Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201704359/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2977, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover van belang, de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil en € 27.931,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704359/1/A2.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2017 in zaak nr. 16/6484 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover van belang, de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil en € 27.931,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 10 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 september 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. H. Romeijn, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft in 2014 voor de opvang van haar drie kinderen gebruik gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau]. Daarvoor heeft zij voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 29 april 2016, gehandhaafd bij het besluit van 10 september 2016, ten grondslag gelegd dat in de definitieve aanslag inkomstenbelasting van de echtgenoot van [appellante] over 2014 geen meewerkaftrek is opgenomen, waardoor de dienst ervan uitgaat dat [appellante] in dat jaar geen arbeid in de onderneming van haar echtgenoot heeft verricht.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft het beroep van [appellante] gegrond verklaard en het besluit van 10 september 2016 vernietigd omdat de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting niet nader heeft kunnen onderbouwen waarom hij bij de vaststelling van het aantal meegewerkte uren door [appellante] in de onderneming van haar echtgenoot uitgaat van het al dan niet verlenen van meewerkaftrek door de inspecteur voor de inkomstenbelasting. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat de inspecteur de aanslag inkomstenbelasting van de echtgenoot van [appellante] over 2014 heeft vastgesteld. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle kosten van gastouderopvang heeft voldaan. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellante] op grond van artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) het gehele bedrag van de terugvordering verschuldigd is en dat matiging of kwijtschelding daarvan niet mogelijk is. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de terugvordering niet in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) en dat voor een schadevergoeding geen plaats is omdat niet is gebleken van onrechtmatig handelen door de Belastingdienst/Toeslagen.

Hoger beroep

3.    Het hoger beroep is gericht tegen het door de rechtbank in stand laten van de rechtsgevolgen.

    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij over 2014 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle kosten van gastouderopvang heeft voldaan. Uit artikel 1.7 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) en artikel 18 van de Awir volgt niet dat de kosten van gastouderopvang daadwerkelijk in zijn geheel moeten worden voldaan. Zij kon de kosten van gastouderopvang over december 2014 niet betalen omdat het voorschot kinderopvangtoeslag voor die maand door de Belastingdienst/Toeslagen is verrekend met de terugvordering van voorschotten kinderopvangtoeslag over 2010. Nu zij slechts een klein deel van de kosten van gastouderopvang niet heeft voldaan mocht de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2014 niet op nihil vaststellen, aldus [appellante].

3.1.    Artikel 1.7, eerste lid, van de Wkkp luidt:

"De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang."

Artikel 18, eerste lid, van de Awir luidt:

"Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn."

3.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3064, en 22 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8833) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1114), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Dat [appellante] slechts een klein deel van de kosten van gastouderopvang niet heeft voldaan, betekent niet dat zij aanspraak heeft op een evenredig lagere kinderopvangtoeslag. Het betoog van [appellante] dat zij de kosten van gastouderopvang over de maand december niet kon betalen omdat het voorschot kinderopvangtoeslag voor die maand door de Belastingdienst/Toeslagen is verrekend met de terugvordering van voorschotten kinderopvangtoeslag over 2010 kan haar evenmin baten. Het voorschot is immers ondanks die verrekening aan [appellante] ten goede gekomen.

3.3.    Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het gehele bedrag van de terugvordering verschuldigd is en dat matiging of kwijtschelding daarvan niet mogelijk is. Van haar kan slechts het bedrag dat zij teveel heeft ontvangen worden teruggevorderd. De terugvordering van alle door haar ontvangen voorschotten is onrechtmatig en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zij voert in dat verband aan dat zij slechts een klein deel van de kosten van gastouderopvang niet heeft voldaan en het bedrag aan kosten op de jaaropgave te hoog is omdat haar kinderen niet op alle daarin opgenomen dagen werden opgevangen. Zij heeft voorts ter zitting aangevoerd dat, doordat de verrekening van het voorschot kinderopvangtoeslag voor december 2014 met de terugvordering van voorschotten kinderopvangtoeslag over 2010 moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid, de terugvordering eveneens misbruik van bevoegdheid is. Zij verwijst daarbij naar een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraken van 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5166, en 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:714) is in artikel 26 van de Awir dwingendrechtelijk bepaald dat indien een herziening of een verrekening leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien dan wel de terugvordering kan matigen. Dit betekent dat een belangenafweging bij de terugvordering als zodanig niet aan de orde is. Hieruit volgt dat van misbruik van bevoegdheid geen sprake is.

    Gelet op het voorgaande is de terugvordering niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en evenmin onrechtmatig.

4.2.    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de terugvordering niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het IVBPR.

5.1.    Dit betoog faalt eveneens. Daargelaten de vraag of deze artikelen van toepassing zijn op de bezwaarfase, ontnemen de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen van 29 april 2016 en 10 september 2016 [appellante] niet de toegang tot de rechter.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Komduur

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

809.