Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
201605954/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2016 hebben het college en de staatssecretaris op grond van de artikelen 19a en 19b van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het beheerplan "Achter de Voort, Agelerbroek en

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605954/1/R2.

Datum uitspraak: 16 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Rossum, gemeente Dinkelland,

2.    [appellanten sub 2], beiden wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

3.    [appellante sub 3], wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

4.    de stichting Vrienden van Achter de Voort Ageler- en Voltherbroek (hierna: de Stichting), gevestigd te Agelo, gemeente Dinkelland,

5.    [appellante sub 5], wonend te Rossum, gemeente Dinkelland,

6.    [maatschap], gevestigd te Agelo, gemeente Dinkelland, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

7.    [appellant sub 7], wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

8.    [appellant sub 8], wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

9.    [appellant sub 9], wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

10.  [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], respectievelijk wonend en gevestigd te Rossum, gemeente Dinkelland, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]),

11.    [melkveehouderij], gevestigd te Rossum, gemeente Dinkelland,

appellanten,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (thans: de minister van Landbouw Natuur en Visserij) en het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 hebben het college en de staatssecretaris op grond van de artikelen 19a en 19b van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het beheerplan "Achter de Voort, Agelerbroek en

Voltherbroek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 3], de Stichting, [appellante sub 5], [maatschap] en anderen, [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [melkveehouderij] beroep ingesteld.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2018, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. M.A. Tilstra, [appellanten sub 2], in persoon, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellante sub 5], vertegenwoordigd door mr. I.F.M. Kwint, [maatschap], vertegenwoordigd door mr. I.F.M. Kwint, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door mr. L. Boerema, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. L. Boerema, de Stichting, vertegenwoordigd door [appellant sub 1] en [appellante sub 5], [appellant sub 9], in persoon, [appellant sub 10], vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, [melkveehouderij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.A. Jansen, advocaat te Heerenveen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Hams, bijgestaan door ir. T. de Meij, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het beheerplan is vastgesteld voor het Natura 2000-gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek", gelegen in de provincie Overijssel. Het beheerplan bevat een beschrijving van het gebied waarin de samenhang tussen de abiotische en biotische factoren binnen het gebied en de beïnvloeding door onder meer externe factoren op het Natura 2000-gebied zijn beschreven. Deze beschrijving bevat de basisinformatie voor het bepalen van de maatregelen die nodig zijn om de Natura 2000-instandhoudingsdoelen te realiseren. Ook kunnen deze gegevens worden gebruikt om effecten van activiteiten en projecten in en rondom dit Natura 2000-gebied op de instandhoudingsdoelen te kunnen bepalen.

    Verder zijn in het beheerplan maatregelen beschreven die worden getroffen om de instandhoudingsdoelen van het gebied te bereiken. Dit betreft voor een groot deel feitelijke maatregelen die de beheerders van het gebied (waaronder Staatsbosbeheer) zullen treffen om deze doelen te bereiken. Enkele van de maatregelen die worden getroffen zijn de aanleg van poelen en het wijzigen van het maaibeheer in het gebied. Ook zijn maatregelen opgenomen die worden getroffen in verband met het op 1 juli 2015 vastgestelde en nadien gewijzigde Programma Aanpak Stikstof. Deze maatregelen hebben met name betrekking op wijzigingen in het waterbeheer en het verwijderen van opgeslagen stikstof uit het gebied.

    Naast de feitelijke maatregelen die in het beheerplan worden weergegeven, bevat het beheerplan een beschrijving van handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten die het bereiken van de instandhoudingdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen. In een aantal gevallen bevat deze beschrijving voorwaarden en beperkingen.

2.    De appellanten wonen in de nabijheid van het Natura 2000-gebied waarvoor het beheerplan is vastgesteld en exploiteren bedrijven in en rond dit Natura 2000-gebied. Zij kunnen zich met name niet verenigen met onderdelen van het beheerplan waarin handelingen en ontwikkelingen die het bereiken van de instandhoudingdoelstelling niet in gevaar brengen zijn beschreven. Zij vrezen dat een deel van het (bestaand) gebruik niet langer is toegestaan of bemoeilijkt wordt door het beheerplan.    

2.1.    [appellant sub 1] woont aan de [locatie A] te Rossum in de nabijheid van het Natura 2000-gebied (het deelgebied Voltherbroek) en heeft enige bospercelen binnen het gebied in eigendom met een totale oppervlakte van ongeveer 8,5 hectare. Deze bospercelen exploiteert hij onder meer voor houtkap, zowel particulier als voor de bedrijfsmatige verkoop. Voor deze gronden heeft hij een beheerovereenkomst voor het kappen van hout op grond waarvan hij subsidie ontvangt bij voldoende houtkap. Hij kan zich niet verenigen met de beperkingen die het beheerplan stelt aan houtkap binnen het Natura 2000-gebied. In verband met de geohydrologische aspecten van het beheerplan vreest hij voorts voor vernatting van het perceel waarop zijn woning staat en aantasting van de funderingen van zijn woning. Ook geldt dit voor een tweede woning van [appellant sub 10]. Die tweede woning bevindt zich binnen de zogenoemde invloedsafstand van 700 meter van het gebied.

