Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:856

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201703943/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2016, kenmerk 2016-0000040717, heeft de minister op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) beslist op een verzoek van [appellant] om informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703943/1/A3.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2017 in zaak nr. 16/6743 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2016, kenmerk 2016-0000040717, heeft de minister op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) beslist op een verzoek van [appellant] om informatie.

Bij besluit van 6 juli 2016, kenmerk 2016-0000088559, heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2018, waar [appellant], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Stolker, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft de minister bij brief van 1 april 2016 op grond van de Wob verzocht om alle documenten over de wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken in verband met een verruiming van de openbaarheid van de WOZ-waarde en enkele technische aanpassingen (Stb. 2013,129) voor een ieder toegankelijk te maken, voor zover die nog niet openbaar zijn gemaakt. Gelet op het verzoek ging het hem daarbij vooral om de documenten waaruit blijkt waarom de feitelijke invoering van die wet is vertraagd. In het besluit van 22 april 2016 heeft de minister aan [appellant] geantwoord dat de uitvoering van de wet om technische redenen is vertraagd. De minister heeft daarbij een notitie van 30 oktober 2015 en andere relevante bijlagen overgelegd, waaruit volgens hem blijkt waarom de wet nog niet kan worden uitgevoerd.

1.1.    De minister heeft het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Anders dan [appellant] in bezwaar heeft aangevoerd, zijn volgens de minister niet meer documenten over de vertraagde uitvoering beschikbaar. Volgens hem is er geen begin van bewijs geleverd dat aan de vertraging andere redenen ten grondslag liggen dan de voormelde technische redenen. De minister beschikt niet over documenten die dat bezwaar van [appellant] kunnen ondersteunen. Omdat [appellant] met zijn bezwaar niet meer of anders kan bereiken dan hij reeds heeft bereikt met zijn verzoek, ontbreekt het procesbelang, aldus de minister in het besluit op bezwaar.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard, omdat volgens haar de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat in bezwaar nog procesbelang bestond, nu dat belang was gelegen in de beoordeling of de minister voldoende aan het verzoek van [appellant] is tegemoet gekomen. De rechtbank heeft evenwel op inhoudelijke gronden geoordeeld dat de mededeling van de minister dat alle beschikbare stukken zijn verstrekt niet ongeloofwaardig is. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de minister over meer documenten beschikt. De rechtbank heeft daarom zelf voorziend geoordeeld dat de minister het bezwaar van [appellant] ongegrond had moeten verklaren.

Beschikbare documenten

3.    [appellant] kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen. De jurisprudentie van de Afdeling waarop de rechtbank zich baseert, is volgens hem achterhaald. Hij wijst in dit verband op een nieuwsbericht in De Telegraaf dat, hoewel een bestuursorgaan stelde dat het geen documenten in bezit had, deze achteraf toch aanwezig waren. Het kwam de verantwoordelijk bestuurder in die situatie echter niet goed uit dat de documenten openbaar zouden worden gemaakt. [appellant] meent dat, als een bestuursorgaan aanvoert dat er niet meer documenten aanwezig zijn, de betrokken ambtenaar daarover bij de rechtbank onder ede moet verklaren.

3.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1751) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde documenten niet of niet meer onder hem berusten en die mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om openbaarmaking verzoekt om desgewenst aannemelijk te maken dat die documenten toch onder dat bestuursorgaan berusten.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding van deze jurisprudentielijn terug te komen. Het feit dat in één situatie een onjuiste inschatting is gemaakt over de bij een bestuursorgaan beschikbare documenten, wat daarvan ook zij, maakt niet dat dat ten aanzien van alle bestuursorganen moet worden aangenomen. Hoewel niet uitgesloten is dat een betrokken ambtenaar op de voet van artikel 8:33, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in een zaak als deze wordt gehoord, wordt dat hier niet noodzakelijk geacht. Met de rechtbank acht de Afdeling de stelling van de minister dat hij niet over meer documenten beschikt ter voldoening aan het Wob-verzoek niet ongeloofwaardig. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de minister, zoals hij ter zitting heeft verklaard, in het kader van het beroep van [appellant] nogmaals onderzoek heeft gedaan of er toch nog documenten zijn, maar dat hij niets heeft gevonden. Nu de mededeling van het bestuursorgaan niet ongeloofwaardig is, ligt het op de weg van [appellant] om zijn stelling dat er nog documenten aanwezig zijn, aannemelijk te maken. [appellant] heeft in dit verband ter zitting aangevoerd dat hij vermoedt dat lobbywerk van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG) achter de vertraging zit en dat daarvan documenten zouden moeten bestaan. Naar het oordeel van de Afdeling is dit enkele vermoeden van het bestaan van documenten onvoldoende om de mededeling van de minister te weerleggen. Voor zover [appellant] meent dat de minister navraag had moeten doen bij de VNG, is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1029), de Wob geen verplichting bevat om documenten, waarvan de openbaarmaking is gevraagd, van elders te vergaren.

    Het betoog faalt, zodat de rechtbank in zoverre terecht heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar ongegrond had moeten verklaren.

3.2.    De rechtbank heeft in het dictum evenwel ten onrechte nagelaten te vermelden dat zij het bezwaar van [appellant] zelf voorziend ongegrond verklaart. De Afdeling zal deze omissie herstellen door de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen en alsnog te bepalen dat het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 22 april 2016 ongegrond wordt verklaard.

