Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
201703124/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 26 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en geweigerd hen krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) uitstel van vertrek te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703124/1/V2.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 april 2017 in zaken nrs. NL16.1924 en NL16.1926 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] (hierna: de vreemdeling), mede voor zijn minderjarige kind, en [vreemdeling 2] (allen tezamen: de vreemdelingen)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluiten van 26 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en geweigerd hen krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) uitstel van vertrek te verlenen.

Bij uitspraak van 4 april 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Gavami, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Aan hun asielaanvragen hebben de vreemdelingen ten grondslag gelegd dat de vreemdeling in Afghanistan werkzaam is geweest als vertaler voor de BBC en dat hij als gevolg daarvan is bedreigd, ontvoerd en ernstig mishandeld. Als gevolg van die mishandeling is hij opgenomen in het ziekenhuis. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis heeft de vreemdeling een dreigbrief ontvangen, waarop hij is gevlucht. In hoger beroep is aan de orde of de staatssecretaris zijn standpunt dat dit asielrelaas ongeloofwaardig is, deugdelijk heeft gemotiveerd.

1.1.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris in beroep heeft erkend dat hij de aanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Daarom heeft zij de besluiten van 26 juli 2016 vernietigd. Zij heeft geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van die besluiten in stand te laten, omdat de staatssecretaris zijn standpunt dat het asielrelaas van de vreemdelingen ongeloofwaardig is, niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.    In zijn tweede tot en met vierde grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn standpunt dat het asielrelaas niet geloofwaardig is, niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.1.    Naar aanleiding van de door de vreemdeling in zijn nader gehoor afgelegde verklaringen heeft de staatssecretaris - met toestemming van de vreemdeling - de BBC in Kabul verzocht schriftelijk inlichtingen te verstrekken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bevindt de brief met de vraagstelling van de staatssecretaris zich in het procesdossier. In de reactie van de BBC van 13 oktober 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling in Afghanistan werkzaam is geweest als vertaler. De staatssecretaris wijst er echter terecht op dat in die reactie ook staat dat bij de BBC niet bekend is dat de vreemdeling bij de teammanager melding heeft gemaakt van de bedreiging, terwijl bedreigingen van medewerkers of freelancers die verband houden met het werk voor de BBC behoren te worden gemeld bij het 'High Risk Team'. Nu daarom voor de hand ligt dat de BBC op de hoogte zou zijn van die gestelde mishandeling acht de staatssecretaris het niet ten onrechte niet aannemelijk dat deze heeft plaatsgevonden. De door de vreemdeling gegeven verklaring, dat het gesprek met zijn supervisor op persoonlijke titel plaatsvond en dus geen officieel karakter had, maakt niet aannemelijk dat in weerwil van de gebruikelijke gang van zaken geen melding zou zijn gemaakt bij het 'High Risk Team'.

2.2.    Voorts heeft de vreemdeling, ter staving van zijn betoog dat hij is ontvoerd en vervolgens ernstig mishandeld, een bewijs van opname in een kliniek overgelegd. De staatssecretaris wijst er terecht op dat in dit stuk staat dat de vreemdeling in het ziekenhuis is opgenomen wegens 'RTA' (road traffic accident), hetgeen niet strookt met de door de vreemdeling gestelde opname wegens een ernstige mishandeling. Aan de in dat verband overgelegde e-mail van, naar gesteld, diezelfde behandelend arts heeft de staatssecretaris niet ten onrechte minder gewicht toegekend, omdat niet is vast te stellen wie de afzender van dat bericht is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het onder deze omstandigheden niet aan de staatssecretaris, maar aan de vreemdeling om de afzender van die e-mail aannemelijk te maken. Voorts is tijdens de procedure bij de rechtbank komen vast te staan dat de dreigbrief, anders dan waarvan de staatssecretaris eerder uitging, is gedateerd op 16 maart 2014. De staatssecretaris merkt in zijn grief echter terecht op dat de vreemdeling bij herhaling heeft verklaard de dreigbrief op 15 maart 2014 te hebben ontvangen en dat hij voor dit verschil in datum geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Ten slotte wijst de staatssecretaris er terecht op dat de vreemdeling niet heeft toegelicht hoe hij de dreigbrief alsnog heeft ontvangen, hetgeen wel van hem mocht worden verwacht nu hij aanvankelijk verklaarde dat hij deze niet durfde mee te nemen.

2.3.    De staatssecretaris klaagt derhalve terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat het asielrelaas ongeloofwaardig is.

2.4.    De tweede tot en met vierde grief slaagt.

3.    In zijn eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank het geschil ten onrechte niet finaal heeft beslecht en heeft nagelaten te motiveren waarom zij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

3.1.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2999, overwogen dat in de omstandigheid dat een aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen, aanleiding bestaat een besluit te vernietigen en te bezien of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb kan worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daaruit volgt dat voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb geen plaats is.

3.2.    De rechtbank heeft echter evenmin aanleiding gezien de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 26 juli 2016 in stand te laten. De Afdeling zal bezien of zij dat terecht heeft gedaan en daarom deze besluiten toetsen in het licht van de door de rechtbank niet beoordeelde beroepsgronden.

4.    De vreemdelingen hebben betoogd dat de besluiten van 26 juli 2016 niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat de staatssecretaris hen ten onrechte geen termijn heeft gegund om onderzoek te laten verrichten naar de verwondingen van de vreemdeling.

4.1.    De vreemdelingen hebben in hun zienswijze van 27 juni 2016 de staatssecretaris verzocht zijn besluitvorming aan te houden, omdat er een poging zou worden gedaan om de verwondingen van de vreemdeling aan de medische onderzoeksgroep van Amnesty International voor te leggen. In reactie hierop heeft de staatssecretaris in het besluit gesteld dat hij de gestelde toedracht van die verwondingen, de ontvoering en mishandeling, ongeloofwaardig heeft bevonden en geen reden ziet nader onderzoek af te wachten. In zijn verweerschrift van 24 januari 2017 heeft hij daaraan toegevoegd dat de vreemdelingen reeds in 2014 een asielaanvraag hebben gedaan en dat, ook in beroep, geen onderzoeksrapport is ontvangen. Gelet hierop en nu de vreemdelingen op geen enkele wijze hebben aangegeven dat en op welke termijn een onderzoeksrapport wordt verwacht, heeft de staatssecretaris reeds om die reden zijn besluitvorming terecht niet uitgesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4791). De beroepsgrond faalt.

5.    De vreemdelingen hebben aangevoerd dat de staatssecretaris hen krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek had moeten verlenen.

5.1.    In het door het Bureau Medische Advisering uitgebrachte advies van 23 mei 2016 staat dat het uitblijven van behandeling van de vreemdeling binnen korte termijn tot een medische noodsituatie zal kunnen leiden, maar dat de vreemdeling in staat is zonder voorziening door derden te reizen en dat in Afghanistan medische behandeling beschikbaar is. De vreemdelingen hebben dit advies niet bestreden, zodat de staatssecretaris daar terecht van is uitgegaan. De beroepsgrond faalt.

6.    Zoals in 1.1. is overwogen heeft de staatssecretaris in beroep erkend dat hij de aanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Uit hetgeen in 2. tot en met 5.1 is overwogen volgt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat een rechtsgrond voor verlening van de gevraagde vergunningen bestaat. De staatssecretaris klaagt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 26 juli 2016 niet in stand heeft gelaten (vergelijk de uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2999).

6.1.    De eerste grief slaagt.

7.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. Wat de staatssecretaris als vijfde grief aanvoert behoeft geen bespreking.

8.    De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten niet in stand heeft gelaten. Tevens stelt de Afdeling vast dat de in de besluiten aan de vreemdelingen toegekende vertrektermijn van vier weken aanvangt op de dag na verzending van een afschrift van deze uitspraak aan partijen.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 april 2017 in zaken nrs. NL16.1924 en NL16.1926, voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de besluiten van 26 juli 2016 in stand blijven en voorts voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen nieuwe besluiten op de aanvragen te nemen;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.R.M. Brouwer, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Brouwer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

791.