    [appellanten sub 2] en [appellante sub 3] wonen aan de [locatie B] en [locatie C] te Agelo in de nabijheid van het Natura 2000-gebied (het deelgebied Agelerbroek). In verband met de geohydrologische aspecten van het beheerplan vrezen zij voornamelijk voor vernatting van de percelen waarop hun woningen staan en aantasting van de funderingen van hun woningen. Verder is volgens hen de status van landgoederen binnen en in de directe omgeving van het Natura 2000-gebied onduidelijk.

    De [maatschap] exploiteert op het adres [locatie D] te Agelo in de nabijheid van het Natura 2000-gebied (het deelgebied Agelerbroek) een veehouderij. In verband met de geohydrologische aspecten van het beheerplan vreest de maatschap voornamelijk voor vernatting van het perceel waarop de woning staat. Daarnaast exploiteert de maatschap landbouwgronden binnen de genoemde zone van 700 meter en vreest zij onvoldoende maatregelen te kunnen treffen om deze gronden rendabel te kunnen blijven exploiteren.

    [appellant sub 8] exploiteert een landbouwbedrijf aan de [locatie E], te Agelo. [appellant sub 7] exploiteert een landbouwbedrijf aan de [locatie F], te Agelo. De opstallen en bijbehorende gronden van deze bedrijven liggen in de nabijheid van het Natura 2000-gebied (het deelgebied Voltherbroek). [melkveehouderij] is een agrarisch bedrijf dat gevestigd is aan de [locatie G] te Rossum in de nabijheid van het Natura 2000-gebied (deelgebied Agelerbroek). In verband met de geohydrologische aspecten van het beheerplan vrezen zij onvoldoende maatregelen te kunnen treffen om deze gronden rendabel te kunnen blijven exploiteren bij (verdergaande) vernatting van hun gronden. Het uitrijden van dierlijke mest maakt deel uit van de bedrijfsvoering van [appellant sub 8] en [appellant sub 7].

    [appellant sub 9] woont aan de [locatie H] te Agelo. Zijn woning ligt in de onmiddellijke nabijheid van het Natura 2000-gebied (deelgebied Voltherbroek) en hij heeft enige bospercelen in eigendom binnen het gebied. Zijn bospercelen exploiteert hij onder meer voor particuliere houtkap. Voor deze gronden heeft hij een beheerovereenkomst voor het kappen van hout op grond waarvan hij subsidie ontvangt bij voldoende houtkap. Hij kan zich niet verenigen met de beperkingen die het beheerplan stelt aan houtkap binnen het Natura 2000-gebied. In verband met de geohydrologische aspecten van het beheerplan vreest hij voornamelijk voor vernatting van het perceel waarop zijn woning staat en aantasting van de funderingen van zijn woning.

    [appellant sub 10] woont en is gevestigd aan de [locatie J] te Rossum. Hij exploiteert hier een agrarisch bedrijf in de nabijheid van het Natura 2000-gebied (deelgebied Voltherbroek). In verband met de geohydrologische aspecten van het beheerplan vreest hij voornamelijk voor vernatting van het perceel waarop zijn woning staat en aantasting van de funderingen van zijn woning en dat hij onvoldoende maatregelen kan treffen om zijn gronden rendabel te kunnen blijven exploiteren bij (verdergaande) vernatting.

    [appellante sub 5] woont aan de [locatie K] te Rossum in de nabijheid van het Natura 2000-gebied (deelgebied Voltherbroek) en heeft een bosperceel binnen het gebied in eigendom. In verband met de geohydrologische aspecten van het beheerplan vreest zij voornamelijk voor vernatting van de percelen waarop haar woning staat en aantasting van de funderingen van haar woning.

    De doelstellingen van de Stichting zijn gericht op een toekomstbestendige koers voor ecologie en economie voor het Natura 2000-gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek". In verband met de geohydrologische aspecten van het beheerplan vreest de Stichting voornamelijk voor de negatieve gevolgen die het verhogen van de grondwaterstanden heeft voor wie de Stichting opkomt (agrariërs, particulieren en landgoedeigenaren). Verder is volgens de Stichting de status van landgoederen binnen en in de directe omgeving van het Natura 2000-gebied onduidelijk.

Wettelijk kader

3.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en is de Nbw 1998 ingetrokken. Omdat het bestreden besluit is genomen vóór 1 januari 2017 volgt uit artikel 9.10 van de Wnb dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht, dat wil zeggen de Nbw 1998.

    De relevante artikelen uit de Nbw 1998 zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het beheerplan - aanleiding en systematiek

4.    Omdat het beheerplan omvangrijk is en de beroepsgronden grote delen van dit beheerplan betreffen, terwijl het wettelijke systeem niet toelaat tegen alle onderdelen van het beheerplan beroep in te stellen, zal de Afdeling beginnen met in algemene zin de aanleiding, inhoud en systematiek van het beheerplan toe te lichten in relatie tot het wettelijk kader hiervoor. De beroepen worden vervolgens per onderwerp behandeld.

