre op de in het besluit gebruikte motivering mogen afwijzen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Procedureel

4.    GA1 B.V. en BPN B.V. betogen dat de motivering van de verkeerssituatie aan de hand van verkeersmodellen onvoldoende controleerbaar is doordat niet alle daarvoor benodigde gegevens openbaar zijn gemaakt.

4.1.    Na de zitting van 27 februari 2017 hebben GA1 B.V. en BPN B.V. bij brief van 21 april 2017 verzocht om heropening van het onderzoek. Bij deze brief hebben zij een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 maart 2017 overgelegd. Daarin beveelt het gerechtshof de gemeente tot het verstrekken van de daarin genoemde gegevens die verband houden met de motivering van de verkeerssituatie. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling het onderzoek heropend om GA1 B.V. en BPN B.V. in de gelegenheid te stellen om aanvullende stukken in te brengen.

4.2.    De raad stelt zich op het standpunt dat de gemeente heeft voldaan aan het arrest van 28 maart 2017 door de daarin genoemde gegevens aan GA1 B.V. en BPN B.V. te verstrekken. Het is niet aan de Afdeling te beoordelen of al dan niet aan genoemd arrest is voldaan. Vastgesteld wordt dat GA1 B.V. en BPN B.V. van de geboden gelegenheid gebruik hebben gemaakt door aanvullende stukken in te brengen, onder andere met verkeerskundige gegevens. Voorts is ter zitting gebleken dat de verkeersdeskundige van GA1 B.V. en BPN B.V. betrokken was bij het ontvangen van de nadere gegevens. Gelet hierop had het op de weg van GA1 B.V. en BPN B.V. gelegen om door hun verkeersdeskundige te laten onderbouwen waarom de motivering van de verkeerssituatie ook na het verstrekken van de nadere gegevens onvoldoende controleerbaar is. De e-mail van hun verkeersdeskundige die GA1 B.V. en BPN B.V. op de zitting van 8 februari 2018 aan de orde hebben gesteld behelst, voor zover zij deze e-mail ter zitting hebben omschreven, niet meer dan een enkele stelling. Hiermee hebben GA1 B.V. en BPN B.V. onvoldoende concreet gemaakt waarom de motivering van de verkeerssituatie ook na het ontvangen van de nadere gegevens onvoldoende controleerbaar is. Het betoog faalt.

Verkeerssituatie

5.    De raad heeft zich gelet op het verweerschrift en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen op het standpunt gesteld dat omtrent het nieuwe verkeersmodel en de daarmee samenhangende beroepsgronden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aanwezig zijn. De raad heeft het verzoek om terug te komen van het besluit in zoverre inhoudelijk behandeld.

6.    GA1 B.V. en BPN B.V. betogen dat de noodzaak voor de verkeerskundige slinger, voor zover die ten tijde van de vaststelling van het plan al aanwezig was, is vervallen doordat een heel ander verkeersbeeld is ontstaan dan in 2011 werd voorzien. Volgens hen heeft de raad erkend dat het bij de vaststelling van het plan gebruikte verkeersmodel is achterhaald.

    Voorts is de geprognosticeerde verkeersintensiteit sterk afgenomen. Hierbij voeren GA1 B.V. en BPN B.V. aan dat sprake is van een aanmerkelijk tragere bevolkingsgroei, woningbouw en ontwikkeling van de bedrijventerreinen dan in 2012 werd aangenomen. Zo was in 2011 nog sprake van directe aanleg van Harselaar Zuid fase 1A en 1B tezamen. Ook de ontwikkeling van de Harselaar Driehoek heeft vertraging opgelopen, nog daargelaten dat dit gebied voldoende is ontsloten via de lus langs de buitenzijde.

    Daarnaast is een alternatieve route in ontwikkeling in de vorm van de Harselaartunnel ter plaatse van de Stationsweg - Baron van Nagellstraat, in combinatie met de oost-westverbinding en de bestaande Wencopperweg. Het ligt volgens GA1 B.V. en BPN B.V. voor de hand om de oost-westverbinding al in 2019 aan te leggen, direct na de openstelling van de Harselaartunnel, nu daarmee de kortste en snelste weg naar de A1 wordt bereikt. Voor stagnatie van het verkeer op de Stationsweg en de Baron van Nagellstraat hoeft niet langer te worden gevreesd, omdat de verkeersintensiteit door de wijziging van omstandigheden veel lager is dan werd gedacht bij de vaststelling van het plan in 2011. Naast de bovengemelde omstandigheden voeren GA1 B.V. en BPN B.V. hierbij aan dat ter plaatse van het 'Columbizpark' langs de Baron van Nagellstraat bij nader inzien geen kantoorontwikkeling maar een regulier bedrijfsterrein zal worden verwezenlijkt. Overigens is Harselaar Zuid fase 1A via de bestaande Oostvenerweg en Hanzeweg ook goed ontsloten voordat de oost-westverbinding in 2019 kan worden aangelegd.

