Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201701937/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:259, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 13 november 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om overschrijving van de grafrechten op graven […] en […], gelegen op de algemene begraafplaats aan de Longway te West-Terschelling, op zijn naam afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/104
JERF 2018/0
JERF 2018/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701937/1/A3.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te West-Terschelling, gemeente Terschelling,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2017 in zaak nr. 16/2096 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Terschelling.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 13 november 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om overschrijving van de grafrechten op graven […] en […], gelegen op de algemene begraafplaats aan de Longway te West-Terschelling, op zijn naam afgewezen.

Bij besluit van 15 april 2016 heeft het college de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.G.H.M. van der Putten, rechtsbijstandverlener te Velp (Gelderland), en het college, vertegenwoordigd door mr. E.H. Petersen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft het college verzocht om overschrijving van de grafrechten voor onbepaalde tijd op de graven van zijn oudoom en oudtante. De graven liggen op de algemene begraafplaats aan de Longway te West-Terschelling. [appellant]s oudtante was de laatste rechthebbende van de grafrechten op deze graven. Zij is overleden in 1964.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat artikel 9 van de Verordening betreffende het vervoeren en begraven van lijken en omtrent het gebruik en beheer van de algemene begraafplaats aan de Longway te West-Terschelling (hierna: de Verordening 1947) niet anders kan worden uitgelegd dan dat een grafrecht een jaar na het overlijden van de rechthebbende van rechtswege komt te vervallen, tenzij een erfgenaam binnen die periode verzoekt om overschrijving. Niet is gebleken dat de grafrechten zijn overgeschreven binnen de termijn. Het college heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat de grafrechten van rechtswege zijn vervallen, aldus de rechtbank.

    Dit heeft volgens de rechtbank als gevolg dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 13, vierde lid, van de Verordening op de gemeentelijke begraafplaatsen van de gemeente Terschelling 2004 (hierna: de Verordening 2004). Volgens de rechtbank kan het college alleen grafrechten overschrijven wanneer de grafrechten nog bestaan en heeft het college het verzoek van [appellant] daarom terecht afgewezen.

Beoordeling hogerberoepsgronden

Van rechtswege vervallen

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich niet meer kan beroepen op een bepaling uit de Verordening 1947. Het is onbehoorlijk om zo’n oude bepaling in te roepen. Bij behoorlijk bestuur zou niet aangenomen worden dat de grafrechten vervallen zijn. Daarnaast is geen sprake van een zorgvuldige belangenafweging, aldus [appellant].

3.1.    [appellant] heeft in beroep ook aangevoerd dat het college zich niet op de Verordening 1947 mag beroepen. Deze grond is dus, anders dan het college stelt, niet eerst in hoger beroep aangevoerd en wordt daarom inhoudelijk behandeld.

    Artikel 9, eerste lid, van de Verordening 1947 luidt: "De eigen graven […] worden bij overlijden van de rechthebbende overgeschreven op een zijner erfgenamen, mits deze binnen een jaar na dat overlijden een daartoe strekkend verzoek […] heeft ingediend […]; anders vervalt het recht op het graf." Deze verordening gold tot in 1993.

    Deze bepaling biedt het college geen beslissingsruimte. Wanneer niet uiterlijk een jaar na het overlijden van de rechthebbende een verzoek tot overschrijving wordt gedaan, vervalt het grafrecht van rechtswege. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze bepaling niet anders uitgelegd kan worden. Hetgeen [appellant] over behoorlijk bestuur en een zorgvuldige belangenafweging aanvoert, is daarom niet van belang. Om dezelfde reden is evenmin van belang dat, zoals ter zitting aangevoerd, het college in vergelijkbare gevallen wel besluiten tot het vervallen verklaren van grafrechten heeft genomen. Door het van rechtswege vervallen van de grafrechten waren deze besluiten niet nodig, zoals het college ter zitting heeft erkend.

    Er is niet binnen een jaar na het overlijden van [appellant]s oudtante en oudoom een verzoek tot overschrijving van de grafrechten ingediend. De grafrechten zijn aldus vervallen in 1965, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

3.2.    Het betoog faalt.

Overschrijven vervallen grafrechten

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank artikel 13, vierde lid, van de Verordening 2004 onjuist uitlegt. Dat artikellid luidt: "Indien na 6 maanden na het overlijden van de rechthebbende alsnog een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend, kan het college van burgemeester en wethouders het grafrecht overschrijven, tenzij dit recht betrekking heeft op een graf dat inmiddels is geruimd." Cruciaal is de passage "tenzij dit recht betrekking heeft op een graf dat inmiddels is geruimd". Gelet op artikel 31, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, kan die situatie ingeval de rechthebbende is overleden zich slechts voordoen als het grafrecht vervallen is. Daaruit volgt dat het vierde lid ook van toepassing is op graven met vervallen rechten, aldus [appellant].

4.1.    De grafrechten zijn vervallen in 1965. Thans is de geldende verordening de Verordening 2004. In artikel 4 van de Wet algemene bepalingen is bepaald dat een wet alleen voor het toekomende verbindt en geen terugwerkende kracht heeft. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken door middel van overgangsrecht. In artikel 18 van de Verordening 2004 is bepaald dat de verordening in werking treedt op 1 januari 2005 en dat de daarvoor geldende verordening van 1993 op die datum vervalt. In artikel 17, tweede lid, van de Verordening 2004 is bepaald dat grafrechten die zijn gevestigd voor de inwerkingtreding worden geëerbiedigd en worden geacht ingevolge deze verordening te zijn ontstaan. Hiermee wordt niet afgeweken van de hoofdregel. De Verordening 2004 heeft aldus geen terugwerkende kracht en geldt niet voor grafrechten die voor de inwerkingtreding reeds waren vervallen.

4.2.    Derhalve, zelfs als artikel 13, vierde lid, van de Verordening 2004 zo gelezen zou moeten worden dat vervallen grafrechten overgeschreven kunnen worden, geldt dit niet voor de grafrechten op de graven van [appellant]s oudoom en oudtante. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 13, vierde lid, van de Verordening 2004.

4.3.    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. de Vries

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

582-851.