Horen in bezwaar

4.    De rechtbank heeft overwogen dat van het horen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het bezwaar. Gelet op hetgeen de rechtbank inhoudelijk heeft overwogen, hiervoor weergegeven in 2, is zij van oordeel dat daarover op voorhand, gelet op de inhoud van het verzoek en het bezwaarschrift, redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was en van horen mocht worden afgezien.

4.1.    [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister niet gehouden was hem te horen in bezwaar. Volgens hem is de reden om van horen af te zien niet meer van toepassing.

4.2.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb niet aan het niet-horen ten grondslag worden gelegd. De rechtbank heeft immers het besluit op bezwaar vernietigd omdat het bezwaar, in plaats van niet-ontvankelijk, ongegrond had moeten worden verklaard. Het betoog is derhalve terecht voorgedragen. Het kan echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Van horen mag ook met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Gelet op de motivering van het besluit van 22 april 2016 en hetgeen [appellant] tegen dit besluit in bezwaar heeft aangevoerd, is aan voormelde maatstaf voldaan. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat [appellant] tijdens een hoorzitting wellicht nieuwe gezichtspunten te berde zou hebben gebracht, doet daaraan niet af, omdat de minister de beslissing om van het horen af te zien neemt op basis van hetgeen in het bezwaarschrift naar voren is gebracht. Van nieuwe gezichtspunten is overigens ook na het besluit op bezwaar niet gebleken. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld, zij het op andere gronden, dat de minister van het horen in bezwaar mocht afzien.

    Het betoogt faalt.

Verletkosten

5.    De rechtbank heeft de minister in de aangevallen uitspraak veroordeeld in de proceskosten van [appellant] tot een bedrag van € 7,00, geheel bestaande uit verletkosten. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] de gestelde hoogte van zijn verletkosten niet voldoende met gegevens of bescheiden heeft gestaafd. De enkele vermelding van zijn tarief en verwijzing naar eerdere uitspraken waarbij dit tarief zou zijn vergoed, heeft zij onvoldoende onderbouwing geacht. De verletkosten zijn daarom vastgesteld op het minimum van € 7,00 per uur.

5.1.    [appellant] betoogt dat de in beroep toegekende verletkosten te laag zijn. Hij heeft verzocht om vergoeding van verletkosten van in totaal € 50,00. Hij voert aan dat de mondelinge behandeling, vanwege de reistijd, wachttijd en behandeltijd, zeker meer dan twee uur heeft geduurd en stelt dat het gevraagde bedrag in andere zaken als zeer redelijk wordt beschouwd en direct wordt toegekend.

5.2.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt voor een partij in verband met gemaakte verletkosten een tarief vastgesteld dat afhankelijk van de omstandigheden ligt tussen € 7,00 en € 82,00 per uur.

5.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9516) is, indien de verletkosten bij de rechtbank niet zijn gespecificeerd, plaats voor vergoeding van het minimumtarief. Het is aan [appellant] om de gestelde verletkosten te specificeren en te onderbouwen. Met de enkele stelling dat het gevraagde bedrag in andere zaken als zeer redelijk wordt beschouwd en direct wordt toegekend, heeft [appellant] zijn verletkosten in verband met de zitting van de rechtbank niet alsnog met gegevens of bescheiden onderbouwd. Gelet hierop is de rechtbank terecht uitgegaan van het minimumtarief van € 7,00 per uur. De rechtbank is evenwel bij de toekenning van een proceskostenvergoeding van in totaal € 7,00 ten onrechte niet uitgegaan van het forfaitair aantal van zes uur per zitting. De rechtbank had aanleiding moeten zien de minister te veroordelen tot vergoeding van de verletkosten van [appellant] tot een bedrag van € 42,00, uitgaande van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur en het minimaal te hanteren uurtarief van € 7,00.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover zij heeft nagelaten in het dictum te bepalen dat het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 22 april 2016 ongegrond wordt verklaard en voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in door [appellant] gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 7,00. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van de minister van Financiën van 22 april 2016 ongegrond verklaren. De Afdeling stelt voorts de aan [appellant] te vergoeden verletkosten in beroep vast op een bedrag van € 42,00. De Afdeling zal de minister alsnog tot vergoeding van die kosten veroordelen.

Proceskosten

7.    De minister dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

    Voor zover [appellant] ook ten aanzien van de zitting in hoger beroep heeft verzocht om vergoeding van verletkosten van in totaal € 50,00, overweegt de Afdeling dat hij zijn verletkosten in verband met de zitting, met de door hem overgelegde verklaring van [bedrijf] niet aannemelijk heeft gemaakt. Met de verklaring dat [appellant] op de ochtend van de zitting ook werkzaamheden had kunnen verrichten voor het kantoor is nog geen specificatie overgelegd zodat niet aannemelijk is gemaakt welke specifieke kosten daadwerkelijk zijn gederfd. Uitgaande van het hiervoor in 5.3 genoemde tarief en aantal uren, zal de Afdeling de minister veroordelen tot vergoeding van de verletkosten van [appellant] in hoger beroep tot een bedrag van € 42,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2017 in zaak nr. 16/6743, voor zover daarbij is nagelaten het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van de minister van Financiën van 22 april 2016, kenmerk 2016-0000040717, ongegrond te verklaren en voor zover daarbij de minister is veroordeeld in door [appellant] gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 7,00;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    verklaart het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van de minister van Financiën van 22 april 2016, kenmerk 2016-0000040717, ongegrond;

V.    veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,00 (zegge: tweeënveertig euro);

VI.    veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,00 (zegge: tweeënveertig euro);

VII.    gelast dat de minister van Financiën aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Konings

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

612.