Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201705644/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:4870, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2017 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woonwagen op het perceel [locatie] te Haarlem voor de duur van twaalf maanden te sluiten, met ingang van 28 februari 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705644/1/A3.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 9 juni 2017 in zaak nr. 17/2478 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2017 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woonwagen op het perceel [locatie] te Haarlem voor de duur van twaalf maanden te sluiten, met ingang van 28 februari 2017.

Bij besluit van 15 mei 2017 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Veninga, advocaat te Koog aan de Zaan, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C. Laros-van der Jagt en drs. J.A.M. Lubbers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De burgemeester heeft de door [appellant] gehuurde en bewoonde woning c.q. woonwagen voor twaalf maanden gesloten, nadat daar 207,86 gram hasj is aangetroffen. In een auto in Amstelveen is 57 kilo amfetamine aangetroffen waarvan volgens de burgemeester voldoende vaststaat dat die zich eerder op de dag in de woonwagen bevond. Mede gelet op de aanwezigheid van versnijdings- en verpakkingsmiddelen en de geregelde aanwezigheid van personen met antecedenten op grond van de Opiumwet is een ernstig geval als bedoeld in de Beleidsregel Handhaving Opiumwet Woningen (hierna: de Beleidsregel) aangenomen. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester bij besluit van 8 februari 2017 op grond van artikel 13b van de Opiumwet sluiting van de woonwagen gelast. De burgemeester heeft bij besluit van 15 mei 2017 de last tot sluiting gehandhaafd en de rechtbank heeft dat besluit rechtmatig geacht.

Beoordeling gronden

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat publicatie van de Beleidsregel kort na de vaststelling daarvan heeft plaatsgevonden, omdat zij geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de gemeenteambtenaar ter zitting die destijds zelf voor publicatie heeft zorggedragen. Volgens [appellant] is de bekendmaking pas geschied in het Gemeenteblad van 8 mei 2017, zodat de Beleidsregel ten tijde van het besluit van 8 februari 2017 nog niet in werking was getreden. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, mocht de Beleidsregel niet in werking zijn getreden, de burgemeester heeft gehandeld volgens een vaste gedragslijn. Volgens [appellant] heeft de burgemeester onvoldoende aangetoond dat daarvan sprake is.

2.1.    In hoger beroep heeft de burgemeester de Stadskrant van 7 februari 2013 overgelegd, waarin hij bekendmaakt dat hij heeft besloten tot vaststelling van de Beleidsregel. Daargelaten of de Beleidsregel  op die wijze overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bekendgemaakt, is daarmee aannemelijk dat het beleid rond 7 februari 2013 is vastgesteld. Met die vaststelling is eveneens aannemelijk dat sprake is van een vaste gedragslijn die de burgemeester feitelijk heeft gevolgd. Dat de Beleidsregel pas later in het Gemeenteblad is gepubliceerd, doet aan het voorgaande niet af.

2.2.    Het betoog faalt.

3.    Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een ernstig geval in de zin van de Beleidsregel. Daartoe voert [appellant] aan dat de door de burgemeester daaraan ten grondslag gelegde feiten niet zijn komen vast te staan. Er zijn geen harddrugs aangetroffen in de woonwagen. Het verband tussen de in een auto aangetroffen amfetamine en de woonwagen is bovendien indirect en vaag en rechtvaardigt niet de conclusie dat de amfetamine in de woonwagen is geweest. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat het voorval uit 2013 niet bij de besluitvorming mocht worden betrokken omdat [appellant] toen niet in de woonwagen woonde en het maar de vraag is of sprake was van verstoring van de openbare orde. Evenmin kan de conclusie worden getrokken dat sprake is van georganiseerde drugshandel omdat de aangetroffen goederen generiek zijn. [appellant] heeft bepaalde personen verboden om in de woonwagen te komen, zodat geen sprake zal zijn van overlast en de pandsluiting geen rechtens te dienen doel meer dient, aldus [appellant].

3.1.    Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362), mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 g en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 g als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid drugs is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

3.2.    Niet in geschil is dat in de woonwagen van [appellant] 207,86 gram hasj is aangetroffen. Reeds omdat deze hoeveelheid groter is dan wat als maximale hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt, is in beginsel aannemelijk dat die softdrugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. De enkele stelling van [appellant] dat de in de woonwagen aangetroffen goederen geen indicatoren voor drugshandel zijn, is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te achten. Reeds hierom heeft de rechtbank de burgemeester terecht bevoegd geacht om op grond van artikel 13b van de Opiumwet handhavend op te treden.

