Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:763

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
201507960/3/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:9840, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft bij besluit van 15 januari 2014 aan [appellante sub 2] de door haar gevraagde omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting voor de productie van plantenextracten en aromacompounds aan de [locatie] te Loosdrecht (hierna: de inrichting) gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507960/3/A1.

Datum uitspraak: 7 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2015 in zaak nr. 14/940 in het geding tussen:

[appellante sub 2]

en

het college.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2284, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 januari 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft het college de voorschriften 12.4.2a en 12.2.1 gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellante sub 2] een zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het college heeft bij besluit van 15 januari 2014 aan [appellante sub 2] de door haar gevraagde omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting voor de productie van plantenextracten en aromacompounds aan de [locatie] te Loosdrecht (hierna: de inrichting) gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd.

2.    In haar tussenuitspraak heeft de Afdeling een zorgvuldigheidsgebrek geconstateerd in het besluit van 15 januari 2014, wat betreft het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 12.4.2a en voor zover het daarbij voorschrift 12.2.1, onder b, niet gewijzigd heeft vastgesteld ten opzichte van de vergunning van 14 september 2010.

3.    Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak op 26 oktober 2017 een nieuw besluit genomen, waarin het de voorschriften 12.4.2a en 12.2.1 gewijzigd heeft vastgesteld. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in verbinding met artikel 6:19 van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

4.    [appellante sub 2] stelt in haar zienswijze dat zij zich kan verenigen met voorschrift 12.4.2a, zoals gewijzigd. Gelet hierop acht de Afdeling het geconstateerde gebrek in zoverre hersteld.

5.    Het college heeft voorschrift 12.2.1 integraal gewijzigd. [appellante sub 2] is het met onderdelen van dit gewijzigde voorschrift niet eens.

5.1.    Het gewijzigde voorschrift 12.2.1 luidt:

"Voorschrift 3.1.3 van de PGS 15:2011 (noodzakelijke werkvoorraad hoeft niet in een daarvoor bestemde opslagvoorziening te worden opgeslagen) wordt voor de onderhavige inrichting als volgt ingevuld:

a. Per gevaarlijke stof mag in de productieruimte ten hoogste één aangebroken verpakkingseenheid plus één reserve aanwezig zijn. Deze werkvoorraad dient strikt noodzakelijk te zijn;

b. Extra verpakkingen van gevaarlijke stoffen dienen te worden opgeslagen in een apart brandcompartiment met een WBDBO van 60 minuten;

c. Reserve-eenheden die gedurende een periode van 7 dagen niet gebruikt worden, worden niet meer beschouwd als werkvoorraad en moeten in een apart brandcompartiment worden opgeslagen;

d. Er dient een registratie te worden bijgehouden waaruit duidelijk blijkt de data waarop de werkvoorraad is gebruikt."

5.2.    [appellante sub 2] betoogt dat het college ten onrechte in voorschrift 12.2.1, onder b en c, niet het voorbehoud heeft opgenomen dat opslag wel plaats mag vinden in de in de inrichting aanwezige open loods.

5.2.1.    Voorschrift 12.2.1 regelt wat er in een productieruimte aan werkvoorraad aanwezig mag zijn en op welke manier extra verpakkingen in die ruimte mogen worden opgeslagen. Het voorschrift ziet niet op de opslag van gevaarlijke stoffen in andere ruimtes binnen de inrichting. Dit blijkt uit de omstandigheid dat voorschrift 12.2.1 invulling geeft aan voorschrift 3.1.3 van PGS 15 (2011), welk voorschrift ziet op de voorraad van verpakte gevaarlijke stoffen in een productieruimte/werkruimte. Dit blijkt verder uit de systematiek van de vergunningvoorschriften, nu voorschrift 12.2.1 valt onder de paragraaf ‘werkvoorraden gevaarlijke stoffen in emballage in productieruimten’. Niet in geschil is dat de door [appellante sub 2] bedoelde open loods geen productieruimte is. Het voorschrift ziet dan ook niet op de open loods. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte niet een voorbehoud wat betreft opslag in de open loods in het voorschrift heeft opgenomen.

    Het betoog faalt.

5.3.    [appellante sub 2] betoogt verder dat in voorschrift 12.2.1, onder c, ten onrechte is bepaald dat reserve-eenheden die langer dan zeven dagen ongebruikt zijn, niet meer als werkvoorraad worden beschouwd en niet langer als zodanig aanwezig mogen zijn. Volgens [appellante sub 2] staat dit een normale productie in de weg en is het voorschrift in zoverre onredelijk bezwarend. [appellante sub 2] voert daartoe aan dat zij gebruikmaakt van grote verpakkingen, waarvan de inhoud zou moeten worden overgeschonken in meerdere kleine verpakkingen om aan het onder c bepaalde te voldoen. Het overschenken van gevaarlijke stoffen brengt volgens [appellante sub 2] meer risico met zich dan de aanwezigheid van een stationaire werkvoorraad. PGS 15 (2011) gaat ervan uit dat een reserveverpakking noodzakelijk is voor de continuïteit van het productieproces en stelt geen eisen aan de maximale tijd dat deze verpakking in de productieruimte aanwezig mag zijn, aldus [appellante sub 2].

5.4.    Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat voorschrift 12.2.1, onder c, onnodig bezwarend is. In de tussenuitspraak van 30 augustus 2017 heeft de Afdeling overwogen dat [appellante sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet kan beoordelen wat, gezien het voorschrift en met het oog op de voortgang van de productie, het juiste moment is om een reserveverpakking aan de werkvoorraad toe te voegen. [appellante sub 2] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die thans tot een andersluidend oordeel moeten leiden.

