Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
201608725/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college naar aanleiding van de aanvraag van [belanghebbende] voor het vergroten van het woonhuis met een aanbouw en het uitbreiden van een kelder op het perceel [locatie 1] te Hilversum (hierna: het perceel) omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7870
JBO 2018/91 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608725/1/A1.

Datum uitspraak: 7 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend te Hilversum,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college naar aanleiding van de aanvraag van [belanghebbende] voor het vergroten van het woonhuis met een aanbouw en het uitbreiden van een kelder op het perceel [locatie 1] te Hilversum (hierna: het perceel) omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan.

Bij besluit van 13 oktober 2016 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 24 april 2012 en daarbij het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Het college heeft besloten of af te wijken van het bestemmingsplan voor de uitbreiding van de kelder en de omgevingsvergunning van 24 april 2012 voor het overige in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[belanghebbende] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J. Scholten, advocaat te Utrecht, en dr. ir. N.P.M. Scholten, deskundige, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Kovacsek, S.C. Benschop en M. Snel, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [belanghebbende], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont op het perceel [locatie 2] te Hilversum. [belanghebbende] woont op het perceel [locatie 1] te Hilversum. Hun woningen grenzen aan elkaar. Het college heeft [belanghebbende] bij besluit van 14 maart 2011 een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een kelder op het perceel. Deze omgevingsvergunning is onherroepelijk. Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van deze kelder. Bij besluit van 7 november 2014 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar en het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Het besluit van 7 november 2014 is door de Afdeling bij uitspraak van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2351, vernietigd waarbij de Afdeling heeft bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. In het besluit van 13 oktober 2016 heeft het college opnieuw beslist op de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van 24 april 2012. [appellant] is het niet met eens met het besluit van 13 oktober 2016. Volgens hem is gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en voldoet het gebouwde niet aan de eisen van het Bouwbesluit.

De uitspraak van 31 augustus 2016

2.    Voor zover [belanghebbende] de Afdeling in zijn verweerschrift heeft verzocht om terug te komen op de uitspraak van 31 augustus 2016 omdat daarin de aan de Spechtstraat gelegen gevel van zijn woning als voorgevel is aangemerkt en hij daardoor niet beschikt over een achtererfgebied, wordt als volgt overwogen. De uitspaak van 31 augustus 2016 is onherroepelijk. Daargelaten dat [belanghebbende] geen verzoek om herziening van de uitspraak van 31 oktober 2016 heeft ingediend, geldt dat het in die zaak aan de orde zijnde geschil over de voorgevel betrekking had op de vraag of voor de aanbouw een omgevingsvergunning nodig was. In de onderhavige procedure heeft [appellant] geen beroepsgronden geformuleerd ten aanzien van de aanbouw. Reeds hierom bestaat geen aanleiding om in deze procedure terug te komen op de uitspraak van 31 oktober 2016.

Omvang van het geding

3.    In de onderhavige procedure ligt de rechtmatigheid van het besluit van 13 oktober 2016 ter beoordeling voor. Dat besluit is genomen naar aanleiding van de reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016 waarin het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 november 2015 in zaak nr. 14/7664 gegrond is verklaard, die uitspraak is vernietigd, het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond is verklaard en is bepaald dat tegen een nieuw besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Voor zover [appellant] in zijn beroepschrift gronden heeft geformuleerd die zich richten tegen de overwegingen van de rechtbank in de vernietigde uitspraak 12 november 2015 geldt dat de gronden in de onderhavige zaak niet aan de orde kunnen komen.

Bespreking van de beroepsgronden

4.    [appellant] betoogt dat het college niet heeft onderkend dat de vergunde uitbreiding van de kelder zowel dient te voldoen aan voorschriften van het Bouwbesluit 2003 als aan voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan moet worden getoetst aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit 2003, maar ook aan de verbouweisen van het Bouwbesluit 2012. Ondanks dat het Bouwbesluit nog niet in werking was getreden ten tijde van het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning, kan hij zich mede beroepen op het Bouwbesluit 2012, omdat de inhoud daarvan ten tijde van het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning reeds bekend was en voorts vaststond op welke datum het in werking zou treden, aldus Beusekom.

4.1.     Artikel 9.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 luidt:

"1. Op een aanvraag om vergunning voor het bouwen, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing over een dergelijke aanvraag, blijven de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, paragraaf 2 van het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels, de bouwverordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet en de daarop berustende bepalingen van toepassing, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend."

4.2.    Niet in geschil is dat de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend voor de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 op 1 april 2012. Ingevolge artikel 9.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is om die reden het Bouwbesluit 2003 van toepassing. De tekst van dit artikel noch de jurisprudentie biedt aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] dat eveneens aan het Bouwbesluit 2012 had moeten worden getoetst.

