Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201703346/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:1185, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de wijziging van een gevel van een pand op het perceel Veldweg 2B te Soest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703346/1/A1.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Soest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2017 in zaak nr. 16/1943 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de wijziging van een gevel van een pand op het perceel Veldweg 2B te Soest.

Bij besluit van 3 maart 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 9 november 2015 ongegrond wordt verklaard en dat dit besluit gehandhaafd blijft en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 3 maart 2016. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2018, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Scheffer, zijn verschenen.

    Overwegingen

1.    [appellant] en [persoon] huren het oude stationsgebouw in Soest en bewonen dat gebouw een deel van de tijd. Aan de andere kant van het spoor, op het perceel Veldweg 2B, is een bouwbedrijf gevestigd. Dat bedrijf heeft de gevel van het pand waarin het gevestigd is, gewijzigd. [appellant] en [persoon] stellen zich op het standpunt dat het bedrijf dat ten onrechte zonder omgevingsvergunning heeft gedaan.

    Het college stelt zich op het standpunt dat de gevel op grond van artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) zonder vergunning mocht worden gewijzigd. Om die reden heeft het geweigerd handhavend op te treden.

2.    Ter zitting heeft [persoon] het door haar ingestelde hoger beroep ingetrokken.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gevel op grond van artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II van het Bor zonder omgevingsvergunning mocht worden gewijzigd. Daartoe voert hij aan dat die gevel niet een zijgevel is, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar de voorgevel. Volgens [appellant] heeft de rechtbank bij de beoordeling welke gevel de voorgevel is ten onrechte aansluiting gezocht bij de definitie van "voorgevel" en "voorgevelrooilijn" in het bestemmingsplan "De Eng", aangezien aan dat bestemmingsplan goedkeuring is onthouden voor het perceel Veldweg 2B. [appellant] stelt zich op het standpunt dat in dit geval moet worden gekeken naar de feitelijke situatie. Uitgaande van de feitelijke situatie is de gewijzigde gevel de voorgevel, aldus [appellant].

    Voor zover de gewijzigde gevel wel een zijgevel is, is volgens [appellant] toch een omgevingsvergunning vereist, aangezien die gevel is gericht naar het perron van het treinstation. Dat perron moet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, als openbaar toegankelijk gebied worden aangemerkt, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II van het Bor luidt:

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn."

    Artikel 1, eerste lid, luidt:

"In deze bijlage wordt verstaan onder:

[…]

openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

[…]

voorgevelrooilijn: voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening;

[…]"

    Artikel 1, tweede lid, onder e, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng" luidt:

"voorgevel-bouwgrens:

de bouwgrens, die bij het bouwen aan de wegzijde niet mag worden overschreden."

    Dat artikellid onder f luidt:

"achtergevel-bouwgrens:

de bouwgrens, die bij het bouwen aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden."

3.2.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3, overweegt de Afdeling dat indien er discussie ontstaat over de vraag welke gevel de voorgevel is, primair moet worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die in het bestemmingsplan of de bouwverordening is aangegeven, zoals artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor bepaalt. Als ook dan nog twijfel bestaat, zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt.

3.3.    Bij uitspraak van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6710, heeft de Afdeling het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Eng" vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Veldweg 2B. [appellant] betoogt dan ook terecht dat de rechtbank dat bestemmingsplan ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag welke gevel de voorgevel is.

    Ter plaatse van het bedrijfspand geldt het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng". In de planvoorschriften is in artikel 1 een definitie van "voorgevel-bouwgrens" opgenomen. Uit die definitie en de definitie van "achtergevel-bouwgrens" in datzelfde artikel volgt dat de voorgevel de gevel is die is gelegen aan de zijde van de bouwgrens aan de wegzijde. Op de overgelegde plankaart is ter plaatse van de gronden waarop het bedrijfspand staat een vlak opgenomen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het vlak de bouwgrenzen aangeeft. Aangezien er een bouwgrens is gelegen aan de zijde van de Veldweg, is de voorgevel de gevel die is gelegen aan die zijde. De gewijzigde gevel ligt niet aan die zijde, zodat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat die gevel niet de voorgevel is, maar een zijgevel.

    De omstandigheid dat er een ander gebouw staat tussen de Veldweg en het bedrijfspand leidt niet tot een ander oordeel. Voor de betrokken gronden is op de plankaart één vlak met bouwgrenzen opgenomen. Een redelijke uitleg van het bestemmingsplan brengt in dit geval met zich dat niet alleen de naar de Veldweg gekeerde gevel van het andere gebouw, maar ook de aan de zijde van de Veldweg gelegen gevel van het bedrijfspand als voorgevel moet worden aangemerkt.

    De stelling van [appellant] dat het bedrijfspand onderdeel uitmaakt van een grotere bouwmassa en voor een deel van die bouwmassa aan de zijde van de Veldweg een ander bestemmingsplan geldt waarin geen definitie is opgenomen van "voorgevel" of "voorgevelrooilijn", leidt evenmin tot een ander oordeel. Die stelling doet er niet aan af dat ter plaatse van het bedrijfspand het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng" geldt en daarom op grond van dat plan moet worden bepaald wat de voorgevel van het bedrijfspand is. Ook de stelling van [appellant] dat in het verleden op bouwtekeningen de gewijzigde gevel als voorgevel is aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel. Niet die tekeningen zijn bepalend, maar het bestemmingsplan "De Zuidelijke Eng" is bepalend bij beantwoording van de vraag welke gevel de voorgevel is.

    Ten slotte biedt ook de verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 8 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV3857, 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0724, en 4 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1020, geen aanleiding voor een ander oordeel, aangezien die zaken niet vergelijkbaar zijn met deze zaak. In die zaken kon, anders dan in deze zaak, niet aan de hand van het bestemmingsplan worden vastgesteld wat de voorgevel was.

3.4.    Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de gevel is gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied. Of het perron van het treinstation als zodanig moet worden aangemerkt, is daarbij niet van belang, aangezien er tussen het bedrijfspand en dat perron een spoorweg is gelegen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die niet kan worden aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Reeds hierom is de gevel niet gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied.

3.5.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat wordt voldaan aan de eisen van artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II van het Bor. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de wijziging van de gevel zonder omgevingsvergunning mocht worden uitgevoerd, zodat het college het verzoek om handhaving terecht heeft afgewezen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

457.