Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:871

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201604925/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:2857, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van het lidmaatschap van een schietvereniging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604925/1/A3.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 mei 2016 in zaak nr. 15/6475 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van het lidmaatschap van een schietvereniging afgewezen.

Bij besluit van 25 september 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2017, waar [appellant], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. V.R. Chaudron, zijn verschenen.

Overwegingen

Relevante regelgeving

1.    De toepasselijke wet- en regelgeving en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, 5409; hierna: de Beleidsregels) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] heeft gevraagd om afgifte van een VOG ten behoeve van het verkrijgen van het lidmaatschap van [schietvereniging] te [plaats]. De staatssecretaris heeft bij de beoordeling van de aanvraag de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels. Hij heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen, omdat bij raadpleging van het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS) is gebleken dat [appellant] op 18 december 2003 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en terbeschikkingstelling van twee jaren onder voorwaarden wegens het plegen van zedenmisdrijven, te weten: het bezit en/of verspreiding van kinderpornografie in de zin van artikel 240b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: het WvSr), het seksueel binnendringen van een persoon beneden de 12 jaar in de zin van artikel 244 van het WvSr, meermalen gepleegd, en het seksueel binnendringen van een persoon beneden de 16 jaar in de zin van artikel 245 van het WvSr, meermalen gepleegd. Aan het objectieve criterium is volgens de staatssecretaris voldaan omdat de in het JDS aangetroffen justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd. De staatssecretaris heeft daarbij aansluiting gezocht bij het screeningsprofiel "lidmaatschap schietvereniging". De staatssecretaris heeft geen aanleiding gezien om vanwege de omstandigheden van het geval toch over te gaan tot afgifte van de VOG. De staatssecretaris heeft het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 3 juli 2015 ongegrond verklaard.

    De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van [appellant] eveneens ongegrond verklaard.

Hoger beroep

Beperking recht tot vereniging

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het in beroep bestreden besluit in stand kan blijven. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat zij niet toekomt aan een beoordeling of zich in dit geval strijd voordoet met artikel 8 van de Grondwet, waarin het recht tot vereniging wordt erkend. De staatssecretaris neemt zijn besluit tot weigering van de VOG ten behoeve van het lidmaatschap van een schietvereniging op basis van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) en de daarop gebaseerde regelgeving. De Wjsg kan zij gelet op het toetsingsverbod zoals neergelegd in artikel 120 van de Grondwet, niet aan de Grondwet toetsen. Verder staat nergens in de op de Wjsg gebaseerde regelgeving vermeld dat een VOG is vereist voor het lidmaatschap van een schietvereniging. Dat op het aanvraagformulier voor de VOG het lidmaatschap van een schietvereniging expliciet als doel staat vermeld, leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij aannemelijk acht dat [appellant] door de weigering van de VOG feitelijk wordt belemmerd in zijn recht om lid te kunnen worden van eens schietvereniging. Voor zover met de weigering van de VOG al rechtstreeks een beperking van het recht tot vereniging op grond van artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) of artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) moet worden aangenomen, is die beperking bij wet voorzien. Ook heeft zij die beperking noodzakelijk geacht in het belang van het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

3.1.    [appellant] kan dit oordeel van de rechtbank niet volgen. Hij voert aan dat de rechtbank op zichzelf terecht tot het oordeel komt dat in de wet niet het vereiste van een VOG voor het lidmaatschap van een schietvereniging is neergelegd. Hoewel de Wjsg niet verplicht tot het verkrijgen van een VOG voor het lidmaatschap van een schietvereniging, is het wel als doel opgenomen op het aanvraagformulier voor de VOG. Hij leidt daaruit af dat het Ministerie van Veiligheid en Justitie zelf het vereiste van de VOG heeft gesteld. Omdat de beperking van het lidmaatschap van een schietvereniging volgens [appellant] niet bij wet is geregeld, is het in beroep bestreden besluit in strijd met artikel 8 van de Grondwet. Voorts acht [appellant] onduidelijk waarom een schietvereniging in de regeling een dergelijke bijzondere positie toekomt. Het is gelet op het benodigde aanvraagformulier de enige soort vereniging waarvoor een VOG is vereist, terwijl sommige andere verenigingen, zoals een motorclub of een kickboksclub, veel gevaarlijker activiteiten beoefenen. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in dit geval geen strijd bestaat met artikel 11 van het EVRM en artikel 22 van het IVBPR, omdat de beperking noodzakelijk zou zijn. Dat de nationale veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten in geding zouden (kunnen) zijn, is in zijn geval niet aangetoond, aldus [appellant].

