Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
201800837/1/A3 en 201800837/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister voor Rechtsbescherming) de aanvraag van [appellante] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een keurmerk ‘ZZP’er Zorg’ bij KIWA Nederland B.V., afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800837/1/A3 en 201800837/2/A3.

Datum uitspraak: 8 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 3 januari 2018 in zaken nrs. 17/6805 en 17/7047 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister voor Rechtsbescherming.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister voor Rechtsbescherming) de aanvraag van [appellante] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een keurmerk ‘ZZP’er Zorg’ bij KIWA Nederland B.V., afgewezen.

Bij besluit van 16 november 2017 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 februari 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. K. Cras, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door W. de Kwant LLB, zijn verschenen.

Overwegingen

Kortsluiting

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Juridisch kader

2.    Voor de toepasselijke bepalingen uit Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Beleidsregels VOG-NP-RP-2013 (hierna: de Beleidsregels) wordt verwezen naar de bijlage. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.

Inleiding

3.    [appellante] is zzp’er en sinds 2012 als verpleegkundige in de thuiszorg werkzaam. Zij wil zich registeren in het register "Algemeen GegevensBeheer Zorgverleners" (het AGB-register) met een AGB-code. Voor een AGB-code heeft zij een keurmerk ‘ZZP’er Zorg’ nodig. Voor de verkrijging van dat keurmerk is onder meer een VOG vereist.

4.    De minister heeft de aanvraag van [appellante] om afgifte van een VOG ten behoeve van het keurmerk afgewezen. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat uit een uittreksel Justitiële documentatie volgt dat [appellante] op 25 november 2014, binnen de terugkijktermijn van vier jaar, in eerste aanleg is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf wegens het medeplegen van oplichting, valsheid in geschrifte, gewoontewitwassen en deelneming aan een misdadige organisatie. Volgens de minister vormen deze feiten, indien herhaald, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd en is aan het objectieve criterium voldaan. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat [appellante] is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van personen. Tijdens de zorgverlening heeft zij toegang tot persoonlijke eigendommen en zal zij enkele administratieve taken moeten verrichten. Het risico bestaat dat [appellante] haar functie zal misbruiken teneinde zichzelf of anderen (financieel) te bevoordelen en de aan haar zorg toevertrouwde personen te benadelen. In verband met de veroordeling voor deelname aan een misdadige organisatie bestaat tevens een risico voor het welzijn en de veiligheid van de aan haar zorg toevertrouwde personen. De minister heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat aan het subjectieve criterium is voldaan. Volgens hem weegt het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving op dit moment zwaarder dan het belang van [appellante] bij toewijzing van de aanvraag. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat uit de hoogte van de veroordeling van 25 november 2014 blijkt dat de rechter [appellante] niet licht heeft gestraft en dat de strafbare feiten waarvoor zij is veroordeeld bij uitstek niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag.

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de strafbare feiten waarvoor [appellante] is veroordeeld, indien herhaald een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie van zzp’er in de zorg en dat daarmee aan het objectieve criterium is voldaan. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de minister zich in het kader van het subjectieve criterium in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellante] bij afgifte van een VOG. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf fors is, zeker voor een ‘first offender’. De strafrechter heeft [appellante] zwaar aangerekend dat het gaat om verschillende strafbare feiten, die in een samenwerking tussen verschillende personen over een langere periode zijn gepleegd. Er is volgens de rechtbank geen reden om het tijdsverloop in het voordeel van [appellante] uit te leggen. Bij fraudedelicten geldt dat naar de datum van de veroordeling wordt gekeken en niet naar de pleegdatum, omdat fraudedelicten vaak veel later dan de pleegdatum aan het licht komen. Dat het voor [appellante] zonder VOG moeilijk wordt om een baan te vinden in de zorg en dat daardoor wellicht haar schuldenproblematiek verder oploopt, is geen omstandigheid die maakt dat de belangenafweging in haar voordeel had moeten uitvallen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