4.1.    Het gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek" is één van de Natura 2000-gebieden in Europa. Natura 2000-gebieden zijn gebieden die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn moeten worden beschermd. In Nederland wordt een aanwijzingsbesluit genomen, waarmee de gebieden als Natura 2000-gebied worden aangewezen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden doelstellingen geformuleerd voor de beschermenswaardige habitattypen en (vogel)soorten die in het gebied aanwezig zijn. Zo kan als doelstelling worden geformuleerd dat een bepaald habitattype moet uitbreiden of dat de kwaliteit daarvan moet worden verbeterd of dat de populatie van een vogelsoort moet worden behouden. Projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, zijn op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 verboden, tenzij daarvoor een vergunning wordt verleend. Op deze hoofdregel bestaan voor zover hier relevant twee uitzonderingen: activiteiten die zijn beschreven in een beheerplan zijn op grond van artikel 19d, tweede lid, van de Nbw 1998 van de vergunningplicht uitgezonderd. Daarnaast zijn activiteiten die kunnen worden aangemerkt als bestaand gebruik als bedoeld in artikel 1, onder m, op grond van artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998 van de vergunningplicht uitgezonderd.

4.2.    Na de aanwijzing van een gebied moeten maatregelen worden getroffen om de gestelde doelstellingen te bereiken. In een beheerplan worden die maatregelen beschreven. Het beheerplan kan echter meer elementen bevatten dan een beschrijving van de maatregelen die moeten gaan leiden tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied. Artikel 19a van de Nbw 1998 biedt de mogelijkheid projecten en andere handelingen in een beheerplan te beschrijven en die daarmee uit te zonderen van de vergunningplicht uit artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Alleen tegen de keuze bepaalde projecten of andere handelingen wel of niet in het beheerplan te beschrijven en daarmee al dan niet vrij te stellen van de vergunningplicht staat beroep open, zo bepaalt artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998 (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, blz. 75-76) wordt die bepaling als volgt toegelicht:

    "Tegen het besluit tot vaststelling van een beheerplan staat (…) beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bedacht moet evenwel worden dat slechts bepaalde onderdelen van een beheerplan als besluit in de zin van de Awb zijn aan te merken, en dus voor beroep vatbaar zijn. Onderdelen van het beheerplan die de beschrijving bevatten van het - op uitvoering gerichte - beleid dat het desbetreffende bevoegd gezag wenselijk acht, waaronder de fasering en prioritering, zijn dat niet.

        De regering wil voorkomen dat er op dit punt misverstanden ontstaan. (…) De regering stelt daarom voor in de Nb-wet duidelijk te maken tegen welke onderdelen van het beheerplan beroep openstaat. Dit zijn de beschrijvingen in het beheerplan van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Dergelijke beschrijvingen zijn aan te merken als een besluit, omdat artikel 19d, tweede lid, van de Nb-wet regelt dat handelingen die overeenkomstig de beschrijving in het beheerplan worden uitgevoerd, niet vergunningplichtig zijn."

4.3.    Het voorgaande betekent dat appellanten geen beroep kunnen instellen tegen de maatregelen die in het beheerplan zijn opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek" te bereiken (hierna: de beheermaatregelen). Dergelijke maatregelen zijn voor dit gebied onder meer de feitelijke maatregelen die getroffen worden op het gebied van het waterbeheer. Voor zover appellanten in algemene zin bezwaren hebben geuit tegen deze maatregelen, kan en mag de Afdeling daarover geen oordeel geven, gelet op het bepaalde in artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998.

    Wel kunnen appellanten beroep instellen tegen de beschrijving van projecten of andere handelingen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, of tegen het ontbreken van een dergelijke beschrijving van een project of andere handeling die volgens appellanten wel van de vergunningplicht had moeten worden vrijgesteld. Dit betreft onder meer de zone die rondom het Natura 2000-gebied is ingesteld waarbinnen beperkingen aan de drainage zijn gesteld.

5.    Het uitgangspunt van verweerders bij het vaststellen van het beheerplan was dat aan grondgebruikers in en rond het gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek" zoveel mogelijk zekerheid moet worden geboden wanneer het gaat om de vraag voor welke projecten en andere handelingen wel en niet een Nbw-vergunning nodig is. Omdat het praktisch niet mogelijk is om alle potentiële activiteiten voor het opstellen van een beheerplan te beoordelen, hebben verweerders ervoor gekozen om de activiteiten die al in en rond het gebied plaatsvinden en die knelpunten zouden kunnen vormen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied te inventariseren. Verweerders noemen deze activiteiten de bestaande activiteiten of handelingen. Zij benaderen dit feitelijk en doelen met de term "bestaande activiteiten" niet zonder meer op de uitzondering op de vergunningplicht voor bestaand gebruik uit artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998. Een overzicht van activiteiten die in het beheerplan in dit kader zijn geïnventariseerd, is opgenomen in de tabel in bijlage XVII bij het beheerplan.

6.    De bestaande activiteiten als hiervoor bedoeld, zijn in verschillende categorieën ingedeeld. In de tabel in bijlage XVII is gebruik gemaakt van verschillende kleuren om deze categorieën mee aan te duiden. Er is daarnaast een categorie activiteiten die niet in het beheerplan en tabel XVII is beschreven, maar wel vergunningplichtig dan wel vergunningvrij is op grond van de Nbw 1998.

    Er is een categorie handelingen die in het beheerplan is beschreven en in bijlage XVII met de kleur groen is aangeduid. Van deze handelingen staat vast dat zij in de huidige vorm en intensiteit geen noemenswaardige negatieve effecten kunnen hebben. Deze zijn vrijgesteld van de vergunningplicht.

