Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201609814/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:4501, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel [locatie 1] te Weerselo (hierna: het perceel) ten behoeve van marktactiviteiten op zondagen voor een periode van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7868
JOM 2018/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609814/1/A1.

Datum uitspraak: 14 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Weerselo, gemeente Dinkelland (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 november 2016 in zaak nr. 15/2866 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel [locatie 1] te Weerselo (hierna: het perceel) ten behoeve van marktactiviteiten op zondagen voor een periode van 5 jaar.

Bij besluit van 17 november 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 7 april 2015 herroepen en aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel ten behoeve van marktactiviteiten op zondagen voor maximaal 26 zondagen per jaar voor een periode van 5 jaar.

Bij uitspraak van 16 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghoudster] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college, [appellant] en [vergunninghoudster] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Pool, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door F.M.J. Engbers-Poort, J.M.A. Engelbertink en A.M.B. Voorpostel, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. M.J. Tunissen, advocaat te Arnhem, en ing. R. Herik, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op zaterdagen en een aantal feestdagen wordt het perceel gebruikt voor marktactiviteiten met een recreatief karakter, genoemd Weerselose Markt. Op de Weerselose Markt wordt een breed assortiment aan handelswaar verkocht door zowel kooplieden die elke week op de markt staan, als door personen die eenmalig hun spullen te koop aanbieden. De markt trekt op zaterdagen afhankelijk van de tijd van het jaar 1.500 tot 5.000 bezoekers. De markt is voor het grootste gedeelte buiten, maar er is ook een gedeelte van het terrein overdekt. Op de markt wordt muziek ten gehore gebracht via hoornspeakers. Ook zijn er muziekoptredens op een podium.

    [vergunninghoudster] heeft omgevingsvergunning gevraagd voor het gebruik van het perceel ten behoeve van het houden van marktactiviteiten op zondagen. Vast staat dat het gebruik van het perceel ten behoeve van marktactiviteiten op zondagen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Weerselose Markt", omdat het bestemmingsplan alleen marktactiviteiten op zaterdagen, ten hoogste vier maal per jaar op een bijzondere feestdag, alsmede drie dagen in de maand maart toestaat.

Om marktactiviteiten ook op zondagen mogelijk te maken, heeft het college daarvoor bij het besluit van 7 april 2015 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, omgevingsvergunning verleend.

    Het college heeft bij het besluit van 17 november 2015 dat besluit herroepen en opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel ten behoeve van marktactiviteiten op zondagen, maar nu voor een maximum van 26 zondagen per jaar en aan dat besluit voorschriften verbonden onder meer wat betreft de openingstijden van de markt.

    [appellant] woont op het perceel [locatie 2], dat grenst aan het deel van het perceel dat is ingericht als parkeerterrein. Hij is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning omdat hij vreest dat door de toegestane marktactiviteiten op zondagen zijn woon- en leefklimaat onevenredig zal worden aangetast.

Het hoger beroep

2.    [appellant] heeft zijn hoger beroepsgronden over de verkeersdruk en het parkeren ingetrokken. Over blijft zijn hoger beroepsgrond over de geluidoverlast.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, gelet op de geluidoverlast die hij zal ondervinden als gevolg van marktactiviteiten op zondagen. Hij betwist dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen van derden is gewaarborgd, nu niet vast staat dat aan het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) zal worden voldaan. Daartoe voert [appellant] aan dat in het rapport dat het college ten grondslag heeft gelegd aan het in bezwaar gehandhaafde besluit de geluidoverlast op onjuiste wijze is beoordeeld. Hij verwijst in dat verband naar reacties van het Noordelijk Akoestisch Adviesburo B.V. (hierna: het NAA) van 26 februari 2016 en van het NAA van 27 mei 2016. Volgens [appellant] is, anders dan waarvan het college is uitgegaan, muziekgeluid afkomstig van de Weerselose Markt bij zijn woning duidelijk hoorbaar en kunnen zelfs muziekteksten worden verstaan.

3.1.    Het college heeft zich bij het in beroep bestreden besluit op het standpunt gesteld dat tijdens marktactiviteiten op zondagen wat betreft geluid sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen van derden, indien aan de geluidnormen van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan. [appellant] heeft niet weersproken dat, als het muziekgeluid niet herkenbaar is, ter plaatse van woningen van derden aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Volgens hem is echter onvoldoende gewaarborgd dat aan deze geluidnormen wordt voldaan. Het college heeft onder verwijzing naar een rapport van Akoestisch Buro Tideman van 21 oktober 2015 (hierna: het rapport van Tideman) geconstateerd dat die geluidnormen kunnen worden nageleefd. Naar aanleiding van het advies van NAA van 26 februari 2016 heeft Tideman een aanvullend rapport van Tideman van 19 mei 2016 opgesteld.