    Het betoog faalt.

5.5.    [appellante sub 2] betoogt ten slotte dat de in voorschrift 12.2.1, onder d, gestelde registratieplicht geen meerwaarde heeft ten opzichte van de reeds bestaande journaalplicht en dat deze plicht bovendien onuitvoerbaar is. [appellante sub 2] voert aan dat in de inrichting sprake is van verschillende gelijktijdige productieprocessen, binnen welke processen met dezelfde stof kan worden gewerkt. Het is daarom onuitvoerbaar om per stof bij te houden op welke data de werkvoorraad is gebruikt, aldus [appellante sub 2].

5.5.1.    De door [appellante sub 2] bedoelde journaalplicht is neergelegd in voorschrift 1.3.1 en houdt in dat een journaal moet worden bijgehouden van de opslag en/of aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in emballage. Deze journaalplicht komt er dus op neer dat moet worden bijgehouden welke stoffen in een ruimte aanwezig zijn. Het behelst, anders dan is voorgeschreven in voorschrift 12.2.1, onder d, niet de verplichting te registreren wanneer welke verpakking is gebruikt. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het praktisch gezien niet mogelijk is om dit bij te houden. De omstandigheid dat een stof in meerdere werkprocessen gebruikt kan worden, leidt er immers niet toe dat niet kan worden geregistreerd op welke dag die stof is gebruikt.

    Het betoog faalt.

5.6.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid het bij besluit van 26 oktober 2017 gewijzigde voorschrift 12.2.1 aan de omgevingsvergunning heeft mogen verbinden. Het betoog faalt.

6.    Met het besluit van 26 oktober 2017 heeft het college de geconstateerde gebreken hersteld.

7.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de hoger beroepen van [appellante sub 2] en het college gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 15 januari 2014 is vernietigd op andere punten dan ten aanzien van het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 12.4.2a en voor zover het college bij het besluit voorschrift 12.2.1, onder b, niet gewijzigd heeft vastgesteld ten opzichte van de vergunning van 14 september 2010. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust. Het besluit van 9 december 2016 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Bij dit besluit heeft het college niet langer beschermingsniveau 1/1 van hoofdstuk 4 van PGS 15 voorgeschreven. Nu in de tussenuitspraak is overwogen dat het college in redelijkheid beschermingsniveau 1/1 van hoofdstuk 4 voor heeft kunnen schrijven en de uitspraak van de rechtbank in zoverre moet worden vernietigd, is de grondslag aan het besluit van 9 december 2016 komen te vervallen. Het besluit dient reeds daarom te worden vernietigd. Het beroep van rechtswege van [appellante sub 2] tegen het besluit van 26 oktober 2017 dient ongegrond te worden verklaard.

    Het voorgaande komt erop neer dat het besluit van 15 januari 2014 in stand blijft, met uitzondering van het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 12.4.2a. Het besluit van 26 oktober 2017 blijft eveneens in stand, zodat de daarbij vastgestelde voorschriften 12.4.2a en 12.2.1 aan de omgevingsvergunning zijn verbonden.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    De Afdeling zal het college onder meer veroordelen in de proceskosten van de gemaakte deskundigenrapporten. Uit de door [appellante sub 2] overgelegde facturen blijkt dat Floriaan B.V. een uurtarief van € 128,50 exclusief omzetbelasting in rekening heeft gebracht en BMD Advies een uurtarief van € 110,00 exclusief omzetbelasting. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in samenhang gelezen met artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: het Besluit), geldt voor de vergoeding van de gemaakte kosten voor een deskundigenrapport een tarief van ten hoogste € 121,95 per uur. Dit betekent dat ten behoeve van de door Floriaan B.V. gedeclareerde kosten € 121,95 per uur wordt vergoed en ten behoeve van de door BMD Advies gedeclareerde kosten € 110,00 per uur. Deze bedragen worden vermeerderd met de ingevolge artikel 15 van het Besluit verschuldigde omzetbelasting.

    De door BMD Advies in rekening gebrachte kosten voor het opstellen van de reacties op het concept herstelbesluit van 13 juni 2016 en 8 november 2016 komen niet voor vergoeding in aanmerking, vanwege het juridische karakter van deze reacties. Kosten gemaakt voor het laten beoordelen en becommentariëren van het herstelbesluit zijn kosten die moeten worden geacht te zijn begrepen in de kosten voor het door een derde verlenen van beroepsmatige rechtsbijstand. Deze komen derhalve niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.

    [appellante sub 2] heeft verder verzocht om vergoeding van verletkosten van de door haar meegebrachte deskundigen drs. R. Schut en ing. N. Meulenberg. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef onder d, van het Besluit, wordt hiervoor een bedrag vergoed van € 121,95 per uur. Dit bedrag wordt vermeerderd met de ingevolge artikel 15 van het Besluit verschuldigde omzetbelasting.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen van [appellante sub 2] en het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2015 in zaak nr. 14/940, voor zover daarbij het besluit van 15 januari 2014 is vernietigd op andere punten dan ten aanzien van voorschrift 12.4.2a en voor zover het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren daarbij heeft nagelaten voorschrift 12.2.1, onder b, te wijzigen ten opzichte van de vergunning van 14 september 2010;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    vernietigt het besluit van 9 december 2016, kenmerk 161208/CER/kbe-001;

V.    verklaart het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van 26 oktober 2017 ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 9.925,49 (zegge: negenduizend negenhonderdvijfentwintig euro en negenenveertig cent), waarvan € 1.002,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 8.923,49 kosten van deskundigen betreft; dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren aan [appellante sub 2] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Van Heusden

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018

163-811.