    Er is een categorie handelingen die in het beheerplan is beschreven en in bijlage XVII met de kleur geel is aangeduid. Deze handelingen zijn in beginsel van de vergunningplicht vrijgesteld, mits aan daaraan verbonden voorwaarden wordt voldaan.

    Er is een categorie handelingen die in het beheerplan is beschreven en in bijlage XVII met de kleur rood is aangeduid. Deze handelingen zijn niet van de vergunningplicht vrijgesteld.

    Tot slot is er een categorie handelingen die in het beheerplan is beschreven en met een beige kleur is aangeduid, op sommige plaatsen ook wel roze genoemd. Van deze categorie handelingen is het nog onduidelijk wat de precieze effecten kunnen zijn. Vooralsnog mogen deze activiteiten volgens het beheerplan zonder vergunning worden voortgezet. Dat kan echter veranderen als uit nader onderzoek blijkt dat deze handelingen toch significant negatieve effecten kunnen hebben op het gebied en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen, zo staat in het beheerplan. Met het beheerplan is beoogd deze handelingen vrij te stellen van de vergunningplicht zodat die voorlopig kunnen worden voortgezet, tenzij uit nader onderzoek blijkt van significant negatieve effecten.

De beroepsgronden

Geohydrologische aspecten

7.    [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 3], [maatschap], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 5], de Stichting en [melkveehouderij], kunnen zich niet verenigen met de regeling in het beheerplan over de geohydrologie. Uit de beroepsgronden en het verhandelde ter zitting blijkt dat de betogen over de geohydrologie aldus moeten worden begrepen dat deze zijn gericht tegen de regeling die is verbonden aan categorie D-3 in bijlage XVII bij het beheerplan. Het beheerplan beschrijft de activiteiten die onder deze categorie vallen als handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten die, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, zoals bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Nbw 1998.

    Weliswaar kunnen de appellanten zich ook niet verenigen met de beheermaatregelen om het waterpeil binnen het Natura 2000-gebied te wijzigen, omdat dit volgens hen schadelijk is voor hun woningen, bedrijfsgebouwen en (landbouw)gronden, maar uit schriftelijke en mondelinge antwoorden op door de Afdeling gestelde vragen is gebleken dat deze bezwaren niet zijn bedoeld als beroepsgronden. Door appellanten is erkend dat de Afdeling niet bevoegd is te oordelen over beroepsgronden die betrekking hebben op de beheermaatregelen (zie overweging 4.3).

7.1.    Categorie D-3 in tabel XVII is ten aanzien van de hier aan de orde zijnde onderdelen beige gekleurd. De betreffende activiteit is als volgt beschreven: "Aanleggen, intensiveren of verdiepen van drainagemiddelen (buisdrainage, greppels, sloten) buiten Natura 2000-gebied" en is van toepassing binnen een zone van 700 meter rond het Natura 2000-gebied. Ter zitting is gebleken dat de beroepsgronden specifiek betrekking hebben op deze categorie voor zover deze geldt voor de zone rondom de deelgebieden Voltherbroek en Agelerbroek. In bijlage XVII staat over deze categorie van activiteiten binnen de genoemde afstand van 700 meter: "Mogelijk een (significant) negatief effect. Onvoldoende informatie beschikbaar voor effectbeoordeling. Bestaande activiteiten kunnen voorlopig worden voortgezet, mits ongewijzigd. Als uit onderzoek significant negatieve effecten blijken, dan geldt een aanschrijvingsbevoegdheid of vergunningplicht conform Nb-wet 1998."

Invloedsafstand van 700 meter

8.    Appellanten kunnen zich ten eerste niet verenigen met de invloedsafstand van 700 meter rond het Natura 2000-gebied die genoemd staat bij categorie D-3, buiten welke afstand de aanleg en wijziging van drainage geen invloed heeft op het Natura 2000-gebied. Zij stellen dat deze afstand van 700 meter onjuist is, althans op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Volgens hen moet deze afstand minder groot zijn zodat meer drainageactiviteiten vergunningvrij zijn.

    [appellant sub 7] en [appellant sub 8] voeren ten eerste aan dat het rapport "Invloedsafstand Perceelsontwatering" van december 2014, opgesteld door De Meij (hierna: het rapport De Meij) die de basis vormt voor de genoemde afstand van 700 meter, ten onrechte niet is bekendgemaakt met de publicatie van het (ontwerp)beheerplan, zodat zij hiervan niet tijdig kennis hebben kunnen nemen. In de tweede plaats houdt volgens deze appellanten het rapport De Meij ten onrechte geen rekening met specifieke gebiedskenmerken. Als hiermee wel rekening gehouden wordt dan kan de invloedsafstand kleiner blijken te zijn. In verband hiermee stellen appellanten dat in het rapport De Meij ten onrechte relevante lokale factoren zoals de drainageweerstand en de weerstand tussen het eerste watervoerend pakket en het freatische pakket buiten beschouwing zijn gelaten. De gevolgen van een onjuiste afstand zijn volgens hen des te belangrijker nu door de beheermaatregelen de grondwaterstand wijzigt, zodat bij vervanging van drainage, een gelijkblijvend drainagesysteem niet met zekerheid hetzelfde ontwaterend vermogen zal hebben. Hierdoor kan in veel gevallen geen beroep worden gedaan op de met groene kleur aangeduide categorie D-4, op grond waarvan de vervanging van drainagemiddelen buiten het Natura 2000-gebied waarbij het ontwaterend vermogen gelijk blijft of afneemt, is vrijgesteld van de vergunningplicht. In de derde plaats stellen appellanten dat uit het rapport van 9 februari 2015: "Natura 2000 gebied Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek", opgesteld door medewerkers van onderzoekscentrum B-Ware, verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen (hierna: rapport B-Ware) blijkt dat de invloedsafstand rond het Natura 2000-gebied kleiner kan zijn dan volgt uit het rapport De Meij.

