Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
201702533/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2015 heeft het college een aanvraag van [appellant] om afgifte van een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702533/1/A3.

Datum uitspraak: 7 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2017 in zaak nr. 16/3084 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2015 heeft het college een aanvraag van [appellant] om afgifte van een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 24 maart 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Hamdach, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont zonder zijn kinderen en partner in een driekamerwoning op de tweede etage zonder lift. Vanwege nek- en rugklachten, waardoor [appellant] problemen heeft met traplopen, heeft hij op 6 augustus 2015 het college verzocht om afgifte van een urgentieverklaring voor een benedenwoning. Het college heeft de urgentieverklaring niet afgegeven omdat de arts van de GGD bij adviezen van 4 december 2015 en 8 maart 2016 tot de conclusie is gekomen dat de problematiek van [appellant] niet van levensbedreigende of levensontwrichtende aard is. Na het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college zijn standpunt gehandhaafd en heeft het daaraan toegevoegd dat de klachten van hem in beginsel behandelbaar zijn en geen grond vormen voor een urgentieverklaring. Bovendien staat [appellant] volgens het college al negen jaar ingeschreven bij WoningNet zodat het voor hem mogelijk is om, met weliswaar meer kans in de regio Amsterdam, een geschikte woning te vinden.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet dakloos is en dat niet is gebleken dat hij niet in staat is zelfstandig naar een andere woning te zoeken. Om deze reden is volgens de rechtbank geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem zodat een absolute weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de verordening) in de weg staat aan het afgeven van de urgentieverklaring. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid heeft mogen stellen dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om in het kader van de hardheidsclausule de urgentieverklaring af te geven. Dat de huisarts van [appellant] schrijft dat het een uitkomst zal zijn als hij een benedenwoning krijgt, heeft het college volgens de rechtbank in redelijkheid onvoldoende mogen achten om te spreken van een schrijnende situatie. De stelling van [appellant] dat aan hem op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) op basis van dezelfde medische informatie een vergoeding in de verhuis- en inrichtingskosten is toegekend, heeft de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis geacht, omdat de toekenning hiervan op basis van een ander toetsingskader geschiedt en niet is onderbouwd met stukken.

Het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat hij in aanmerking komt voor een urgentieverklaring op basis van de aanwezigheid van een ernstig medisch probleem. Als gevolg van zijn klachten kan hij geen trap meer lopen en zit hij in feite gevangen in zijn eigen huis waardoor een woning op de begane grond nodig is, aldus [appellant]. Deze klachten worden volgens [appellant] bevestigd door zijn neuroloog en huisarts. De huisarts heeft in een brief van 26 februari 2016 namelijk gezegd dat het een uitkomst voor hem zou zijn als hij in een benedenwoning of een woning met lift zou kunnen wonen. Volgens [appellant] komt hij via de gewone procedure nog altijd niet op een kansrijke positie voor een dergelijk huis. Voorts komt [appellant] op grond van de Wmo wel in aanmerking voor een vergoeding van de verhuis- en inrichtingskosten naar een woning op de begane grond. [appellant] betoogt dat de rechtbank derhalve onterecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van een medische noodzaak en hij niet in een schrijnende situatie verkeert. Volgens [appellant] voldoet hij aan de voorwaarden die worden gesteld in de verordening en de Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2016 (hierna: de beleidsregels).

Wettelijk kader

4.    Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

5.    Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd gesteld dat zijn hoger beroep ziet op het oordeel van de rechtbank over de toepassing van de hardheidsclausule.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen grond aanwezig is om met toepassing van de hardheidsclausule tot afgifte van de verzochte urgentieverklaring over te gaan. Zoals ter zitting nader is toegelicht, is de sociale woningvoorraad in Amsterdam zeer beperkt, en nog beperkter als het gaat om een benedenwoning of een woning met lift. Het aantal woningenzoekenden is daarentegen groot, zodat de duur die personen moeten wachten op een beschikbare woning lang is. Een verzoek om voorrang wordt om die reden alleen onder zeer strikte omstandigheden toegekend, omdat dit betekent dat voorrang wordt gegeven op andere woningzoekenden. Het verstrekken van urgentie is daarom alleen bedoeld voor een noodsituatie op woongebied. Het gaat daarbij om gezinnen met kinderen die door overmacht dakloos zijn of dreigen te worden en op woningzoekenden met ernstige medische problemen. Bovendien moet het huishouden niet in staat zijn het dringende woningprobleem door ernstige medische redenen zelf op te lossen. De hardheidsclausule wordt alleen toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van urgentie leidt tot een schrijnende situatie.

    Het college heeft het verzoek van [appellant] in het kader van toepassing van de hardheidsclausule ter beoordeling voorgelegd aan de GGD-arts. Deze heeft de beschikbare medische informatie beoordeeld in het advies van 4 december 2015 en geconcludeerd dat een urgentieverklaring op medische gronden niet kan worden verantwoord. Naar aanleiding van het bezwaar van [appellant] waarin hij de brief van de huisarts heeft overgelegd heeft het college nogmaals advies gevraagd aan de GGD-arts. In dit advies van 8 maart 2016 is opnieuw de beschikbare medische informatie beoordeeld en is geconcludeerd dat geen grond bestaat tot een andere conclusie te komen.  Er bestaat geen aanleiding om dit advies niet voldoende inzichtelijk te achten. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college heeft kunnen overwegen dat in het geval van [appellant] weigering van urgentie niet leidt tot een schrijnende situatie zoals bedoeld in het beleid. Dat [appellant] op grond van de Wmo wel een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten krijgt als hij gaat verhuizen naar een woning op de begane grond of bereikbaar met lift, heeft de rechtbank bij de beoordeling van het besluit op de in de uitspraak weergegeven gronden niet van belang hoeven achten.

