Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201704141/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2206, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende kinderopvangtoeslag over 2012 definitief berekend en vastgesteld op nihil alsmede een bedrag van € 10.465,00 van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704141/1/A2.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 maart 2017 in zaak nr. 16/7978 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende kinderopvangtoeslag over 2012 definitief berekend en vastgesteld op nihil alsmede een bedrag van € 10.465,00 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 29 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door

drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding, besluitvorming en aangevallen uitspraak

1.    Aan het besluit van 8 mei 2015, als gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat de dienst onvoldoende informatie heeft ontvangen om het recht op kinderopvangtoeslag over 2012 vast te stellen.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2012 terecht definitief heeft berekend en vastgesteld op nihil.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Hij voert daartoe aan dat hij in de maanden januari en februari 2012 voor zijn twee kinderen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang via [gastouderbureau 1]. Vervolgens is hij per 1 maart 2012 overgestapt naar gastouderbureau [gastouderbureau 2]. Hij heeft in 2012 tienmaal een bedrag van € 939,00 aan dit gastouderbureau overgemaakt, met de omschrijving "oppasgeld". Blijkens de door hem overgelegde urenspecificaties heeft hij de uren kinderopvang afgenomen en blijkens de facturen heeft hij de kosten voor kinderopvang gemaakt. Hij heeft aldus voldoende gegevens overgelegd om te kunnen vaststellen dat hij over 2012 tot een bedrag van € 9.390,00 aan kosten voor kinderopvang heeft gehad. Hij heeft recht op een kinderopvangtoeslag ter hoogte van dat bedrag. Ingeval de Belastingdienst/Toeslagen twijfelde aan het recht op kinderopvangtoeslag, had het op de weg van deze dienst gelegen om nader onderzoek te doen. Door zo lang te wachten met het opvragen van informatie en door vervolgens de kinderopvangtoeslag over 2012 definitief te berekenen en vast te stellen op nihil, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 1.7, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp) luidt:

"1. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1o. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2o. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3o. de soort kinderopvang.

(…)."

Artikel 18 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) luidt:

"1. Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

(…)."

3.2.    Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3064) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Het is de verantwoordelijkheid van de ontvanger van de kinderopvangtoeslag om daartoe een deugdelijke administratie bij te houden.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1114), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Indien een deel van de kosten aantoonbaar is voldaan, kan geen aanspraak worden gemaakt op een evenredig lager voorschot of lagere tegemoetkoming. In de uitspraak van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1610) heeft de Afdeling voorts in haar overwegingen betrokken dat de Belastingdienst/Toeslagen alleen bij afrondingsverschillen, dat wil zeggen bij kleine verschillen tussen de totale kosten van kinderopvang en de aantoonbaar betaalde kosten, ervan uitgaat dat is aangetoond dat alle kosten van kinderopvang zijn voldaan.

3.3.    [appellant] heeft voor de gastouderopvang via [gastouderbureau 1] twee jaaropgaven over 2012 overgelegd, voor ieder kind één. Uit de jaaropgaven blijkt dat de kosten voor beide kinderen in totaal € 610,80 bedroegen. Op de jaaropgaven zijn echter alleen de kosten voor de maand januari ingevuld. [appellant] heeft ook facturen overgelegd van [gastouderbureau 1] over januari en februari, waaruit blijkt dat de kosten in januari voor twee kinderen € 977,28 en de kosten voor twee kinderen in februari € 977,28 bedroegen, derhalve in totaal een bedrag van € 1.954,56. [appellant] heeft het verschil tussen de hoogte van de kosten volgens de jaaropgaven van [gastouderbureau 1] en de hoogte van de kosten volgens de factuur over januari niet verklaard. Evenmin heeft hij het verschil in totale kosten volgens de jaaropgaven en de totale kosten volgens de facturen verklaard. Daarnaast heeft hij geen verklaring gegeven voor het ontbreken van de kosten over de maand februari op de jaaropgaven en niet nader toegelicht of in die maand daadwerkelijk kinderopvang is afgenomen. Daardoor is niet duidelijk geworden wat de hoogte van de kosten van kinderopvang in 2012 via [gastouderbureau 1] is geweest.

    [appellant] heeft voor de gastouderopvang via [gastouderbureau 2] geen jaaropgave(n) overgelegd. [appellant] heeft wel facturen van [gastouderbureau 2] over de maanden maart tot en met december 2012 overgelegd, waaruit blijkt dat de kosten over die periode in totaal € 9.922,80 bedroegen.

    Zelfs ingeval de kosten van kinderopvang via [gastouderbureau 1], zoals die blijken uit de facturen over januari en februari, in aanmerking worden genomen, heeft [appellant] niet aangetoond dat hij de totale kosten van kinderopvang over 2012 van € 11.877,36 (namelijk € 1.954,56 via [gastouderbureau 1] plus € 9.922,80 via [gastouderbureau 2]) heeft betaald. Van het voorschot van € 10.465,00, is een bedrag van € 835,00 uitbetaald op de bankrekening van [gastouderbureau 1], zodat [appellant] diende aan te tonen dat hij een bedrag van € 11.042,36 volledig heeft betaald. [appellant] heeft in bezwaar rekeningafschriften van zijn bankrekening overgelegd. Daaruit blijkt dat hij aan [gastouderbureau 2] in 2012 in totaal voor een bedrag van € 9.390,00 heeft betaald. Hij heeft geen bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij de kosten van kinderopvang via [gastouderbureau 1] in 2012 heeft betaald. Het verschil tussen € 11.042,36 en € 9.390,00, te weten € 1.652,36, is niet een afrondingsverschil als bedoeld onder 3.2.

    Zelfs ingeval slechts de kosten van [gastouderbureau 2] in aanmerking worden genomen, heeft [appellant] niet aangetoond dat hij deze volledig heeft betaald. In dat geval dient hij immers aan te tonen dat hij € 9.922,80 heeft betaald, terwijl uit de bankafschriften blijkt dat hij slechts 9.390,00 heeft betaald. Het verschil van € 532,80 is evenmin afrondingsverschil als bedoeld onder 3.2.

    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] over 2012 geen recht op kinderopvangtoeslag heeft. Dat [appellant] heeft aangetoond dat een gedeelte van de totale kosten is voldaan, namelijk € 9.390,00, betekent niet dat hij aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag ter hoogte van dat bedrag. Zie bijvoorbeeld de onder 3.2 vermelde uitspraak van de Afdeling van 2 april 2014.

    Van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals door [appellant] is aangevoerd, is niet gebleken.

    Het betoog faalt.

4.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte het bedrag van € 10.465,00 heeft teruggevorderd, wordt als volgt overwogen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5166, en 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:714) is in artikel 26 van de Awir dwingendrechtelijk bepaald dat indien een herziening of een verrekening leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien dan wel de terugvordering kan matigen.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Nales

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

680.