Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
201700717/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:9980, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2013 heeft het college geweigerd een op 2 augustus 2005 verleende bouwvergunning voor het oprichten van een windturbine op het perceel [locatie 1] te Sint Maartensbrug in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/218
Module Ruimtelijke ordening 2018/7937
JM 2018/68 met annotatie van J. Molenaar en B. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700717/1/A1.

Datum uitspraak: 7 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Sint Maartensbrug, gemeente Schagen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2016 in zaak nr. 15/3239 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schagen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2013 heeft het college geweigerd een op 2 augustus 2005 verleende bouwvergunning voor het oprichten van een windturbine op het perceel [locatie 1] te Sint Maartensbrug in te trekken.

Bij besluit van 24 maart 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Het heeft het besluit van 20 december 2013 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 13 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M. Moraal, zijn verschenen. Ter zitting is tevens gehoord [belanghebbende].

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een windturbine op het perceel.

    [appellante] woont op het perceel [locatie 2]. Haar perceel ligt op een afstand van ongeveer 300 m van de locatie van de in 2005 vergunde windturbine. Zij heeft het college verzocht de in 2005 verleende bouwvergunning voor de windturbine in te trekken. Het college heeft dit geweigerd. [appellante] kan zich hiermee niet verenigen.

Beoordeling hoger beroep

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bij besluit van 2 augustus 2005 verleende bouwvergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend en het college deze vergunning daarom had moeten intrekken. Zij voert daartoe aan dat de in 2005 vergunde windturbine de in 1995 gebouwde turbine zou vervangen. Deze in 1995 vergunde windturbine is evenwel buiten het bouwvlak gebouwd. Nu de in 2005 vergunde windturbine op dezelfde locatie zou worden gebouwd als de bestaande windturbine, zou deze dus buiten het bouwvlak worden gebouwd. Bij de aanvraag is evenwel vermeld dat de windturbine binnen het bouwvlak zou worden gebouwd en daarvoor is ook de vergunning verleend, aldus [appellante].

2.1.    Artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt:

"Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend."

2.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in 1995 een aanvraag om bouwvergunning is ingediend voor het oprichten van een windturbine op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1989" de bestemming "Agrarische bebouwingsvakken Ab" rustte, op welke gronden het oprichten van een windturbine was toegestaan. De aangevraagde vergunning is overeenkomstig deze aanvraag verleend. Verder blijkt dat in 2004 een aanvraag om bouwvergunning is ingediend voor het oprichten van een windturbine op dezelfde locatie als de in 1995 aangevraagde en vergunde windturbine. Ter plaatse gold ingevolge het toen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" de bestemming "Agrarische bebouwingsvakken Ab", die het oprichten van een windturbine toestond. Bij besluit van 2 augustus 2005 is de gevraagde bouwvergunning verleend. Dat, naar [appellante] aanvoert, de windturbine waarvoor in 1995 bouwvergunning is verleend, mogelijk in afwijking van de vergunning niet op gronden met de bestemming "Agrarische bebouwingsvakken Ab" is opgericht, betekent dat destijds wellicht een handhavingsprocedure had kunnen worden gestart, maar leidt niet tot het oordeel dat bij besluit van 2 augustus 2005 een bouwvergunning is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college in zoverre niet bevoegd was de bouwvergunning op die grond in te trekken.

    Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren de bouwvergunning op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo in te trekken. Zij voert daartoe aan dat het college bij de beoordeling van het verzoek om intrekking van de vergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met de negatieve gevolgen die de windturbine met zich mee brengt. Zij wijst in dit verband op de geluidsoverlast door de windturbine en de waardedaling van haar woning. Zij wijst er verder op dat het gemeentelijk en provinciaal beleid gewijzigd is en solitaire windturbines niet langer worden toegestaan.

3.1.    Artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo luidt:

"Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning."

3.2.    [belanghebbende] heeft, nadat hem in 2005 een bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een windturbine, een ander type windturbine gebouwd op een andere locatie dan waarvoor de vrijstelling en bouwvergunning is verleend. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:8 en ECLI:NL:RVS:2015:20, en door partijen in hoger beroep niet wordt bestreden, moet het ervoor worden gehouden dat van de op 2 augustus 2005 verleende bouwvergunning geen gebruik is gemaakt.

    Het college was daarom bevoegd om op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo de vergunning in te trekken. In geschil is of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik te maken.