    Gelet hierop, en de belangen bij het gebruik van de bij de slinger betrokken gronden voor de betonwarenfabriek, was de raad gehouden het plan op dit punt te herzien, aldus GA1 B.V. en BPN B.V.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het juist is dat het verkeersmodel na de vaststelling van het plan in 2011 is geactualiseerd. Echter, gelet op de geprognosticeerde verkeersaantallen is de slinger nog altijd noodzakelijk als belangrijke ontsluitingsfunctie richting A1 voor zowel de Harselaar Driehoek als Harselaar-Zuid Fase 1A. Verder is de Harselaartunnel niet relevant voor de verkeersaantallen op de slinger, nu de oost-westverbinding nog niet wordt aangelegd en de Wencopperweg zal worden afgesloten, aldus de raad.

6.2.    Bij de vaststelling van het plan in 2011 is het verkeersmodel uit 2009 gebruikt. Het verkeersmodel is in 2012 geactualiseerd. De uitkomsten van het nieuwe model zijn onder meer neergelegd in het rapport "Prognosemodellen 2022, Verkeersmodel gemeente Barneveld" van Goudappel Coffeng van 5 juni 2012 (hierna: het rapport Verkeersmodel uit 2012), het rapport "Prognosemodellen 2022, aanvullende notitie" van Goudappel Coffeng van 19 december 2012 (hierna: de aanvullende notitie uit 2012), het rapport "Varianten Harselaar" van Goudappel Coffeng van 19 december 2012 (hierna: het rapport Varianten Harselaar uit 2012) en het rapport "Verdieping verkeersonderzoek Harselaar-Zuid fase 1A" van Goudappel Coffeng van 5 september 2014 (hierna: het rapport Verdieping verkeersonderzoek uit 2014).

    In deze rapporten is gerekend met twee prognosemodellen: 2022 Referentie en 2022 Referentie+. In het model 2022 Referentie zijn alle voorziene ontwikkelingen tot 2022 meegenomen. Daartoe behoren de vastgestelde bestemmingsplannen voor de Harselaar Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1A, de Harselaartunnel en de met deze plannen voorziene overige infrastructuur. De oost-westverbinding maakt geen deel uit van dit model. In het model 2022 Referentie+ zijn alle voorziene ontwikkelingen tot 2030 meegenomen, waaronder eveneens de nog niet vastgestelde bestemmingsplannen voor Harselaar-Zuid Fase 1B en Fase 2, waartoe de oost-westverbinding behoort.

    In de aanvullende notitie uit 2012 staan de geprognosticeerde verkeersintensiteiten ter hoogte van de slinger in 2022. In het model 2022 Referentie is een verkeersintensiteit van ongeveer 3.600 mvt/etmaal vermeld. In het model 2022 Referentie+ is een verkeersintensiteit van ongeveer 2.400 mvt/etmaal vermeld.

    In het rapport Varianten Harselaar uit 2012 zijn de gevolgen van het model 2022 Referentie in een variant zonder de slinger besproken. Vermeld is dat dit leidt tot een grote toename van de verkeersintensiteit op de Hanzeweg en de Energieweg. Met en zonder de slinger is de verkeersintensiteit op de Hanzeweg ongeveer 5.300 mvt/etmaal onderscheidenlijk ongeveer 8.500 mvt/etmaal. Met en zonder de slinger is de verkeersintensiteit op de Energieweg ongeveer 8.700 mvt/etmaal onderscheidenlijk ongeveer 9.000 mvt/etmaal. Met de aanleg van de slinger is de verkeersintensiteit nog steeds hoog, maar wordt de bereikbaarheid aanzienlijk verbeterd. Volgens het rapport Verdieping verkeersonderzoek uit 2014 wordt met de slinger een overbelasting van de bestaande wegen in Harselaar-Oost voorkomen.