8.1.    Artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage."

8.2.    De zogenoemde invloedsafstand die is opgenomen in categorie D-3 en waarbuiten volgens het beheerplan kan worden uitgesloten dat drainageactiviteiten negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied hebben, is gebaseerd op het rapport De Meij. Dit onderzoek heeft blijkens het beheerplan (p. 125) ten grondslag gelegen aan de invloedsafstand van 700 meter rond het Natura 2000-gebied en staat vermeld in de literatuuropgave van het beheerplan.

    Gelet hierop was het rapport redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het ontwerp en had het ingevolge artikel 3:11, eerste lid van de Awb met het ontwerp ter inzage moeten worden gelegd. Het betoog over de terinzagelegging van het rapport De Meij slaagt.

8.3.    Over het betoog dat de afstand van 700 meter in het beheerplan niet gebaseerd kan worden op het rapport De Meij, overweegt de Afdeling als volgt. In dit verband is de vraag van belang of de beroepsgronden van appellanten concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel over de juistheid of volledigheid van het rapport. De enkele mogelijkheid dat een andere invloedsafstanden ook juist kan zijn, is hiervoor onvoldoende.

8.4.    In het rapport De Meij is een beoordeling gemaakt van de invloedsafstand van perceelsontwatering bij de Natura 2000-gebieden in Overijssel. Hierbij is gebruik gemaakt van de zogenoemde Formule van Mazure om te berekenen op welke afstand een gegeven verschil in grondwaterhoogte invloed kan hebben. Bij een gegeven verschil is in de formule de zogenoemde spreidingslengte van het freatisch grondwater bepalend. In het rapport De Meij is de spreidingslengte bij de Natura 2000-gebied in Overijssel gebaseerd op een kaart die afkomstig is uit de "Fysieke onderlegger voor het Deltaprogramma. Kansen voor waterconservering in regionale stroomgebieden" uit 2012 (Alterra-rapport 2287).

    Over de stelling dat in het rapport van De Meij ten onrechte relevante lokale factoren buiten beschouwing zijn gelaten, zoals de drainageweerstand en de weerstand tussen het eerste watervoerend pakket en het freatische pakket buiten beschouwing zijn gelaten, overweegt de Afdeling dat niet nader onderbouwd is waarom geen gebruik kon worden gemaakt van de kaart uit het bovengenoemde Alterra-rapport 2287 om deze lengte vast te stellen.

    Over de verwijzing van appellanten naar het rapport B-Ware, overweegt de Afdeling dat dit rapport in kaart brengt welke effecten de beheermaatregelen in het beheerplan hebben op de natuur en de waterstand. In dit rapport worden geen uitspraken gedaan over de invloedsafstand die verbonden is aan categorie D-3 in bijlage XVII.

    Anders dan is geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894, over het beheerplan "Engbertsdijksvenen" waarin hetzelfde rapport De Meij is gebruikt om de aldaar gehanteerde invloedsafstand te bepalen, bieden de beroepsgronden in dit geval geen concrete aanknopingspunten voor twijfel over de juistheid of volledigheid van het rapport ten aanzien van het Natura 2000-gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek". Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport De Meij niet aan het beheerplan ten grondslag had mogen worden gelegd.

    Dat het bevoegd gezag opdracht heeft gegeven om nader onderzoek uit te voeren om de invloedsafstand rond het Natura 2000-gebied te verfijnen, teneinde toekomstige besluitvorming te faciliteren, maakt niet dat ten behoeve van het beheerplan niet kon worden uitgegaan van het rapport De Meij of dat besluitvorming voor het beheerplan had moeten wachten op dit nadere onderzoek, zoals appellanten ter zitting hebben gesteld. Hierbij acht de Afdeling ten eerste van belang dat dit nadere onderzoek dateert van na het nemen van het bestreden besluit en ten tweede dat het bevoegd gezag op grond van artikel 19a, zevende lid, van de Nbw 1998 een beheerplan binnen drie jaar na het aanwijzingsbesluit dient vast te stellen. Het betreffende aanwijzingsbesluit dateert van 25 april 2013.

    Het betoog dat voor categorie D-3 ten onrechte een afstand van 700 meter tot het Natura 2000-gebied geldt waar buiten geen negatieve gevolgen van drainage zijn te verwachten, in plaats van een kortere afstand, faalt.

8.5.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 8.2 zijn de beroepen van [appellant sub 7] en [appellant sub 8] gegrond. Het beheerplan, voor zover hierin is uitgegaan van een invloedsafstand van 700 meter dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.

    Omdat [appellant sub 7] en [appellant sub 8] het rapport De Meij hebben kunnen raadplegen en hier inhoudelijk op in hebben kunnen gaan en ter zitting dit rapport genoegzaam aan de orde is gekomen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in zoverre in stand te laten. Door de rechtsgevolgen in stand te laten wordt een einde gemaakt aan het geschil tussen appellanten en het bevoegd gezag voor zover dit de invloedsafstand van 700 meter betreft. Dit betekent dat verweerders op zichzelf bevoegd waren om bij de handelingen die zijn beschreven in categorie D-3 uit te gaan van een zone met een breedte van 700 meter.