5.    [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat aannemelijk is dat de uitbreiding van de kelder voldoet aan de normen van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit). Daartoe voert hij aan dat het college niet heeft onderkend dat de bouwconstructie van de uitbreiding van de kelder slechts kan worden beoordeeld als de gehele bouwconstructie van de kelder wordt beoordeeld en dat de bestaande constructie niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Hij voert voorts aan dat de aanvraag om omgevingsvergunning geen constructieve onderbouwing van de kelderwanden en de fundering bevat en dat de overgelegde berekeningen geen relatie hebben met de uitbreiding van de kelder.

5.1.    In het besluit van 24 april 2012, dat in het besluit van 13 oktober 2016 in zoverre in stand is gelaten, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de uitbreiding van de kelder voldoet aan het Bouwbesluit. Ter onderbouwing van dit standpunt en in reactie op diverse memoranda van de door [appellant] ingeschakelde deskundige heeft het college in een brief van 11 april 2016 geconcludeerd dat de toets aan het Bouwbesluit op de juiste wijze is verricht en dat het bouwplan voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit. Daarbij verwijst het onder meer naar een bij die brief gevoegd deskundigenrapporten van CU Enginering alsmede naar een reactie van een gemeentelijke constructeur, de heer Benschop. Op pagina 13 van het rapport van CU Engineering wordt geconcludeerd: "Dus: muur voldoet; randvoorwaarde is dat wapeningsstaal voldoende geconserveerd is. Let wel: de capaciteit wordt met name uit de wapening gehaald." Voorts wordt in het rapport ten aanzien van de fundering geconcludeerd dat aannemelijk is dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan.

5.2.    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens aannemelijk maken dat de uitbreiding van de kelder voldoet aan het Bouwbesluit. Daarbij is van belang dat de stelling van [appellant] dat de uitbreiding van de kelder niet voldoet aan het Bouwbesluit voor een belangrijk deel is gebaseerd op de stelling dat de uitbreiding zijn sterkte mede ontleend aan de bestaande muur van de kelder en dat deze muur ten onrechte niet is voorzien van een wapeningsnet. Het college heeft ter zitting van de Afdeling verklaard dat inderdaad is geconstateerd dat de muur van de kelder, in afwijking van de bij besluit van 14 maart 2011 verleende omgevingsvergunning, niet was voorzien van een wapeningsnet. Volgens het college is dat gebrek hersteld, omdat [belanghebbende] voor de ongewapende wand een voorzetmuur heeft geplaatst met daarachter een wapeningsnet, waarna de ruimte tussen de voorzetmuur en de ongewapende kelderwand is volgestort met beton. Volgens het college is de aangepaste kelderwand stevig genoeg om de uitbreiding mede te dragen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Dat de ongewapende kelderwand volgens [appellant] reeds is vervormd voordat de wapening is aangebracht en dat de werking van het wapeningsnet daardoor mogelijk is veranderd, is niet aannemelijk gemaakt. Dat de wand van de kelder lek is en dat de wapening als gevolg daarvan op termijn kan doorroesten, is evenmin aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij de inspectie van de kelder in februari 2016 is geconstateerd dat de kelder opvallend droog is en er geen lekkages zijn en [belanghebbende] bovendien ter zitting van de Afdeling heeft betwist dat de wand van de kelder lek is en heeft verklaard dat de kelderwand is geïnjecteerd om wateroverlast te voorkomen.

Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de in door het college gehanteerde berekeningen onvoldoende rekening is gehouden met het gewicht van de vloer dat op de funderingsvoet rust, wordt als volgt overwogen. Het college heeft ter zitting van de Afdeling toegelicht dat het in zijn berekeningen heeft verwerkt dat de vloer voor een belangrijk deel rust op het daaronder aanwezige stevige zandbodem. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college dat niet heeft mogen doen. De stelling van [appellant] dat de vloer veel stijver is dan het zand en dat om die reden uit het zand geen sterkte kan worden gehaald, zodat met de aanwezigheid van het zand geen rekening kan worden gehouden, is niet onderbouwd en wordt om die reden niet gevolgd.

Het betoog faalt.

6.    Voor zover [appellant] in zijn beroepschrift heeft betoogd dat de uitbreiding van de kelder anders is uitgevoerd dan vergund en dat het gebouwde niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit, kunnen deze betogen in de onderhavige zaak, die betrekking heeft op de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning niet aan de orde komen. Dat betreft een kwestie van handhaving en in deze procedure ligt geen besluit op een verzoek om handhavend optreden ter beoordeling voor.

Conclusie

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Duifhuizen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018

724.