6.    [appellante] richt zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het subjectieve criterium is voldaan. Zij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het tijdsverloop niet in haar voordeel kan wegen, nu ruim vijfenhalf jaar zijn verstreken sinds het plegen van het fraudedelict. De rechtbank heeft miskend dat de minister, ook bij fraudedelicten, in het kader van het subjectieve criterium rekening dient te houden met de pleegdatum. [appellante] voert aan dat de omstandigheid dat reeds drie jaar zijn verstreken sinds de veroordeling door de strafrechter, in het licht van het feit dat de terugkijktermijn vier jaar is, ook in haar voordeel weegt. Verder wijst [appellante] erop dat de rechtbank ten onrechte niet in haar voordeel heeft meegewogen dat slechts sprake is van één antecedent en zij sindsdien niet meer met justitie in aanraking is geweest. Ook de omstandigheid dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is, weegt volgens haar in haar voordeel. Tot slot brengt [appellante] haar persoonlijk belang bij afgifte van een VOG naar voren, welk belang volgens haar onvoldoende door de rechtbank is meegewogen. Zij is sinds 2012 werkzaam als zzp’er in de zorg en er heeft zich in de zes jaar die sindsdien zijn verstreken geen enkel incident voorgedaan. Volgens haar valt niet in te zien dat haar werkzaamheden nu opeens de maatschappij zullen schaden. [appellante] voert aan dat haar opleiding en werkervaring uitsluitend zijn gericht op de zorg en dat zij geen andere mogelijkheden heeft om inkomen te genereren. Zij is een alleenstaande moeder en heeft de zorg voor vier kinderen. Daarbij heeft zij financiële problemen door een hoge schuld. In verband hiermee staat zij sinds januari 2017 onder bewind en is een schuldhulpverleningstraject gestart. [appellante] vreest dat dit traject zal worden gestopt als zij niet meer mag werken en haar inkomen zal verliezen.

Oordeel van de voorzieningenrechter

7.    Niet in geschil is dat in dit geval aan het objectieve criterium is voldaan. Volgens de Beleidsregels moet de afgifte van de VOG om die reden in beginsel worden geweigerd. In het kader van de toetsing aan het subjectieve criterium kan de minister desondanks besluiten tot afgifte van een VOG. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister in dit geval geen aanleiding hoeven zien om daartoe over te gaan. In dit verband wordt, in navolging van de rechtbank, overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellante] bij afgifte van een VOG. Daarbij wordt betrokken dat [appellante] weliswaar slechts met één antecedent is geregistreerd in de Justitiële Documentatie, maar dat dit antecedent betrekking heeft op verschillende ernstige strafbare feiten die niet te verenigen zijn met haar werkzaamheden in de zorg. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf is het plegen van deze strafbare feiten [appellante] niet licht aangerekend. De minister heeft het risico voor de samenleving dan ook als hoog mogen inschatten. Voorts heeft de minister het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbare feiten te kort mogen achten om te concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Hetzelfde geldt voor het tijdsverloop sinds de veroordeling op 25 november 2014. De omstandigheid dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is, weegt daarbij gelet op de omstandigheid dat bij fraudedelicten naar de datum van de veroordeling wordt gekeken niet in het voordeel van [appellante]. Ten aanzien van het belang van [appellante] bij afgifte van een VOG overweegt de voorzieningenrechter dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alleen inkomen kan genereren als zzp’er in de zorg met een keurmerk van KIWA Nederland B.V. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat het schuldhulpverleningstraject waar zij nu in zit, moet worden beëindigd als gevolg van het besluit van de minister.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Binnema

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018

589. BIJLAGE

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35

1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

[…]

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, nr. 5409)

Paragraaf 3.1.1 Periode terugkijktermijn

Terugkijktermijn in duur beperkt

[…] Dit houdt in dat de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaatsvindt aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Van deze terugkijktermijn van vier jaren wordt slechts afgeweken wanneer sprake is van één van de hieronder genoemde uitzonderingen. In dat geval geldt de daar genoemde terugkijktermijn.

[…]

Paragraaf 3.1.2 Uitgangspunten terugkijktermijn

Om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt wordt als uitgangspunt genomen:

a. de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg, of bij gebreke daarvan

b. de datum dat het Openbaar Ministerie een strafbeschikking heeft uitgevaardigd, of bij gebreke daarvan

c. de datum van de transactie zoals vermeld in het JDS, of bij gebreke daarvan

d. de datum dat het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren, of bij gebreke daarvan

e. de pleegdatum.

[…]

Paragraaf 3.2 Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

[…]

Paragraaf 3.3 Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

[…]

Paragraaf 3.3.1 Omstandigheden van het geval

Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG.

Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

- de afdoening van de strafzaak;

- het tijdsverloop;

- de hoeveelheid antecedenten.

Indien de aanvrager ten tijde van het plegen van een strafbaar feit minderjarig was, betrekt het COVOG dit in de beoordeling van de aanvraag.

Ten behoeve van een goede oordeelsvorming is het COVOG bevoegd inlichtingen in te winnen bij het Openbaar Ministerie en de reclassering.

Naast justitiële gegevens kunnen ook politiegegevens de beoordeling worden betrokken. In de politiesystemen kunnen bijvoorbeeld mutaties omtrent strafbare feiten aanwezig zijn, opgemaakte processen-verbaal en (dag)rapporten. Ondanks het feit dat deze informatie niet in alle gevallen tot vervolging heeft geleid, kan deze bij de beoordeling van de aanvraag worden meegewogen. Hierdoor wordt een betrouwbaar beeld verkregen van de integriteit van de aanvrager.

Omstandigheden waaronder het feit is gepleegd

In het geval dat het COVOG na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.