De voorwaarden bij categorie D-3 "beige" categorie

9.    Appellanten richten hun betoog in de tweede plaats tegen de wijze waarop de handelingen zijn beschreven die vallen onder de beige categorie in tabel XVII. De voorwaarden die hieraan zijn verbonden zijn volgens hen rechtsonzeker en daarom onrechtmatig.

9.1.    De Afdeling overweegt als volgt over de bestreden voorwaarden. Op grond van het beheerplan mogen deze activiteiten voorlopig worden voortgezet, in ieder geval totdat uit nader onderzoek blijkt dat als gevolg hiervan significant negatieve gevolgen kunnen optreden voor het Natura 2000-gebied. Naar aanleiding van de betogen van appellanten ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of deze regeling passend is voor de activiteiten die in het beheerplan in deze categorie zijn ingedeeld, gelet op de belangen van grondgebruikers en -eigenaren in en rond het gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek".

    Op dit moment staat indeling van projecten of andere handelingen in de beige categorie niet aan voortzetting van die activiteiten in de weg. Verweerders hebben uiteengezet hiervoor te hebben gekozen om grondgebruikers niet onnodig te belemmeren bij die activiteiten waarover nog een bepaalde mate van onzekerheid bestaat. Volgens het beheerplan en volgens de toelichting van verweerders ter zitting kan het in de toekomst echter zo zijn dat deze activiteiten "van kleur verschieten" naar "rode" activiteiten, die niet zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Ook zou op dat moment - volgens verweerders - gebruik kunnen worden gemaakt van de zogenoemde aanschrijvingsbevoegdheid. De Afdeling acht deze regeling voor grondgebruikers rechtsonzeker, nu zij hierdoor gedurende de looptijd van het beheerplan kunnen worden geconfronteerd met een veranderende regeling voor activiteiten die zij op hun gronden uitvoeren of willen uitvoeren. Hiermee wordt de grondgebruikers, waaronder appellanten, niet de met het beheerplan beoogde duidelijkheid geboden. Naar het oordeel van de Afdeling verhoudt een tussenvorm tussen vergunningvrij en vergunningplichtig als de beige categorie zich niet goed tot de regeling uit de Nbw 1998, die inhoudt dat activiteiten in een beheerplan wel of niet van de vergunningplicht kunnen worden ontheven. Dat op grond van artikel 19c van de Nbw 1998 het bevoegd gezag de verplichting kan opleggen gebruik binnen een te stellen termijn te staken of te beperken (de hiervoor genoemde aanschrijvingsbevoegdheid) doet niet af aan het duidelijkheid die het beheerplan dient te bieden over de vergunningplicht van activiteiten die hierin worden genoemd.

    Het betoog slaagt.

9.2.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 3], [maatschap], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 5], de Stichting en [melkveehouderij] gegrond. Het beheerplan, voor zover hierin is beschreven dat activiteiten die vallen onder de beschrijving van categorie D-3 in bijlage XVII, "Mogelijk een (significant) negatief effect heeft en dat onvoldoende informatie beschikbaar voor effectbeoordeling. Bestaande activiteiten kunnen voorlopig worden voortgezet, mits ongewijzigd. Als uit onderzoek significant negatieve effecten blijken, dan geldt een aanschrijvingsbevoegdheid of vergunningplicht conform Nb-wet 1998." dient te worden vernietigd wegens strijd met de rechtszekerheid.

    Als gevolg hiervan gelden deze activiteiten niet als activiteiten die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid van de Nbw 1998.

Beperking van de houtkap

10.    [appellant sub 1] en [appellant sub 9] stellen dat het beheerplan ten onrechte de mogelijkheden voor het kappen van hout op hun percelen in het Natura 2000-gebied beperkt. Zij kunnen hierdoor minder hout dan voorheen oogsten en kunnen zo niet in hun behoefte aan hout voorzien. Hierdoor leiden zij schade, zowel als particulier als met de bedrijfsmatige verkoop door [appellant sub 1]. Zij stellen dat het beheerplan daarom meer mogelijkheden moet bieden voor vergunningvrije houtkap.

10.1.    De minister en het college stellen zich op het standpunt dat een beperking van de houtkap nodig is voor het behoud van de biodiversiteit binnen het Natura 2000-gebied. Met name wijzen zij op de structuur van het bos, op het belang van geleidelijke overgangen tussen bos en andere biotopen, en op het tegengaan van bodemverdichting bij gebruik van zwaar materiaal. Aan de hand van deze uitgangspunten is in het beheerplan houtkap slechts onder voorwaarden beschreven als activiteit die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengt.

10.2.    In bijlage XVII is "bosbeheer, inclusief hakhout" opgenomen als "gele" categorie A-5. Deze activiteit is hierin en in de paragrafen 4.3.5 en 4.3.7 van het beheerplan, beschreven als handeling die, onder de volgende voorwaarden het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengt:

"- Bodemverstoring dient voorkomen te worden. Er dient voldoende ongestoorde bosbodem (minimaal 50 m) tussen de tractorpaden te zijn.

