Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
201709025/2/R3
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Borger, [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709025/2/R3.

Datum uitspraak: 1 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, gevestigd te Borger, gemeente Borger-Odoorn,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Borger-Odoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Borger, [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 februari 2018, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. I.M. Westhoff en mr. E. Wijnne, beiden advocaat te Zwolle, en [verzoeker] en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door R. Krikke en H.G.J.C. Brink, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [partij] gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2. Het plan maakt bebouwing mogelijk op een agrarisch perceel aan de Strengenweg te Borger met het oog op de verplaatsing van het akkerbouwbedrijf van de heer [partij] uit de kern van het dorp Borger. Vanwege deze verplaatsing wordt in het plan aan het perceel [locatie], de oude locatie van het bedrijf, de bestemming "Wonen-voormalige boerderij" toegekend. [verzoeker] en anderen wonen en hebben hun bedrijf in de nabijheid van het perceel aan de Strengenweg. Zij willen niet dat het akkerbouwbedrijf naar dit perceel wordt verplaatst.

3. Aan het perceel aan de Strengenweg zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "akkerbouw" en "bouwvlak" toegekend.

Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt:

"De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarischbedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘akkerbouw’ uitsluitend akkerbouwbedrijven zijn toegestaan;

b.de instandhouding van de aanwezige landschappelijke waarde in de vorm van openheid;

c. openbarenutsvoorzieningen;

d. voorzieningen ten behoeve van dewaterhuishouding;

e. verkeersdoeleinden in de vorm van landbouw- en kavelontsluitingswegen."

Provinciale verordening

4. [ verzoeker] en anderen betogen dat het gebruik van het perceel aan de Strengenweg voor opslagdoeleinden een negatief effect heeft op het functioneren van de grondgebonden melkveehouderijen in de omgeving en daarom in strijd is met artikel 3.19 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe.

4.1. Artikel 3.19 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe luidt: "Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op locaties die op de bij deze verordening behorende kaart D11a zijn aangeduid als "Landbouwgebied", voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector in het gebied hebben."

4.2. Het plangebied ligt op een locatie die op kaart D11a bij de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe is aangeduid als "Landbouwgebied". Het plan maakt het mogelijk om op een perceel met een grootte van 1 ha gebouwen neer te zetten voor de uitoefening van een akkerbouwbedrijf. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen Rosenboom en anderen hebben aangevoerd, onder andere dat [partij] zijn landbouwgronden elders heeft en het plan daarom een bouwvlak toekent op een solitair gelegen locatie, geen aanleiding voor het oordeel dat die ontwikkeling een structureel negatief effect heeft op het functioneren van de agrarische sector in het gebied en het plan daarom in strijd is met artikel 3.19 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe.

Provinciaal beleid

5. [ verzoeker] en anderen stellen dat het toevoegen van een bouwvlak van 1 ha in het landelijk gebied niet past binnen de kernwaarde "zorgvuldig ruimtegebruik" zoals die is geformuleerd in paragraaf 4.3 van de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014.

Voorts is in hoofdstuk 6 van deze Omgevingsvisie aangegeven dat de provincie de Drentse agribusiness wil versterken. Vanuit dit perspectief is het volgens hen van belang dat de kavels aan de Strengenweg beschikbaar blijven voor de grondgebonden melkveehouderij.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uitplaatsing van een agrarisch bedrijf vanuit de kern van Borger naar de Strengenweg past binnen het provinciaal beleid. De provincie heeft het perceel op kaart 6 van de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014 aangeduid als landbouwgebied. In die gebieden biedt de provincie volgens de raad maximale speelruimte aan de landbouw.

5.2. Het perceel aan de Strengenweg is gelegen binnen het gebied dat op kaart 6 ("Robuust landbouwsysteem") bij de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014 is weergegeven als "landbouwgebied". In paragraaf 6.1.1 van deze Omgevingsvisie is vermeld dat de landbouw maximale speelruimte wordt geboden in de gebieden die op kaart 6 als landbouwgebied zijn aangeduid. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter niet in dat het toekennen van een bouwvlak aan het agrarische perceel aan de Strengenweg in strijd is met de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014. Dat deze gronden hierdoor niet meer beschikbaar zijn voor de grondgebonden melkveehouderij aan de Strengenweg maakt dit niet anders, nu in de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014 niet is vermeld dat aan deze vorm van landbouw prioriteit moet worden gegeven in gebieden die als landbouwgebied op kaart 6 zijn vermeld. Dat in paragraaf 4.3 van die Omgevingsvisie met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik is vermeld dat grootschalige bouwplannen en uitbreidingen in het landelijk gebied niet vanzelfsprekend zijn, maakt evenmin dat het plan hierom in strijd is met de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014.