3.3.    Het college heeft geweigerd de bij besluit van 2 augustus 2005 verleende bouwvergunning in te trekken. Over het belang van [appellante] bij intrekking van de vergunning heeft het college aangegeven dat zij om intrekking van de vergunning vraagt, omdat zij overlast van de windturbine ondervindt. Volgens het college vormt die overlast evenwel geen reden om tot intrekking over te gaan, nu overlast werd ondervonden van een ander type windturbine op een andere locatie dan van de windturbine waarvoor in 2005 vergunning is verleend. Het college heeft het belang van [belanghebbende] bij behoud van de vergunning zwaarder laten wegen dan het belang van [appellante]. Het college heeft er in dit verband op gewezen dat [belanghebbende] een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning heeft ingediend voor het oprichten van een windturbine op de locatie waarop de vergunning uit 2005 betrekking had. Volgens het college geven de planregels uit het thans geldende bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe" er blijk van dat de bestaande vergunning uit 2005 van belang kan zijn voor het oordeel over de nieuw ingediende aanvraag, zodat die vergunning uit 2005 niet kan worden ingetrokken. Het belang van [belanghebbende] bij het behoud van de in 2005 verleende vergunning weegt daarom zwaarder dan het belang van [appellante]. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat indien de nieuwe aanvraag niet gehonoreerd zal worden, [belanghebbende] nog gebruik kan maken van de in 2005 verleende vergunning. Ook in zoverre heeft [belanghebbende] dus nog een belang bij het behoud van de in 2005 verleende vergunning.

3.4.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college bij besluit van 3 juni 2015 omgevingsvergunning heeft verleend voor het oprichten van een windturbine op het perceel. Bij besluit van 4 december 2015 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 april 2017 heeft de rechtbank het beroep van onder meer [appellante] daartegen gegrond verklaard, het besluit van 4 december 2015 vernietigd en het besluit van 3 juni 2015 herroepen. Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk.

3.5.    Naar aanleiding van de uitspraak van 5 april 2017 heeft het college bij brief van 17 januari 2018 de Afdeling laten weten zijn standpunt dat de in 2005 verleende bouwvergunning van groot belang is voor de in 2015 aangevraagde omgevingsvergunning en het om die reden aanleiding ziet de bouwvergunning niet in te trekken, te laten vallen. Dit laat, zoals het college ter zitting van de Afdeling heeft opgemerkt, echter onverlet dat [belanghebbende] nog steeds gebruik kan maken van de verleende vergunning, hetgeen reden vormt die vergunning niet in te trekken.

Het college heeft in zijn brief van 17 januari 2018 voorts opgemerkt dat [belanghebbende] op 10 augustus 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend voor het realiseren van een zonneweide op het perceel. Tegen de bij besluit van 9 oktober 2017 verleende omgevingsvergunning is bezwaar gemaakt. Het college wil deze procedure afwachten. Indien de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt, zal [belanghebbende] verzoeken de bij besluit van 2 augustus 2005 verleende bouwvergunning in te trekken. Indien de omgevingsvergunning alsnog wordt herroepen, moet [belanghebbende] volgens het college de mogelijkheid houden om de vergunde windturbine alsnog op te richten.

3.6.    Het college heeft aldus uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het zijn standpunt over het belang van de bij besluit van 2 augustus 2005 verleende vergunning voor de in 2015 ingediende aanvraag laat vallen. Dit betekent dat thans de enige grond voor het niet intrekken van de in 2005 verleende vergunning is, dat het belang van [belanghebbende] bij behoud van die vergunning zwaarder weegt dan het belang van [appellante] bij intrekking van die vergunning, omdat [belanghebbende] nog uitvoering kan geven aan de vergunning. Met het enkele argument dat nog van de vergunning gebruik kan worden gemaakt, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling echter onvoldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat gebruik te maken van de bevoegdheid tot intrekking van de vergunning.

    Voor zover het college in hoger beroep heeft gewezen op de procedure inzake de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning voor een zonneweide overweegt de Afdeling dat, anders dan voor verlening van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een windturbine op het perceel, het bestaan van de vergunning uit 2005 geen vereiste is om de gevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonneweide te verlenen. Het college heeft hiermee derhalve in hoger beroep niet alsnog voldoende gemotiveerd waarom het geen gebruik wenst te maken van zijn bevoegdheid de vergunning in te trekken.

    Het betoog slaagt. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep tegen het besluit van 24 maart 2015 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.

5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2016 in zaak nr. 15/3239;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schagen van 24 maart 2015, kenmerk 15.012122;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Schagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 417,00 (zegge: vierhonderdzeventien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018

473.