- Bij het kappen mogen kapvlaktes ontstaan met een maximale afmeting van 2 maal de boomlengte. Bij de kapplek moet opgaande begroeiing zijn (minimaal 1 boomlengte breed)

- Bij het overslaan van 1 of meerdere kapseizoenen mag max. oppervlakte van 1 onbenut kapseizoen worden opgeteld.

- De totale kapoppervlakte mag per eigenaar binnen een kapseizoen maximaal 5% van zijn bosgrondeigendom in het N2000-gebied beslaan. Maximaal mag van het totale bosareaal in het N2000 gebied 8,4% per beheerplanperiode NB-wetvergunningvrij worden gekapt."

    In het beheerplan is aan de hand van adviezen van de ecologen C. Aggenbach en A. Stortelder ervan uitgegaan dat een percentage van 3% van het totale bosareaal binnen het Natura 2000-gebied per beheerplanperiode van 6 jaar kan worden gekapt zonder de instandhoudingsdoelstelling in gevaar te brengen. Aangezien staatsbosbeheer als grootste eigenaar binnen het gebied geen boskap zal uitvoeren, is aan de hand van dit percentage bepaald dat particuliere eigenaren maximaal 5% van hun eigen bosareaal kunnen kappen, zonder dat de instandhoudingsdoelstelling van het gebied in gevaar komt. Hiermee wordt de overflow van het nalaten van kappen door staatsbosbeheer toebedeeld aan de particuliere eigenaren, zo heeft de minister ter zitting toegelicht.

10.3.    [appellant sub 1] en [appellant sub 9] hebben niet onderbouwd waarom het ecologische oordeel dat (uitsluitend) met inachtneming van de genoemde voorwaarden het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling door houtkap niet in gevaar komt onjuist is. Dat [appellant sub 1] en [appellant sub 9] nadeel kunnen ondervinden van de beperking van houtkapmogelijkheden ten opzichte van de mogelijkheden die zij wenselijk achten, doet niet af aan de ecologische beoordeling die ten grondslag heeft gelegen aan de voorwaarden die aan houtkap zijn gesteld in het beheerplan.

    De betogen falen.

Bemesten van landbouwgronden

11.    [appellant sub 8] en [appellant sub 7] stellen dat een aantal beperkingen die zijn opgelegd aan bestaand (regulier) gebruik in strijd zijn met het recht. Dit geldt in de eerste plaats voor het bemesten van de gronden, zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied. Hiervoor is een voorwaardelijke vrijstelling in het beheerplan opgenomen die hen onevenredig treft in zijn bedrijfsvoering. Bovendien is deze voorwaardelijke vrijstelling in strijd met het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, zoals dat op 9 februari 2016 is gewijzigd. Op grond hiervan is bemesting vrijgesteld van de vergunningplicht, zodat een voorwaardelijke vrijstelling in het beheerplan dit ten onrechte doorkruist.

11.1.    De categorie in tabel XVII waartegen [appellant sub 8] en [appellant sub 7] zich met de beroepsgrond over de beperkingen aan het bemesten richten is opgenomen als categorie C-1 en is een "beige" categorie.  Deze activiteit mag voorlopig worden voortgezet, in ieder geval totdat uit nader onderzoek blijkt dat dientengevolge significant negatieve gevolgen kunnen optreden voor het Natura 2000-gebied. Zoals hiervoor onder 9 is overwogen verhoudt deze tussenvorm tussen vergunningvrij en vergunningplichtig als de beige categorie zich niet goed tot de regeling uit de Nbw 1998, die inhoudt dat activiteiten in een beheerplan wel of niet van de vergunningplicht kunnen worden ontheven.

    De betogen slagen.

11.2.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 7] en [appellant sub 8] gegrond. Het beheerplan, voor zover hierin is beschreven dat activiteiten die vallen onder de beschrijving van categorie C-1 in bijlage XVII: "Mogelijk een (significant) negatief effect. Onvoldoende informatie beschikbaar voor effectbeoordeling. Bestaande activiteiten kunnen voorlopig worden voortgezet, mits ongewijzigd. Als uit onderzoek significant negatieve effecten blijken, dan geldt een aanschrijvingsbevoegdheid of vergunningplicht conform Nb-wet 1998." dient te worden vernietigd wegens strijd met de rechtszekerheid.

    Als gevolg hiervan gelden deze activiteiten niet als activiteiten die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid van de Nbw 1998.

Overige beroepsgronden

12.    [appellanten sub 2], [appellante sub 3] en de Stichting stellen dat het beheerplan onduidelijkheid schept over de toekomst van landgoederen binnen en in de directe omgeving van het Natura 2000-gebied. Met name wensen zij te vernemen of er plannen zijn voor onteigening van de gronden.

    Verder heeft een aantal appellanten gewezen op de financiële gevolgen van het beheerplan, waaronder de beheermaatregelen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de financiële gevolgen van de schade als gevolg van de vernattingsmaatregelen in het gebied.

12.1.    Deze betogen richten zich op onderwerpen die niet vallen onder de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, is de Afdeling gelet op het bepaalde in artikel 39 van de Nbw 1998 niet bevoegd daarover te oordelen.

Slot en proceskostenveroordeling

13.    Zoals in 8.5 is overwogen dient het beheerplan te worden vernietigd voor zover is uitgegaan van een invloedsafstand van 700 meter, maar zal de Afdeling de rechtsgevolgen hiervan in stand laten, zodat de invloedsafstand van 700 meter blijft gelden.