Gemeentelijk beleid

6. [ verzoeker] en anderen betogen dat het toevoegen van een bouwvlak van 1 ha in strijd is met de gemeentelijke structuurvisie, nu in paragraaf 5.7.1 is vermeld dat in het kleinschalige landschap op het zand zorgvuldig omgegaan moet worden met het uitbreiden van bouwblokken.

6.1. De raad stelt dat de Strengenweg zich in de tweede helft van de vorige eeuw heeft ontwikkeld als een locatie waar nieuwe agrarische bedrijven zich konden gaan vestigen. Dit is in meerdere bestemmingsplannen planologisch tot uitdrukking gebracht.

6.2. In paragraaf 5.7.1 van de Structuurvisie Borger-Odoorn is het volgende opgenomen:

"Bouwblok

Sommige bedrijven hebben extra uitbreidingsruimte nodig voor bedrijfsgebouwen. In het kleinschalig landschap op het zand moet zorgvuldig omgegaan worden met het uitbreiden van de bouwblokken. Hierbij is altijd sprake van maatwerk. De verscheidenheid aan functies op het zand wordt in acht genomen bij het vergroten van het bouwblok."

6.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter sluit deze paragraaf van de Structuurvisie Borger-Odoorn niet uit dat bouwvlakken worden toegevoegd. De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat het plan in zoverre in strijd is met de Structuurvisie Borger-Odoorn.

Bodem

7. Voor zover [verzoeker] en anderen met verwijzing naar de Woningwet hebben betoogd dat er onderzoek had moeten worden gedaan naar de bodemkwaliteit van het perceel aan de Strengenweg met het oog op de mogelijkheid om op dat perceel een gebouw op te richten waar enige tijd, zijnde 2 uur of langer per dag, mensen verblijven, overweegt de voorzieningenrechter dat de Afdeling deze grond naar verwachting vanwege het relativiteitsvereiste zoals dat is neergelegd in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht buiten bespreking zal laten. De regel waarop [verzoeker] en anderen zich beroepen strekt kennelijk niet tot bescherming van hun belangen.

Luchtkwaliteit

8. [ verzoeker] en anderen stellen dat bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten onrechte is uitgegaan van een worst-casescenario met 10 verkeersbewegingen per dag van en naar het perceel aan de Strengenweg. Volgens [verzoeker] is dit aantal niet representatief. Ten onrechte is uitgegaan van aannames van de initiatiefnemer en is niet gekeken naar de planologische mogelijkheden, die ruimer zijn dan enkel opslag.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan leidt tot 10 verkeersbewegingen per dag. Hiermee wordt volgens de raad ruimschoots voldaan aan het criterium dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

8.2. In paragraaf 4.7 is vermeld dat er in de worst-casebenadering vanuit is gegaan dat de gebouwen (op grond van een schatting van verzoeker) per dag 10 verkeersbewegingen genereren. In de berekening is er daarom vanuit gegaan dat het plan leidt tot 10 verkeersbewegingen.

8.3. Op pagina 18 van de plantoelichting staat een berekening van de invloed van 10 verkeersbewegingen op de luchtkwaliteit. Deze invloed is blijkens die berekening zo gering dat de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft om aan te nemen dat het plan, zelfs als van meer voertuigbewegingen zou moeten worden uitgegaan, in strijd is met artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Voorwaardelijke verplichtingen watercompenserende maatregel en ruimtelijk kwaliteitsplan

9. In hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd over de planregel waarin de voorwaardelijke verplichtingen met betrekking tot de watercompenserende maatregel en het ruimtelijk kwaliteitsplan zijn opgenomen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Totdat de Afdeling uitspraak op het beroep heeft gedaan, zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter als gevolg van deze planregel geen schade of overlast ontstaan die tot het treffen van een voorlopige voorziening noopt. Daarbij is mede van belang dat [partij] ter zitting heeft verklaard dat hij de vereiste bergingssloot reeds voor de bouw van de nieuwe loodsen op het perceel aan de Strengenweg zal graven, omdat hij het daarbij vrijkomende zand wil aanwenden voor die bouw. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [partij] zijn woord gestand doet.

Uitplaatsing bedrijf

10. In hetgeen [verzoeker] en anderen hebben gesteld over het niet verzekerd zijn van de beëindiging van het bedrijf op de oude locatie ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Conclusie

11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Hagen w.g. Lap

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2018

288.