3.2.    De Afdeling is van oordeel dat [appellant] in dit geval niet door het besluit van de staatssecretaris in zijn recht tot vereniging wordt beperkt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt niet uit de op de Wjsg gebaseerde regelgeving dat een VOG is vereist voor het lidmaatschap van een schietvereniging. Weliswaar dient een lid van een schietvereniging alvorens hij schiet met verenigingswapens, ingevolge artikel 43a, zevende lid, van de Regeling wapens en munitie, een VOG te hebben overgelegd aan het bestuur van de vereniging, maar dit artikellid vereist niet een VOG voor het lidmaatschap van een schietvereniging zelf. Ook indien er vanuit wordt gegaan dat door dit artikel wel het in artikel 8 van de Grondwet neergelegde recht tot vereniging wordt beperkt - hetgeen geen deugdelijke beperking zou zijn omdat deze beperking niet is opgenomen in een wet in formele zin - kan [appellant] dat nog niet baten. Naar het oordeel van de Afdeling is het namelijk de vereniging die bepaalt dat [appellant], alvorens hij als lid van die vereniging toetreedt, een VOG moet overleggen. Het is dan ook niet de staatssecretaris die [appellant] in zoverre belemmert in zijn keuze om lid te worden van een schietvereniging. Het besluit van de staatssecretaris tot weigering van de VOG betekent daarmee ook geen beperking van artikel 8 van de Grondwet. Het vorenstaande geldt naar het oordeel van de Afdeling evenzeer voor de gestelde inmenging in artikel 11 van het EVRM en artikel 22 van het IVBPR. Nu het niet de staatssecretaris, maar [schietvereniging] is die in dit geval voor [appellant]s lidmaatschap een VOG vereist, beperkt de weigering van de VOG in dit geval - anders dan door de rechtbank geconstateerd - de in die artikelen neergelegde rechten niet. De Afdeling komt dan ook niet toe aan de vraag of de geconstateerde beperking van het recht van vereniging gerechtvaardigd is. Indien [appellant] het niet eens is met het VOG-vereiste dat de schietvereniging stelt aan personen die als leden tot de vereniging wensen toe te treden, dan ligt het naar het oordeel van de Afdeling op zijn weg dat geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

    Nu het de vereniging zelf is die bepaalt dat een VOG is vereist voor de toetreding tot de vereniging, kan het betoog van [appellant] dat onduidelijk is waarom aan de schietvereniging een bijzondere positie toekomt vergeleken met andere verenigingen, evenmin in het kader van het besluit van de staatssecretaris aan de orde komen.

    Het betoog faalt.

Objectieve criterium

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat aan het objectieve criterium is voldaan. Hiertoe heeft zij overwogen dat het risico bestaat dat de door de vereniging ter beschikking gestelde wapens worden ingezet als machtsmiddel. Het risico op het plegen van een zedendelict, gericht tegen medeleden of introducées, waaronder minderjarigen, wordt daarmee vergroot. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat er geen risico meer zou bestaan, omdat het toezicht en de begeleiding op de schietvereniging strikt zijn, zoals door [appellant] is aangevoerd.

4.1.    [appellant] betoogt dat het oneigenlijk gebruik van wapens en munitie, door deze in te zetten als vermeend machtsmiddel, in zijn geval niet aan de orde kan zijn. Volgens hem is de vrees voor oneigenlijk gebruik slechts hypothetisch van aard, nu er in de geschiedenis van schietverenigingen geen concreet bewijs van oneigenlijk gebruik bestaat, maar bovendien is misbruik vanwege de omgangsregels en de sociale controle op een schietvereniging volgens hem in feite onmogelijk.

4.2.    Ter beoordeling staat of het strafbare feit op zichzelf bezien, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd zou verhinderen omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4606, is de omstandigheid dat de kans op herhaling van het zedendelict nihil is, niet van belang nu de zinsnede ‘indien herhaald’ in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg geen beoordeling vereist of een risico op recidive bestaat, maar een beoordeling of het gepleegde feit op zichzelf, indien het nog een keer zou worden gepleegd, aan een behoorlijke uitoefening van de bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd, in de weg zou staan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat aan het objectieve criterium als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Beleidsregels is voldaan. De omstandigheden die [appellant] aanvoert, reduceren wellicht het risico dat een wapen wordt ingezet als machtsmiddel, maar - zoals de rechtbank ook heeft overwogen - dat betekent niet dat er geen enkel risico op machtsmisbruik meer bestaat. Dat er in de geschiedenis van schietverenigingen geen concreet bewijs van oneigenlijk gebruik bestaat, wat daarvan verder ook zij, doet aan het vorenstaande niet af.

    Het betoog faalt.

Subjectieve criterium

5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de onbeperkte terugkijktermijn die in het geval van zedendelicten wordt gehanteerd, niet evident disproportioneel is. Daarbij is in aanmerking genomen de vaste gedragslijn dat de eerste twintig jaar nadat het delict is gepleegd een verscherpt toezicht geldt, waarbij weinig ruimte bestaat voor toepassing van het subjectieve criterium. Ook hoefde de staatssecretaris in de specifieke omstandigheden van [appellant] geen aanleiding te zien om van de gehanteerde beleidsregels af te wijken, aldus de rechtbank.