    Ter zitting is met betrekking tot het betoog van [appellant] over zijn kansen in de gewone procedure voor woningen door het college gesteld dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat [appellant] in 2015 eenmalig en in 2016 niet op woningen heeft gereageerd. Het college heeft daarom geadviseerd aan [appellant] om op woningen te gaan reageren omdat hij gelet op zijn lange inschrijvingsduur bij Woningnet in staat moet worden geacht geschikte woonruimte te vinden, hoewel hij daarbij meer kans maakt in de regio Amsterdam. Dit geldt volgens het college ook als het systeem van Woningnet aangeeft dat hij weinig kans maakt op toekenning van de betrokken woning omdat niet alle personen die reageren uiteindelijk de betrokken woning accepteren.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018

317-857. BIJLAGE

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (Gemeenteblad 2015, afd. 3, nr. 1369)

Artikel 2.6.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

[…]

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;

[…]

Artikel 2.6.8 Overige regionale urgentiecategorieën

1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:

[…]

b. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.6.7 bedoelde urgentiecategorie;

[…]

Artikel 2.6.11 Hardheidsclausule

1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

[…]

Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2016

2.2. Uitwerking algemene weigeringsgronden

[…]

b. Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem

Er is sprake van een urgent huisvestingsprobleem als het huishouden van aanvrager dakloos is of zeer binnenkort dakloos zal worden. Met dakloosheid wordt gelijkgesteld de situatie waarin het huishouden van de aanvrager naar het oordeel van burgemeester en wethouders als gevolg van een probleem met de huisvesting redelijkerwijs geacht wordt geen gebruik te kunnen maken van de tot dan toe bewoonde woning. De volgende situaties zijn in ieder geval geen op zichzelf staand urgent huisvestingsprobleem:

•    De huidige woning verkeert in slechte staat.

•    Het huishouden van aanvrager is te klein of te groot behuisd.

•    De aanvrager is als gevolg van medische klachten niet meer in staat om de huidige woning of de daarbij behorende tuin zelf te onderhouden.

•    De aanvrager wil of moet vanwege zijn werk naar de regio verhuizen.

•    De aanvrager woont op dit moment bij een ander huishouden in.

•    De aanvrager gaat scheiden of is gescheiden maar bewoont nog met de (ex-)partner één woning.

•    De aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten.

•    De aanvrager bewoont thans woonruimte op grond van een tijdelijke huurovereenkomst die binnenkort afloopt of bewoonde woonruimte op grond van een inmiddels afgelopen tijdelijke huurovereenkomst.

3.3.2. Sociaal-medische urgentie

3.3.2.1. Inleiding

Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring om medische en/of sociale redenen zoals bedoeld in artikel 2.6.8 lid 1 aanhef en onder b van de verordening, moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

1. Er is op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake van een levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting; van levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing;

2. De aanvrager dient zelf zijn levensontwrichtende woonsituatie aan te tonen en te zorgen voor bewijsmateriaal. Tot levensontwrichtende woonsituaties worden gerekend:

I. ernstige medische redenen;

II. dakloosheid met de zorg voor minderjarige kinderen;

III. geweld of bedreiging.

3. En de aanvrager is financieel in staat om een zelfstandig huishouden te voeren. Voor de eventueel aanwezige schulden heeft de aanvrager een zodanige sanering geregeld dat een financieel zelfstandig huishouden mogelijk is;

4. De aanvrager is in staat om zelfstandig te kunnen wonen.

Voor het overige zijn ook de in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.

3.3.2.2. Ernstige medische redenen

Onder medische redenen waarom iemand dringend woonruimte nodig heeft wordt een woonsituatie verstaan die om medische redenen levensontwrichtend is voor één of meer leden van het huishouden. Het huishouden is niet in staat het dringende woonprobleem door ernstige medische redenen zelf op te lossen.

In ieder geval wordt geen urgentieverklaring verleend:

•    als er sprake is van (psychische) problemen als gevolg van de slechte inwoonsituatie, echtscheiding of te klein wonen;

•    als de belanghebbende deze aanvraagt vanwege een lichamelijke aandoening en/of een psychische stoornis tenzij kan worden aangetoond dat de betreffende aandoening en/of stoornis chronisch is en overwegend wordt veroorzaakt door de woonsituatie, dan wel dat de behandeling van de aandoening/stoornis in hoge mate ongunstig wordt beïnvloed door de woonsituatie. Dat laatste moet blijken uit een schrijven van professionele medische, psychiatrische en/of sociale hulpverleners, waarin de betreffende aandoening of stoornis wordt benoemd, die een relatie heeft met het woon-probleem van betrokkene.

[…]

Voor het overige zijn ook de in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.