Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:855

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201704669/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2922
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 1 februari 2016 aan de rechtbank heeft [appellant] de Raad voor de rechtspraak (hierna ook: de Raad) dan wel de Staat aansprakelijk gesteld voor het door hem gestelde wanbeleid van de Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704669/1/A2.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 mei 2017 in zaak nr. 16/744 in het geding tussen:

[appellant]

en

Staat der Nederlanden (hierna: de Staat).

Procesverloop

Bij brief van 1 februari 2016 aan de rechtbank heeft [appellant] de Raad voor de rechtspraak (hierna ook: de Raad) dan wel de Staat aansprakelijk gesteld voor het door hem gestelde wanbeleid van de Raad.

Bij uitspraak van 31 mei 2017 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het door [appellant] ingestelde beroep kennis te nemen en bepaald dat een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Staat heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2018, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.    [appellant] heeft in het kader van zijn echtscheiding verschillende civiele procedures gevoerd, waarin hij door advocaten is bijgestaan. Bij brief van 1 februari 2016 heeft hij de sector bestuursrecht van de rechtbank bericht dat de kwaliteit van de civiele rechtspraak in ernstige mate tekort schiet, met name omdat de juridische dienstverlening van de advocaten in civiele zaken en het tuchtrecht voor advocaten niet naar behoren is, en dat hij de Raad dan wel de Staat der Nederlanden via de bestuursrechtelijke weg aansprakelijk stelt voor de schade die hij daardoor heeft opgelopen.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet bevoegd is van het beroep kennis te nemen en over de vordering van eiser te oordelen, nu geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is genomen waartegen [appellant] beroep kan instellen bij de bestuursrechter. De rechtbank heeft, met het oog op artikel 8:71 van de Awb, overwogen dat [appellant] een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen.

Gronden in hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat hij de Staat, meer in het bijzonder de Raad, aansprakelijk heeft gesteld voor de schade, zijn betoog in beroep op onjuiste wijze heeft weergegeven. Volgens [appellant] betrof zijn brief van 1 februari 2016 aan de rechtbank geen verzoek om schadevergoeding, maar een verzoek om een onafhankelijke en onpartijdige rechter aan te wijzen, zodat er een daadwerkelijk rechtsmiddel bestaat om advocaten en anderen ter verantwoording te roepen en/of aansprakelijk te stellen. [appellant] stelt dat zijn eerdere verzoek hiertoe aan de Raad bij brief van 10 september 2015 niet door de Raad is ingewilligd in de brief van 21 september 2015. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] desgevraagd gesteld dat deze brief van de Raad een besluit is, zodat hij toegang heeft tot de bestuursrechter. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de Raad geen bestuursorgaan is, nu de Raad dit feitelijk wel is. Voorts heeft [appellant] op de zitting van de Afdeling aangevoerd dat voor zover de brief van de Raad van 21 september 2015 geen besluit is, hieraan voorbij moet worden gegaan, nu een situatie ontstaat die in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) indien hij zich tot de burgerlijke rechter zou moeten wenden.

Beoordeling

3.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bestuursrechter gehouden is aan hetgeen ten aanzien van zijn bevoegdheid in de Awb is bepaald. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De brief van de Raad van 21 september 2015 is geen besluit in voormelde zin, reeds omdat de Raad op grond van artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb niet als een bestuursorgaan wordt aangemerkt. Tegen de brief van 21 september 2015 stond dus niet het rechtsmiddel van bezwaar en beroep open. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat zij onbevoegd is van het beroep kennis te nemen. Hetgeen [appellant] aanvoert over civiele procedures geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Dat [appellant] geen vertrouwen in de burgerlijke rechter, in de tuchtrechter en in advocaten in civiele zaken heeft, brengt niet mee dat de bestuursrechter bevoegd is. Aan zijn betoog dat een situatie ontstaat die in strijd is met artikel 6 van het EVRM, indien [appellant] zich tot de burgerlijke rechter zou moeten wenden, gaat de Afdeling derhalve voorbij. Zij laat dat betoog voor zijn rekening. Zij kan als bestuursrechter daarin niet treden, omdat zij dan de grenzen van haar bevoegdheid zoals door de Awb bepaald, zou miskennen.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Polak    w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

615. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:1

[…]

2. De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt:

    […]

    c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met de rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden;

    […]

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

[…]

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van belanghebbende, een besluit te nemen.

Artikel 7:1

1. Degene, aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken.

Artikel 8:1

1. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Artikel 8:71

Voor zover uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld, wordt dit in de uitspraak vermeld.