5.1.    [appellant] stelt in het kader van het subjectieve criterium dat in zijn geval ten onrechte een termijn van twaalf jaar na zijn veroordeling te kort is bevonden om te kunnen beoordelen of er geen gevaar bestaat voor misbruik van wapens. Hij betoogt dat de staatssecretaris zijn vaste gedragslijn, dat een verscherpt toezicht noodzakelijk is gedurende een termijn van twintig jaar na de veroordeling voor een zedendelict, onvoldoende heeft gemotiveerd. Omdat onduidelijk is welke argumenten aan deze termijn ten grondslag liggen, rijst bij hem het vermoeden dat de termijn willekeurig is gekozen. Daarbij komt dat een strafbaar feit al na een aantal jaren verjaart en vervolgens uit het strafblad dient te worden verwijderd. Gelet daarop valt niet te begrijpen dat zijn justitiële gegevens zeker nog twintig jaar worden bewaard en daarvan gebruik wordt gemaakt, aldus [appellant].

5.2.    In paragraaf 3.3.2 van de Beleidsregels staat dat een verscherpt toetsingskader geldt indien de aanvrager van de VOG in de twintig jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels in ieder geval éénmaal is veroordeeld tot een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf en/of (on)voorwaardelijke TBS. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1804 en van 25 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1809) mag wat betreft het verscherpt toezichtskader worden uitgegaan van een terugkijkperiode van twintig jaar. Daarbij is betrokken dat, in aanmerking genomen de in de Beleidsregels vermelde belangen die onder meer zijn gelegen in het beschermen van een veilige omgeving voor personen in een afhankelijkheidsrelatie, in redelijkheid tot het vaststellen van deze terugkijktermijn kon worden gekomen. Gelet hierop ziet de Afdeling reeds hierom geen aanleiding voor het oordeel dat de termijn van twintig jaar willekeurig is gekozen. De vergelijking door [appellant] met het verjaren van een strafbaar feit na een aantal jaren en het verwijderen uit het strafblad, mist in dit verband voorts feitelijke grondslag. Zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, volgt uit artikel 4, vierde lid, van de Wjsg, dat justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven als bedoeld in de artikelen 240b tot en met 250 van het WvSr eerst na tachtig jaar worden vernietigd. Overigens is het niet zo dat de gehele terugkijktermijn moet zijn verstreken voordat tot afgifte van een VOG kan worden overgegaan. Het subjectieve criterium zoals neergelegd in de Beleidsregels gaat er immers van uit dat, indien binnen de terugkijktermijn een justitieel gegeven is aangetroffen, onder omstandigheden en gelet op de af te wegen belangen toch een VOG kan en moet worden verleend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2227). Met de rechtbank is de Afdeling echter van oordeel dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de weigering van de VOG in dit geval evident disproportioneel is.

    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Konings

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

612. BIJLAGE | Relevante regelgeving

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Artikel 22

1.    Een ieder heeft het recht op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2.    De uitoefening van dit recht kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, welke bij de wet zijn voorgeschreven en die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale veiligheid of de openbare veiligheid, de openbare orde, de bescherming van de volksgezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel belet niet het opleggen van wettige beperkingen aan leden van de strijdmacht en van de politie in de uitoefening van dit recht.

3.    Geen bepaling in dit artikel geeft de Staten die partij zijn bij het Verdrag van 1948 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht de bevoegdheid wettelijke maatregelen te treffen, die de in dat Verdrag voorziene waarborgen in gevaar zouden brengen, of de wet zodanig toe te passen dat deze in gevaar zouden worden gebracht.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 11

1.    Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2.    De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.

Grondwet

Artikel 8

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35, eerste lid

De minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Artikel 36, eerste lid

Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21 geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013

Paragraaf 1. Inleiding

Het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) geeft op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) namens de Minister van Veiligheid en Justitie verklaringen omtrent het gedrag (VOG) af aan natuurlijke personen (VOG-NP) en rechtspersonen (VOG-RP).

Bij een VOG-aanvraag wordt onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon en zijn bestuurders, vennoten, maten of beheerders. Daarbij wordt het belang van de aanvrager afgewogen tegen het risico voor de samenleving in het licht van het doel van de aanvraag. Naar aanleiding hiervan wordt verklaard of al dan niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon en wordt de VOG geweigerd respectievelijk verstrekt.

    

Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag

Ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag ontvangt het COVOG alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het JDS. […] Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Paragraaf 3.1. Terugkijktermijn

Bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager wordt een terugkijktermijn in acht genomen. Voor de terugkijktermijn zijn van belang:

1. de periode waarover wordt teruggekeken en

2. de uitgangspunten om te bepalen of een justitieel gegeven binnen de van toepassing zijnde terugkijktermijn valt.