3.3.    Vervolgens ligt de vraag voor of sprake is van een geval als bedoeld in de Beleidsregel, waarbij sluiting voor de duur van twaalf maanden gerechtvaardigd is.

    Volgens de Beleidsregel wordt een woning alleen gesloten in ernstige gevallen en ingeval van recidive. Bij de overige, minder ernstige gevallen volgt bij de eerste overtreding van de Opiumwet een waarschuwing.

    Er is sprake van een ernstig geval indien wordt voldaan aan één of meer van de volgende criteria:

1. indien in een woning minimaal 50 gram harddrugs zijn aangetroffen;

2. indien andere feiten en omstandigheden dan de aangetroffen hoeveelheid harddrugs wijzen op de handel in harddrugs (middel als bedoeld in lijst 1 van de Opiumwet) in en vanuit een woning;

(…);

7. indien feiten en omstandigheden wijzen op georganiseerde drugshandel zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, grote som(men) (handels)geld, weegschaal, assimilatielampen e.d.

    Indien sprake is van softdrugs wordt de woning voor één jaar gesloten als in de woning opnieuw de Opiumwet wordt overtreden binnen vijf jaar na de vorige overtreding.

3.4.    De burgemeester heeft diverse bestuurlijke rapportages van de politie aan zijn besluit tot sluiting ten grondslag gelegd. Dit zijn politierapportages van 4 november 2016, van 22 november 2016, van 9 december 2016 en een aanvullende rapportage van 2 maart 2017. In de rapportage van 22 november 2016 wordt erop gewezen dat op 13 november 2013 in dezelfde woning 2,1 kilo gedroogde henneptoppen en een geladen vuurwapen zijn aangetroffen.

    Uit het politieonderzoek volgt dat uit observaties is gebleken dat op 25 oktober 2016 twee lege verhuisdozen van de Gamma naar de woonwagen op het perceel [locatie] zijn gebracht en dat twee Gamma verhuisdozen, dichtgeplakt met bruine tape, gevuld met 57 kilo amfetamine later die dag zijn aangetroffen in een gehuurde bestelbus te Amstelveen. Uit de politierapportages komt niet naar voren dat er bij de daarop volgende doorzoeking van de woning nog twee lege Gamma verhuisdozen in de woning zijn aangetroffen. De bewoner die tijdens de overtreding in 2013 woonachtig was op het adres [locatie] te Haarlem, is dezelfde persoon die op 25 oktober 2016, de datum dat de 57 kilo amfetamine werd aangetroffen, eerder die dag de twee lege Gamma verhuisdozen in de woning bracht. Uit de rapportage van 4 november 2016 komt onder andere naar voren dat hij volgens informatie van het Team Criminele Inlichtingen van de eenheid Noord-Holland deel uitmaakt van een groepering die zich bezighoudt met de export van verdovende middelen en dat die groep onder andere een drugslijn op Engeland heeft. Volgens de politierapportages is door de politie gezien dat hij twee zware objecten in de kofferbak van zijn auto tilt, waarbij de achtervering inzakt. Uit de rapportages blijkt dat er op die 25e oktober vanuit zijn auto twee Gamma verhuisdozen door hem en een ander persoon zijn overgeladen in evengenoemde gehuurde bestelbus. Uit het bezwaarschrift komt naar voren dat die persoon in de woonwagen van [appellant] verbleef.

    Volgens het bestreden besluit en uit het politieonderzoek blijkt dat, kort samengevat, op 26 oktober 2016 207,86 gram hasj, twee pillen, 20 kilo cafeïne, rollen bruine tape, sealbags en transparante plastic zakken zijn aangetroffen in de woonwagen op het perceel [locatie] te Haarlem. Cafeïne is een veel gebruikt versnijdingsmiddel voor cocaïne. Op 24 november 2016 zijn in genoemde woning een boksbeugel, € 2.000,00 contant en een substantie van 80 gram aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat die substantie waarschijnlijk fenacetine en lidocaïne betrof. Dat zijn substanties die, evenals de eerder aangetroffen cafeïne, dienen als versnijdingsmiddelen voor cocaïne. Voorts heeft het NFI geconcludeerd dat het in de woonwagen aangetroffen plakband overeenkomt met het plakband van de dozen waarin de amfetamine was verpakt.

