Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
201706241/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:6797, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft de minister van Veiligheid en Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/125
Module Nationaliteitsrecht 2018/884
JV 2018/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706241/1/V6.

Datum uitspraak: 7 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Sint Maarten,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juni 2017 in zaak nr. 16/9588 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft de minister van Veiligheid en Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. I.G. Eggen-te Pas, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Laros, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellante] niet sedert vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek onafgebroken hoofdverblijf in het Koninkrijk heeft gehad, zodat zij niet aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) voldoet.

    Bij de afwijzing van het verzoek heeft de staatssecretaris betrokken dat hoewel [appellante] sedert 5 juni 2002 in het bevolkingsregister van Sint Maarten staat ingeschreven, hem is gebleken dat [appellante] op 10 juli 2013 in het bezit is gesteld van een studievisum (F1) voor de Verenigde Staten van Amerika en zij vanaf 2013 aan de universiteit van Pennsylvania in Philadelphia studeert. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat [appellante] haar hoofdverblijf niet langer binnen het Koninkrijk heeft.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat zij in de vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek geen onafgebroken hoofdverblijf heeft gehad. De rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris voor de uitleg van het begrip hoofdverblijf dient aan te sluiten bij de uitleg van dit begrip in het vreemdelingenrecht en daaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat zij in het buitenland is gaan studeren, niet betekent dat zij haar hoofdverblijf heeft verplaatst. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4048, staat het feit dat een vreemdeling een voltijd opleiding buiten Nederland volgt, op zichzelf niet in de weg aan het aannemen van hoofdverblijf in Nederland, aldus [appellante]. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellante] ter onderbouwing van haar standpunt voorts gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1 van de RWN (Kamerstukken II 1997/98, 25 891, nr. 3, blz. 6).

3.1.    In voormelde vindplaats staat het volgende:

˝Het begrip hoofdverblijf heeft een strikt feitelijke inhoud. Hoofdverblijf is daar waar iemand zijn feitelijke woonstede heeft. Het komt in belangrijke mate overeen met het begrip «woonplaats of werkelijk verblijf» zoals thans in de Rijkswet op het Nederlanderschap opgenomen. Dat begrip is weliswaar ontleend aan het burgerlijk recht, maar heeft voor natuurlijke personen eenzelfde inhoud, althans als voorbijgegaan wordt aan het in het burgerlijk recht bekende deelbegrip «afhankelijke woonplaats». Voor een nadere invulling van het begrip «hoofdverblijf» kan onder meer verwezen worden naar de rechtspraak van de Raad van State, waar dit begrip in het kader van de Nederlandse Vreemdelingenwet, onder meer met betrekking tot artikel 13 van die wet, een verdere uitwerking gekregen heeft.˝

3.2.    Dat in de RWN met het begrip ‘hoofdverblijf’ onder meer is beoogd aan te sluiten bij de terminologie in het vreemdelingenrecht betekent niet dat de vreemdelingenrechtelijke jurisprudentie onverkort van toepassing is op verzoeken om verlening van het Nederlanderschap. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673) is de verlening van het Nederlanderschap wegens de daaraan verbonden gevolgen een zaak van groot gewicht. Juist in het kader van de naturalisatieprocedure wil de staatssecretaris zich enige garantie verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de naturalisandus in het Koninkrijk wil blijven wonen, en eist hij derhalve vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf in het Koninkrijk. Dat betekent dat met de eis van vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf voorafgaande aan het verzoek is beoogd om een bepaalde mate van inburgering te waarborgen, waarbij ook de actuele mate van inburgering van belang is.

3.3.    Voor de toepassing van de RWN is, net als in het vreemdelingenrecht, uitgangspunt bij de bepaling van het hoofdverblijf waar het centrum van de activiteiten ligt. De staatssecretaris heeft in het besluit van 26 oktober 2016 deugdelijk gemotiveerd dat het centrum van de activiteiten van [appellante] in de Verenigde Staten en niet in Sint Maarten ligt, aangezien zij daar voltijds studeert, daar haar slaapplaats heeft en daar onder meer vrijwilligerswerk verricht. Dat deze werkzaamheden onderdeel uitmaken van het studieprogramma, althans dat het ongebruikelijk is dat studenten zonder deze werkervaring afstuderen, laat onverlet dat deze deel uitmaken van haar activiteiten. De rechtbank heeft die omstandigheden terecht bij haar beoordeling betrokken en is vervolgens terecht tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris zich in het kader van het verzoek op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] in ieder geval sedert het begin van haar studie op 10 augustus 2013 geen hoofverblijf meer op Sint Maarten heeft.

3.4.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht geen doorslaggevende betekenis aan voormelde uitspraak van 7 november 2014 heeft toegekend. In die zaak was de mate van inburgering van de betrokkene niet aan de orde en stond het verlies van zijn verblijfsrecht centraal. Het besluit van 26 oktober 2016 heeft evenwel geen gevolgen voor het verblijfsrecht van [appellante].

3.5.    Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in haar stelling in het bezwaarschrift dat zij wegens een gebrek aan studievoorzieningen een studie in de Verenigde Staten volgt en daardoor noodgedwongen Sint Maarten tijdelijk heeft moeten verlaten, geen aanleiding heeft hoeven zien om haar in bezwaar te horen. Van belang is dat zij in bezwaar nog andere omstandigheden naar voren heeft gebracht en voorts heeft de staatssecretaris informatie van onder meer LinkedIn bij zijn beoordeling betrokken, terwijl zij die informatie niet zelf heeft ingebracht, aldus [appellante].