Paragraaf 3.1.1. Periode terugkijktermijn

Ten aanzien van de periodes waarover wordt teruggekeken wordt een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de terugkijktermijn niet in duur wordt beperkt en gevallen waarin de terugkijktermijn wel in duur wordt beperkt.

In de navolgende gevallen wordt de terugkijktermijn niet in duur beperkt:

Indien het justitiële gegevens betreft over misdrijven tegen de zeden zoals opgenomen in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 250a tot en met 250ter (oud) en/of artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht. In het navolgende zal in dit verband worden gesproken over zedendelicten zoals bedoeld in deze beleidsregels.

Paragraaf 3.2. Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:

1. justitiële gegevens (strafbaar feit);

2. indien herhaald;

3. risico voor de samenleving en

4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.2.2. Indien herhaald

Het COVOG toetst of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat.

Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is niet relevant of het feit plaatsvond in de privésfeer. Evenmin is het relevant of er sprake is van een reëel recidivegevaar.

Paragraaf 3.2.3. Risico voor de samenleving

Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Paragraaf 3.2.4. Belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid

De relatie tussen het justitiële gegeven en de functie/taak/bezigheid die de aanvrager gaat vervullen bepaalt of een justitieel gegeven, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid kan voorts bestaan op grond van:

- de aard van het delict en/of

- de locatie waar de werkzaamheden worden verricht.

Bij zedendelicten als bedoeld in deze beleidsregels wordt - naast het bovenstaande - óók beoordeeld of bij de uitoefening van de betreffende functie/taak/bezigheid sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. Indien daarvan sprake is, wordt altijd uitgegaan van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid. Indien er sprake is van een zedendelict en de betreffende functie/taak/bezigheid wordt uitgevoerd op een locatie waar zich kwetsbare personen bevinden, wordt eveneens altijd uitgegaan van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.3. Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.3.1) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpte toetsingskader van paragraaf 3.3.2 van toepassing is (zie paragraaf 3.3.2).

Paragraaf 3.3.2. Subjectief criterium - misdrijven tegen de zeden in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of specifieke locatie

Bij misdrijven tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of wanneer op grond van de locatie een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie wordt aangenomen. In de hieronder genoemde gevallen geldt een verscherpt toetsingskader waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de VOG wordt geweigerd.

1. […]

2. De aanvrager is in de twintig jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels éénmaal veroordeeld tot:

- een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf,

- (on)voorwaardelijke TBS,

- (on)voorwaardelijke jeugddetentie,

- een (on)voorwaardelijke PIJ, plaatsing in een tuchtschool of APZ en/of

- een (on)voorwaardelijke taakstraf.

3. […]

De VOG kan enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

Screeningsprofiel "lidmaatschap schietvereniging"

Volgens het screeningsprofiel "lidmaatschap schietvereniging" kan het hebben van toegang tot wapens en munitie een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid van de samenleving. Het oneigenlijke gebruik van wapens en munitie kan ernstige geweldsmisdrijven, chantage en andere ernstige verstoring van de rechtsorde tot gevolg hebben. Daarom worden aanvragen streng beoordeeld en geldt een terugkijktermijn van acht jaren. Een lid van een schietvereniging heeft een bijzondere positie ten opzichte van zijn of haar medeburgers, aangezien die geen wapens of munitie ter beschikking hebben. Door oneigenlijk gebruik te maken van wapens en munitie kan misbruik worden gemaakt van deze bijzondere positie. Hierom wordt strikte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften verlangd, zo volgt uit dit screeningsprofiel.

Wet wapens en munitie

Artikel 26, eerste lid

Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

Artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a

Het eerste lid is niet van toepassing op personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor zover dit verlof reikt.

Artikel 26, vierde lid

Onze Minister kan ten aanzien van de personen bedoeld in het tweede lid regels vaststellen met betrekking tot:

a. de medische geschiktheid en vaardigheid in het omgaan met wapens;

b. de vereiste kennis op het terrein van wapens; en

c. het aantal wapens dat zij ten hoogste voorhanden mogen hebben.

Artikel 28, eerste lid

Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.

Regeling wapens en munitie

Artikel 43a, eerste lid

Een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, kan worden verleend aan een schietvereniging, die door een door de Minister aangewezen organisatie is gecertificeerd.

Artikel 43a, zesde lid

De beheerder draagt er zorg voor dat de wapens en munitie op het verlof slechts worden uitgeleend aan leden van de schietvereniging.

Artikel 43a, zevende lid

Alvorens een lid van een schietvereniging schiet met verenigingswapens dient hij een verklaring omtrent het gedrag te hebben overgelegd aan het bestuur van de vereniging.