    In de aanvraag van 2 februari 2015 is vergunning gevraagd voor het op zondag mogen verrichten van de reeds op zaterdag gehouden marktactiviteiten op het perceel. In de aanvraag worden de activiteiten niet omschreven. In het rapport van Tideman is ervan uitgegaan dat tijdens markten alleen achtergrondmuziek hoorbaar is. Deze muziek komt uit hoornluidspeakers of is afkomstig van een band op het aanwezige podium die achtergrondmuziek verzorgt. Deze muziekactiviteiten zijn volgens het rapport kortstondig en alleen in de directe omgeving van het aanwezige podium waarneembaar. Het muziekgeluid mag niet zodanig hard zijn dat met stemverheffing bij de kramen moet worden gesproken, aldus het rapport. De Afdeling overweegt, gelet hierop, dat het voortbrengen van achtergrondmuziek, daargelaten de geluidsterkte daarvan, een activiteit is waarop de verleende omgevingsvergunning ziet. De Afdeling stelt op grond van het verslag van de hoorzitting in bezwaar vast dat harde muziek, zoals wordt veroorzaakt door een drumband, niet is aangevraagd en derhalve evenmin is vergund. Namens [vergunninghoudster] is tijdens de hoorzitting te kennen gegeven dat de geluidinstallatie op een afstand van 300-400 m van de woning van [appellant] staat en dat tijdens de eerste markt op zondag een drumband heeft opgetreden, maar dat dergelijke bands in principe niet op het perceel optreden. Een marktkoopman wil waren verkopen en dat kan niet bij te veel geluid, zo is gesteld. Verder staat in het verslag dat namens [vergunninghoudster] is gesteld dat dat, waarmee naar de Afdeling begrijpt harde muziek wordt bedoeld, nu niet aan de orde is.  

    In het rapport van Tideman staat dat de geluidbelasting van marktactiviteiten op zondag, inclusief muziek, op de woning [locatie 3] 42 dB(A) in de dagperiode bedraagt en dat daarmee aan artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt voldaan op grond waarvan een etmaalwaarde van 50 dB(A) niet mag worden overschreden. Volgens het rapport is er geen toeslag voor muziekgeluid toegepast, omdat de achtergrondmuziek uit de hoornspeakers ter plaatse van woningen van derden niet waarneembaar zou zijn.

    Vast staat dat ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, in verbinding gelezen met de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, een toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) in rekening moet worden gebracht indien het muziekkarakter duidelijk hoorbaar is op een beoordelingspunt. Of wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit is volgens het rapport van Tideman geheel afhankelijk van het volume van de band. Dit volume zou zo kunnen worden afgesteld dat muziek ter plaatse van woningen niet duidelijk hoorbaar is, zo staat in het rapport.

    De Afdeling overweegt dat indien het geluid van muziek, vanwege het volume daarvan, duidelijk hoorbaar is bij de woning van [appellant] de toeslag voor muziekgeluid moet worden gehanteerd, in welk geval volgens het rapport van Tideman de geluidbelasting, veroorzaakt door de marktactiviteiten, 52 dB(A) in de dagperiode bedraagt en dat daarmee de geluidnorm van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt overschreden. In de adviezen van NAA wordt geconcludeerd dat bij toepassing van de muziektoeslag de geluidnormen van artikel 2.17, eerste lid, niet naleefbaar zijn.

     Het college is, zo is tijdens de zitting gebleken, ervan uitgegaan dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift is verbonden dat inhoudt dat [vergunninghoudster] wat betreft geluid aan het Activiteitenbesluit moet voldoen. Een dergelijke voorschrift ontbreekt echter in de voorschriften. In het besluit is onder het kopje ‘informatie’ onder 1.3 opgenomen dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat u (lees: [vergunninghoudster]) kunt voldoen aan de voorschriften zoals deze gesteld zijn in het Activiteitenbesluit. Dit is echter niet te beschouwen als een voorschrift op grond waarvan [vergunninghoudster] zich dient te houden aan het Activiteitenbesluit. Nu een dergelijk voorschrift wat betreft het bij de omgevingsvergunning toegestane met het bestemmingsplan strijdige gebruik ontbreekt, is een goed woon- en leefklimaat onvoldoende gewaarborgd. De omstandigheid dat [vergunninghoudster] wat betreft haar milieuactiviteiten, naar tussen partijen niet in geschil is, het Activiteitenbesluit dient na te leven, doet hieraan niet af.

    De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat het besluit van 17 november 2015 is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van

17 november 2015 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen, voor zover bij dat besluit aan de verleende omgevingsvergunning niet het voorschrift is verbonden dat wat betreft geluid aan het Activiteitenbesluit moet worden voldaan. De Afdeling zal bepalen dat aan de verleende omgevingsvergunning het voorschrift 1.1.8 wordt verbonden, inhoudende dat wat betreft geluid aan het Activiteitenbesluit moet worden voldaan.

Proceskostenveroordeling

5.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen kosten van rechtsbijstand te worden veroordeeld. Voor vergoeding van deskundigenkosten bestaat geen aanleiding, nu [appellant] daarom eerst bij brief van 24 november 2017, dus na de zitting van 21 november 2017, heeft verzocht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 november 2016 in zaak nr. 15/2866;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland van 17 november 2015, kenmerk U15.022384, voor zover bij dat besluit aan de verleende omgevingsvergunning niet het voorschrift is verbonden dat wat betreft geluid aan het Activiteitenbesluit moet worden voldaan;

V.    bepaalt dat aan de verleende omgevingsvergunning alsnog het voorschrift 1.1.8 wordt verbonden, inhoudende dat wat betreft geluid aan het Activiteitenbesluit moet worden voldaan;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 november 2015, voor zover het is vernietigd;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018

163-757.