Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:798

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201708213/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:3617, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/124
JV 2018/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708213/1/V2.

Datum uitspraak: 8 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2017 in zaak nr. 17/2825 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 12 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Haanstra, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep ongegrond heeft verklaard, nu zij het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door na te laten hem uit te nodigen voor de zitting van 10 juli 2017. Omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn beroep toe te lichten, is hij in zijn belangen geschaad, aldus de vreemdeling.

1.1.    In het rechtbankdossier bevindt zich een kopie van de brief van de rechtbank van 11 mei 2017 aan de gemachtigde van de vreemdeling, waarin deze wordt uitgenodigd de behandeling van het beroep van de vreemdeling ter zitting op 10 juli 2017 bij te wonen. Op de kopie is aangekruist dat de brief aangetekend per post wordt verzonden. Uit de kopie blijkt niet dat de brief daadwerkelijk is verzonden.

    Voorts blijkt uit de stukken in het rechtbankdossier, zoals ook overgelegd door de vreemdeling, dat de gemachtigde van de vreemdeling op 19 september 2017 aan de rechtbank te kennen heeft gegeven dat hij geen uitnodiging voor de zitting van 10 juli 2017 heeft ontvangen. Uit het antwoord van de rechtbank, bij brief van 21 september 2017, blijkt niet dat de uitnodiging daadwerkelijk is verzonden. Evenmin heeft de rechtbank enig objectief bewijs van verzending overgelegd.

    In de aangevallen uitspraak is vermeld dat de vreemdeling en zijn gemachtigde zonder voorafgaande kennisgeving niet op de zitting van de rechtbank zijn verschenen. Nu niet is gebleken dat de uitnodiging voor die zitting daadwerkelijk bij brief is verstuurd en uit de stukken niet blijkt dat de vreemdeling op andere wijze is uitgenodigd, moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56 van de Awb, waardoor de vreemdeling niet de gelegenheid heeft gehad om zijn beroep ter zitting bij de rechtbank toe te lichten.

    De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2017 in zaak nr. 17/2825;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van de Sluis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018

802.