4.1.    [appellante] heeft in hoger beroep niet toegelicht welke andere omstandigheden zij in bezwaar naar voren heeft gebracht die de staatssecretaris tot het horen in bezwaar noopten. Evenmin heeft [appellante] de juistheid van de overige informatie, waaronder op LinkedIn, die de staatssecretaris bij zijn beoordeling heeft betrokken, betwist. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris geen aanleiding heeft hoeven zien om haar in bezwaar te horen, faalt derhalve.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018

501. BIJLAGE

Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN)

Artikel 1

1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. […];

h. hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft.

2. […].

Artikel 8

1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker

   a. […];

   c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het   

       verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of

       Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,

       toelating en hoofdverblijf heeft;

   d. […].

Artikel 10

Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.

Handleiding voor de toepassing van de RWN, toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten

1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h

Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft.

Het begrip 'hoofdverblijf' heeft een strikt feitelijke betekenis. Het hoofdverblijf van een persoon is de plaats waar hij kennelijk geregeld vertoeft, daar waar hij het centrum van zijn activiteiten heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de plaats waar een persoon zijn slaapplaats heeft, waar hij werkelijk woont (met zijn gezin) of waar zijn inboedel zicht bevindt. Er moet sprake zijn van een meer duurzame betrekking tussen een persoon en een plaats. Een verblijf van voorbijgaande aard heeft geen betekenis.

De vraag welke plaats als hoofdverblijf van een persoon moet worden aangemerkt is een feitelijke, die aan de hand van verschillende factoren van feitelijke aard wordt beantwoord. Met de wil van de persoon wordt slechts rekening gehouden, voor zover deze blijkt uit zijn gedragingen. Indicaties voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:

Hoofdverblijf in Curaçao kan worden aangenomen als de vreemdeling is ingeschreven in de PIVA, tenzij er indicaties zijn dat de persoon zijn hoofdverblijf buiten Curaçao heeft verplaatst.

- uitschrijving uit de PIVA;

- de afmelding bij de Belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland;

- mededeling aan de vreemdelingendienst van vertrek naar het buitenland;

- het nemen van ontslag bij de werkgever, of bedrijfsbeëindiging;

- het opzeggen van een bank- of girorekening;

- het laten overmaken van periodieke uitkeringen naar een adres buiten

  Curaçao en Sint Maarten;

- de afkoop van pensioenrechten;

- verkoop van de woning of opzegging van de huur;

- de ontruiming van de woning in een van de eilandgebieden van Curaçao en

  Sint Maarten en het over de grens brengen van de inboedel; en

- het (onder)verhuren aan derden van de woning in een van de

  eilandsgebieden van Curaçao en Sint Maarten.

Deze indicaties zijn niet limitatief. Ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat een persoon zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Als daarentegen een vreemdeling de korpschef er tevoren van in kennis heeft gesteld dat hij tijdelijk, maar niet langer dan negen maanden, in het buitenland beoogt te verblijven, dan is dit een aanwijzing dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Curaçao en Sint Maarten wenst te vestigen.

Vestiging van het hoofdverblijf buiten Curaçao en Sint Maarten wordt in ieder geval aangenomen, indien een persoon:

- meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Curaçao en

  Sint Maarten heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de

  overschrijding van de periode van negen maanden het gevolg is van buiten

  zijn schuld gelegen omstandigheden (te denken valt aan de situatie waarbij

  de persoon kan aantonen dat de overschrijding van die termijn te wijten is

  aan een ziekenhuisopname of een natuurramp); of

- voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan zes achtereenvolgende

  maanden buiten Curaçao en Sint Maarten heeft verbleven, tenzij hij

  aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het

  buitenland is verlegd.

Vestiging van het hoofdverblijf buiten Curaçao en Sint Maarten wordt niet aangenomen op de enkele grond dat een persoon:

- Curaçao en Sint Maarten heeft verlaten voor de vervulling van de militaire

  dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar

  Curaçao en Sint Maarten is teruggekeerd; of

- buiten Curaçao en Sint Maarten is gedetineerd dan wel buiten Curaçao en

  Sint Maarten gedetineerd is geweest en binnen zes maanden na

  beëindiging van de detentie naar Curaçao en Sint Maarten is teruggekeerd.|

Een vreemdeling wordt geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Curaçao of Sint Maarten te hebben gevestigd

- in de periode dat hij arbeid heeft verricht voor een werkgever geregistreerd

  in Curaçao en Sint Maarten die geheel of gedeeltelijk buiten Curaçao en

  Sint Maarten heeft plaatsgevonden (aan boord van een onder Nederlands-

  Antilliaans vlag varend zeeschip (…) of in de internationale luchtvaart en hij

  gedurende die periode in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning

  voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid (dit neemt niet weg dat

  op het moment van verkrijging/verlening van het Nederlanderschap -

  uitzonderingen daargelaten - voldaan moet zijn aan de voorwaarde dat

  betrokkene in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning die niet van -

  tijdelijke aard is;

- indien en zolang hij de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, als

  bedoeld in artikel 17, eerste lid, juncto artikel 2, tweede lid van het

  Reglement Dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar

  een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het

  buitenland (deze vreemdeling behoudt niet alleen zijn hoofdverblijf in

  Curaçao en Sint Maarten, maar behoudt in den regel, mits aan de daarvoor

  gestelde voorwaarden voldaan blijft, tevens zijn verblijfsrecht in Curaçao en

  Sint Maarten). Een vereiste is dat de vreemdeling gedurende de periode van

  de uitzending alsook het verblijf in Curaçao en Sint Maarten heeft

  samengewoond met de echtgenoot/partner.