    Zoals in 9.2 en 11.2 is overwogen dient het beheerplan te worden vernietigd voor zover hierin de activiteiten die vallen onder de categorieën D-3 en C-1 in bijlage XVII bij het beheerplan en die als "beige" categorie zijn aangemerkt. Als gevolg hiervan gelden deze activiteiten niet als activiteiten die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid van de Nbw 1998.

    Zoals in 12.1 is overwogen is de Afdeling onbevoegd kennis te nemen van de beroepen, voor zover die zijn gericht op de onduidelijkheid van de toekomst van landgoederen en op de financiële gevolgen van het beheerplan.

14.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb verweerders op te dragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn van 26 weken stellen. Dat nieuwe besluit moet of die nieuwe besluiten moeten overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb worden voorbereid.

Proceskosten

15.    Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1], [maatschap], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 5], en [melkveehouderij] worden veroordeeld.

    Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van [appellanten sub 2], [appellante sub 3] en de Stichting is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart zich onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen voor zover die betrekking hebben op de onduidelijkheid van de toekomst van landgoederen en op de financiële gevolgen van het beheerplan;

II.    verklaart de beroepen [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 3], [maatschap], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 5], de Stichting en [melkveehouderij] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 5 juli 2016 tot vaststelling van het beheerplan "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek", voor zover hierin:

i) de activiteiten die vallen onder de categorieën D-3 en C-1 in bijlage XVII bij het beheerplan als "beige" categorie zijn aangemerkt;

ii) bij categorie D-3 een invloedsafstand van 700 meter staat genoemd;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit met betrekking tot het hiervoor onder III genoemde onderdeel ii (de invloedsafstand van 700 meter) in stand blijven;

V.    draagt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

VI.    veroordeelt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.309,01 (zegge: dertienhonderdnegen euro en een cent), waarvan € 1.252,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de minister en het college ieder de helft van het bedrag dienen te vergoeden;

veroordeelt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellante sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.309,01 (zegge: dertienhonderdnegen euro en een cent), waarvan € 1.252,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de staatssecretaris en het college ieder de helft van het bedrag dienen te vergoeden;

veroordeelt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij de [maatschap] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.305,47 (zegge: dertienhonderdvijf euro en zevenenveertig cent), waarvan € 1.252,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan en dat de staatssecretaris en het college ieder de helft van het bedrag dienen te vergoeden;

veroordeelt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.309,01 (zegge: dertienhonderdnegen euro en een cent), waarvan € 1.252,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de staatssecretaris en het college ieder de helft van het bedrag dienen te vergoeden;

veroordeelt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellant sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.351,01 (zegge: dertienhonderdeenenvijftig euro en een cent), waarvan € 1.252,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de staatssecretaris en het college ieder de helft van het bedrag dienen te vergoeden;

veroordeelt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellant sub 9] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 751,50 (zegge: zevenhonderdeenenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de staatssecretaris en het college ieder de helft van het bedrag dienen te vergoeden;

veroordeelt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellant sub 10] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.309,01 (zegge: dertienhonderdnegen euro en een cent), waarvan € 1.252,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan en dat de staatssecretaris en het college ieder de helft van het bedrag dienen te vergoeden;

veroordeelt de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [melkveehouderij] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de staatssecretaris en het college ieder de helft van het bedrag dienen te vergoeden;

VII.    gelast dat de minister van Landbouw Natuur en Visserij en het college van gedeputeerde staten van Overijssel telkens ieder voor de helft het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1], € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellante sub 3], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellante sub 5], € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor de [maatschap], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 7], € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 8], € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor de stichting Vrienden van Achter de Voort Ageler- en Voltherbroek, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 9], € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellant sub 10], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan, en € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [melkveehouderij], vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Scheele

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2018

723. BIJLAGE

Artikel 1, onder m, van de Nbw 1998 luidt:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder bestaand gebruik: gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag."

Artikel 19a, eerste lid, luidt:

"Gedeputeerde staten stellen, na overleg met de eigenaars, gebruikers en andere belanghebbenden, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een op grond van artikel 12, derde lid, voorlopig aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. Tevens kan het beheerplan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen. Het beheerplan kan zulks ook doen ten aanzien van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën projecten en andere handelingen van nationaal belang in het gebied en daarbuiten."

Artikel 19b, eerste lid, luidt:

"In afwijking van het bepaalde in artikel 19a wordt een beheerplan als bedoeld in dat artikel, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied dat voorlopig is aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, dat geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid valt van Onze Minister of één van Onze andere Ministers, voor het geheel onderscheidenlijk het betreffende gedeelte vastgesteld door Onze Minister of door Onze andere Minister in overeenstemming met Onze Minister, en voor zover nodig na overleg met betrokken eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden."

Artikel 19d, eerste lid, luidt:

"Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten."

    Het tweede lid luidt:

"Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen, waaronder bestaand gebruik, alsmede de wijzigingen daarvan, overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in de artikelen 19a of 19b."

    Het derde lid luidt:

"Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op bestaand gebruik, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied."

Artikel 39, tweede lid, luidt:

"Een beroep tegen de vaststelling van een beheerplan als bedoeld in artikel 19a heeft uitsluitend betrekking op de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen."