Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
201707139/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2016 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast hok Gg op het perceel [locatie 1] te Minnertsga te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707139/1/A1.

Datum uitspraak: 7 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Minnertsga, gemeente Waadhoeke,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 augustus 2017 in zaak nr. 17/1704 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van het Bildt, thans gemeente Waadhoeke.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2016 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast hok Gg op het perceel [locatie 1] te Minnertsga te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 11 april 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaken nrs. 201702093/1/A1 en 201707149/1/A1 ter zitting behandeld op 12 februari 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door J.P. Jansen, bijgestaan door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel. Op het perceel zijn verschillende bouwwerken gerealiseerd. [belanghebbende] heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen een bijgebouw, aangeduid als hok Gg, op het perceel.

2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat hok Gg, met een oppervlakte van 22,55 m², niet op grond van artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omgevingsvergunningvrij kon worden opgericht. Het hok is evenmin omgevingsvergunningvrij op grond van artikel 3 van die bijlage. Volgens het college staat artikel 16.2.2 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Minnertsga" ter plaatse maximaal 60 m² aan bebouwing toe, hetgeen met de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid tot 100 m² kan worden uitgebreid, terwijl op het perceel reeds 130,68 m² aan bebouwing aanwezig is. De toegestane maximale oppervlakte op het perceel wordt met het hok verder overschreden. Hok Gg is daarom in strijd met het bestemmingsplan. Voor de bouw van het hok is een omgevingsvergunning nodig. Nu [appellant] niet in het bezit is van deze vergunning en er geen bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan van handhavend optreden moet worden afgezien, bestaat aanleiding een last onder dwangsom op te leggen, aldus het college.

    [appellant] kan zich hiermee niet verenigen.

Toepasselijke regelgeving

3.    Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk."

    Artikel 2.9 van het Bor luidt:

"Bij de vaststelling of het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II in achtererfgebied als bedoeld in dat artikellid al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, worden reeds aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, bedoeld in dat artikellid, in mindering gebracht op het door het bestemmingsplan of de beheersverordening toegestane maximum van die bouwwerken."

    Artikel 2, aanhef en derde lid, onderdeel f, van bijlage II van het Bor luidt:

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

[…]

3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m²."

    Artikel 8, tweede lid, luidt:

"Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, c of f, van de wet is niet vereist, indien met die activiteit reeds was aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van een besluit tot wijziging van dit besluit en op het tijdstip van die aanvang geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, c of f, voor die activiteit was vereist."

Beoordeling van het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hok Gg omgevingsvergunningvrij is op grond van artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor.

    Hij voert daartoe primair aan dat hij, gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 19 juli 2017 in zaak nrs. 201702547/1/A1 en 201702547/3/A1, 215 m² aan omgevingsvergunningvrije bouwwerken op zijn perceel mag oprichten. De oppervlakte van de aanwezige bebouwing is ongeveer 130 m², zodat hok Gg omgevingsvergunningvrij kan worden opgericht.

    [appellant] voert subsidiair aan dat hij, gelet op de mogelijkheden die het bestemmingsplan en artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Bor, zoals dat artikel luidde tot 1 november 2014, gelezen in samenhang met artikel 8, tweede lid, van bijlage II, bieden, op zijn perceel 130 m² aan omgevingsvergunningvrije bouwwerken mag oprichten. De oppervlakte van de bebouwing op het perceel is weliswaar groter, maar dat betekent volgens [appellant] niet dat het college hem heeft mogen gelasten hok Gg te verwijderen en verwijderd te houden. Het college had slechts mogen gelasten de oppervlakte van de aanwezige bebouwing terug te brengen tot de maximaal toegestane 130 m². Hij had er dan voor kunnen kiezen andere bouwwerken dan hok Gg te verwijderen, aldus [appellant].

4.1.    Het primaire betoog van [appellant] is gebaseerd op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 19 juli 2017. Volgens [appellant] volgt uit die uitspraak dat hij op grond van het bestemmingsplan 100 m² en op grond van artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor 115 m², dus in totaal 215 m², aan bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied mag bouwen. Omdat dat oppervlak nog niet is bereikt, kan hok Gg op grond van artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II zonder omgevingsvergunning worden gebouwd, aldus [appellant].

    Dit betoog faalt. De uitspraak van 19 juli 2017 is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3537, vervallen verklaard. In de uitspraak van 20 december 2017 is overwogen dat de in de uitspraak van 19 juli 2017 getrokken conclusie op een rechterlijke misslag berust. Om de bebouwingsmogelijkheden aan bijbehorende bouwwerken te bepalen, is artikel 2, aanhef en derde lid, onderdeel f, van bijlage II van het Bor van belang.

4.2.    Het bebouwingsgebied op het perceel van [appellant] bedraagt 551 m². Om op grond van artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunningvrij een bijbehorend bouwwerk op te richten, mag in dit geval, gelet op het bepaalde in onderdeel f, onder 3˚, van dat artikellid, de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer bedragen dan 115 m².

    Op het perceel is reeds 130 m² aan bijbehorende bouwwerken aanwezig. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij op grond van artikel 8, tweede lid, van bijlage II deze bebouwing mag laten staan. Dit artikel ziet op de situatie dat een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo niet is vereist, indien die activiteit reeds was aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 1 november 2014 en op het tijdstip van die aanvang geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo was vereist. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is van die situatie hier geen sprake, reeds omdat [appellant] na 1 november 2014 met de bouw van hok Gg is begonnen.

    Nu op het perceel reeds 130 m² aan bebouwing aanwezig is, kan hok Gg niet op grond van artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II omgevingsvergunningvrij worden opgericht. Voor het oprichten van dit bouwwerk is een omgevingsvergunning vereist. Reeds omdat [appellant] daarover niet beschikt, was het college bevoegd handhavend op te treden en [appellant] te gelasten hok Gg te verwijderen en verwijderd te houden.

    Het betoog faalt.

5.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat het college een bouwsel op het perceel [locatie 2] niet als bouwwerk heeft aangemerkt. De bouwsels op zijn perceel, aangeduid als J, I en D, zijn vergelijkbaar met het bouwsel op het perceel [locatie 2]. Indien ook deze niet zouden zijn aangemerkt als bouwwerken, zou dat gevolgen hebben gehad voor de mogelijkheden om omgevingsvergunningvrij te kunnen bouwen, aldus [appellant].

6.1.    Of de door [appellant] bedoelde bouwsels op zijn perceel als bouwwerken moeten worden aangemerkt, moet worden beoordeeld aan de hand van de definitie die in artikel 1.26 van de planregels is opgenomen. Daarbij is niet van belang hoe een bouwsel op het perceel [locatie 2] door het college is aangemerkt. Reeds hierom faalt het betoog.

7.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank bij de beoordeling van zijn beroep ten onrechte heeft verwezen naar de procedure inzake zijn aanvraag om omgevingsvergunning, faalt. De rechtbank heeft in het kader van de belangenafweging, met name in het kader van de vraag of concreet zicht op legalisering bestaat, mogen betrekken dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning heeft afgewezen.

8.    Over het betoog van [appellant] dat hij door de onterechte ongegrondverklaring van zijn beroep langer moet wachten voordat hij hok Gg opnieuw kan oprichten en daarvan gebruik kan maken, overweegt de Afdeling dat, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, de rechtbank het beroep van [appellant] terecht ongegrond heeft verklaard. Het betoog kan dan ook niet leiden tot het ermee beoogde doel.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellant] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018

473.