3.5.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de bestuurlijke rapportages, zoals hiervoor weergegeven, voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een ernstig geval in de zin van de Beleidsregel. In bezwaar heeft de burgemeester het standpunt ingenomen dat ten minste sprake is van twee van de zeven hiervoor in 3.3. genoemde indicatoren die in de Beleidsregel als 'ernstig geval' worden aangemerkt. Indicator 1 heeft de burgemeester niet van doorslaggevend belang geacht omdat de amfetamine niet in de woonwagen is aangetroffen. Wel acht de burgemeester aannemelijk dat die amfetamine zich eerder die dag in de woonwagen van [appellant] bevond. Wat daarvan ook zij, in ieder geval leidt indicator 7 ertoe dat de burgemeester dit als een ernstig geval mocht aanmerken. De aangetroffen versnijdingsmiddelen, boksbeugel, sealbags, contant geld en de waargenomen gang van zaken rond het transport van de amfetamine zijn feiten en omstandigheden die wijzen op de handel in harddrugs en georganiseerde drugshandel. Ook heeft de burgemeester hierbij de omstandigheid mogen betrekken dat in de periode van observatie veel personen met antecedenten op grond van de Opiumwet in de woonwagen kwamen, waaronder de persoon die de dozen met amfetamine heeft vervoerd en afgeleverd, welke persoon veelvuldig in de woonwagen verbleef. Anders dan [appellant] betoogt is geen sprake van een minder ernstig geval waarbij volgens de Beleidsregel met een waarschuwing kan worden volstaan.

3.6.    De burgemeester heeft terecht de overtreding uit 2013 bij zijn beoordeling betrokken, aangezien er binnen de termijn van vijf jaar opnieuw in dezelfde woonwagen drugs zijn aangetroffen. Gelet op de vondst van hennep en een geladen vuurwapen in 2013 is sprake van recidive. Daarbij is van belang dat artikel 13b Opiumwet een op een locatie gerichte bevoegdheid bevat, die niet afhankelijk is van persoonlijke verwijtbaarheid. De toepassing van bestuursdwang strekt er in het algemeen toe een overtreding te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen. Wat betreft artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gaat het er blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (Kamerstukken II 1996/97, 25 324, nr. 3, blz. 5) om de verkoop, de aflevering of de verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs een halt toe te roepen. Dit oogmerk past in de algemene doelstelling van de Opiumwet, die primair gericht is op preventie en beheersing van de uit het druggebruik voortvloeiende risico’s voor de gezondheid. Daarnaast wordt met deze bepaling beoogd negatieve effecten van de handel in en het gebruik van drugs, onder meer bezien vanuit het perspectief van de openbare orde, tegen te gaan. Het feit dat de maatregel van artikel 13b, eerste lid, is gericht op beëindiging en voorkoming van een overtreding is een aanwijzing dat het hier gaat om een bestuurlijke maatregel die niet is aan te merken als een punitieve sanctie.

3.7.    Dat [appellant] personen de toegang tot de woonwagen heeft ontzegd, wat daarvan zij, neemt niet weg dat de woonwagen daardoor bekend staat als drugspand. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woonwagen voor de duur van twaalf maanden, ook als [appellant] zelf niet verwijtbaar zou hebben gehandeld, niet zodanig onevenredig is in verhouding tot het doel van de Beleidsregel - herhaling van de handel in drugs voorkomen en herstellen van de openbare orde - dat hij had moeten afzien van toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Zoals reeds volgt uit 3.6. is persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist voor toepassing van dit artikellid.

3.8.    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86 van de Awb en direct mondeling uitspraak heeft gedaan. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 28 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3471, kan met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het gaat erom of de informatie die schriftelijk en ter zitting is verkregen van dien aard is dat mag worden aangenomen dat het verrichten van nader onderzoek in dat opzicht geen relevante nieuwe gegevens zou opleveren. Partijen zijn bij brief van 7 juni 2017 op deze bevoegdheid gewezen. In die situatie mag van partijen worden verwacht dat zij zich hebben voorbereid op eventuele afdoening van de hoofdzaak. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank op basis van de ter beschikking staande gegevens en het resultaat van het ter zitting gehouden onderzoek geen uitspraak heeft mogen doen in de hoofdzaak. Daarbij wordt van belang geacht dat de door [appellant] genoemde onderzoekspunten - de aanvang van zijn bewoning van de woonwagen, de publicatie van de Beleidsregel en de afwikkeling van de strafzaak van de persoon die de amfetamine vervoerde - niet zouden hebben kunnen bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Deventer-Lustberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

587.