6.3.    De Afdeling stelt voorop dat de raad bij het bepalen van de benodigde verkeersstructuur in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een maximale planologische invulling van de bestaande bestemmingsplannen, waaronder met name de plannen voor de Harselaar Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1A. Voorts is niet gebleken dat de verwezenlijking van een maximale planologische invulling op de langere termijn niet mogelijk is gelet op de door GA1 B.V. en BPN B.V. gestelde tragere bevolkingsgroei, woningbouw en ontwikkeling van de bedrijventerreinen dan in 2012 werd aangenomen. Verder gaat het verkeersmodel uit 2012, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2082, omtrent het bestemmingsplan "Harselaar-Zuid Fase 1a", volgens het toenmalige deskundigenbericht uit van een realistische planologische invulling van de gebieden.

    Voor zover GA1 B.V. en BPN B.V. betogen dat in het model 2022 Referentie ten onrechte niet is uitgegaan van de Harselaartunnel als alternatieve route, heeft de raad toegelicht dat deze tunnel vanuit de Harselaar Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1A onvoldoende bereikbaar is, nu de Wencopperweg ongeschikt is als gebiedsontsluitingsweg en de oost-westverbinding voor de komende jaren nog geen reëel alternatief is. De raad acht het gebruik van de Wencopperweg ongewenst, nu dit een smalle landweg met veel erfaansluitingen is. Daarom wordt de Wencopperweg voor doorgaand verkeer afgesloten. Voorts is de oost-westverbinding - die door thans nog onbebouwd buitengebied zal worden aangelegd - een grotere ruimtelijke ingreep dan de slinger. De planologische besluitvorming daarvoor is nog niet opgestart. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Harselaartunnel vanuit de Harselaar Driehoek en Harselaar-Zuid Fase 1A onvoldoende bereikbaar is om een alternatieve route voor de slinger te vormen. Hieruit volgt ook dat de verkeerssituatie rond de Harselaartunnel, waarbij de aard van de ontwikkeling in Columbizpark wordt betrokken, niet relevant is voor de noodzaak van de slinger.

    Voor het overige hebben appellanten naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen dat sinds de totstandkoming van het verkeersmodel uit 2012 een zodanige wijziging van planologische regelingen, demografische uitgangspunten of anderszins heeft plaatsgevonden dat de raad zich bij zijn besluitvorming niet meer in redelijkheid op het verkeersmodel uit 2012 heeft kunnen baseren.

6.4.    Zoals hiervoor is overwogen volgt uit het verkeersmodel uit 2012 dat de slinger bij een realistische invulling van de bestaande bestemmingsplannen een overbelasting van de bestaande wegen in Harselaar-Oost voorkomt. Derhalve bestaat in de aangevoerde nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad was gehouden om een andere afweging te maken tussen de belangen die zijn gemoeid bij de verwezenlijking van de slinger enerzijds en de belangen van GA1 B.V. en BPN B.V. bij het gebruik van de bij de slinger betrokken gronden voor een betonwarenfabriek anderzijds. Het betoog faalt.

7.    GA1 B.V. en BPN B.V. betogen dat Prorail niet heeft ingestemd met de aanpassing van de spoorwegovergang van de verbindingsweg naar de Hanzeweg ter hoogte van de Oostvenerweg, zodat onduidelijk is of de ontsluiting op de voorziene wijze kan worden gerealiseerd. In dit verband wijzen zij op de toenemende verkeersintensiteit en het gebruik door lange en zware vrachtwagencombinaties.

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2082, mist dit betoog feitelijke grondslag, nu uit het rapport van Arcadis van 1 november 2013 volgt dat ProRail heeft ingestemd met het ontwerp voor de spoorwegovergang en ook overigens nauw betrokken is hierbij. Het betoog faalt.

8.    Ook in het licht van hetgeen de Afdeling onder 6.2 tot en met 7.1 heeft overwogen over de gewijzigde feiten en omstandigheden over de verkeerssituatie, en niettegenstaande hetgeen de Afdeling onder 3 tot en met 3.7 heeft overwogen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor een herziening van het plan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding bestond.

Conclusie

9.    Gelet op het voorgaande is het beroep van GA1 B.V. en BPN B.V. ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.    

w.g. Hupkes

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2018

635.