Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201609354/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5714, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nertsenfarm aan de [locatie] te Putten en voor het in werking hebben van deze inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609354/1/A1.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Putten, en anderen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 oktober 2016 in zaak nr. 14/8748 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Putten.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nertsenfarm aan de [locatie] te Putten en voor het in werking hebben van deze inrichting.

Bij tussenuitspraak van 10 maart 2016 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in het besluit van 22 oktober 2014 te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.

Bij brieven van 19 april 2016 en 17 augustus 2016 heeft het college de motivering van het besluit van 22 oktober 2014 aangevuld.

Bij uitspraak van 27 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 22 oktober 2014 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college, [belanghebbende] en haar aandeelhouders [persoon A] en [persoon B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2017, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.E. Verbree, S. Epskamp en ing. P. Hennekeij, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [persoon A], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

Overwegingen

1.    [appellant] en anderen kunnen zich niet met de vergunning voor de nertsenfarm verenigen. In hoger beroep zijn hun gronden nog beperkt tot de gestelde geluidvoorschriften.

2.    Niet in geschil is dat het college bij het beoordelen van de door de inrichting veroorzaakte geluidemissie de Nota industrielawaai gemeente Putten die op 26 oktober 2004 is vastgesteld (hierna: de Nota) als uitgangspunt heeft genomen.

    In de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften is op verschillende punten afgeweken van de in de Nota vermelde geluidgrenswaarden voor het hier van toepassing zijnde gebiedstype "Stil landelijk gebied". Het college heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 1.6 van de Nota ("Bestaande versus nieuwe situaties"), waarin onder meer is gesteld dat bij de uitbreiding of wijziging van bestaande bedrijven er soms sprake is van een moeilijk aanpasbare feitelijke situatie. In dergelijke gevallen kan na een bestuurlijke afweging worden afgeweken van de grenswaarden. Verder heeft het college verwezen naar artikel 2.10 van de Nota ("bestaande situaties"), waarin is gesteld dat bestaande bedrijven overeenkomstig de wetgeving hun bestaande geluidrechten behouden.    

2.1.    In het verweer bij de rechtbank heeft het college onder meer betoogd dat overschrijding van de grenswaarden voor het maximale geluidniveau in de dagperiode wordt veroorzaakt door laad- en losactiviteiten en in de avond- en nachtperiode door het rijden met personenauto’s. Er is wat dit betreft sprake van een bestaande situatie in de zin van de Nota waarbij overeenkomstig die nota bestaande rechten moeten worden meegewogen, aldus het college.

    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak naar aanleiding van dit betoog geoordeeld, kort weergegeven, dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom er geluidrechten als bedoeld in de Nota bestaan voor laad- en losactiviteiten.

    Naar aanleiding daarvan heeft het college bij brief van 19 april 2016 een aanvullende motivering gegeven. Het college heeft uiteengezet dat voor de inrichting in 1992 een oprichtingsvergunning is verleend, die in 1999 ambtshalve is geactualiseerd. De omgevingsdienst heeft op verzoek van het college een geluidrapport opgesteld, waarin is berekend welke geluidemissie optrad in de destijds vergunde situatie. Uit het onderzoek blijkt volgens het college dat er bestaande geluidrechten zijn. Bij wijziging en uitbreiding van bestaande bedrijven dient in principe ook getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Nota, maar daarbij moet wel bedacht worden dat er soms sprake is van een moeilijk aanpasbare feitelijke situatie. In dergelijke gevallen kan na een bestuurlijke afweging afgeweken worden van de grenswaarde.

    In het geluidbeleid is gesteld, aldus het college, dat in stille landelijke gebieden en natuurgebieden gestreefd dient te worden om wat stil is stil te laten blijven. Door de veranderde bedrijfsvoering wordt de omgeving van de inrichting stiller: zeker in de avond- en nachtperiode neemt de geluidbelasting aanzienlijk af ten opzicht van de in 1992 en 1999 vergunde situatie. Dit doet, zo stelt het college, recht aan de doelstelling van het geluidbeleid van het college.

    De rechtbank heeft in haar einduitspraak geoordeeld dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het geluidonderzoek niet deugt, en dat de Nota er niet aan in de weg staat dat sprake is van bestaande geluidrechten waarmee bij het bepalen van de geluidbelasting rekening moet worden gehouden. De rechtbank heeft geoordeeld dat daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

2.2.    [appellant] en anderen bestrijden dit oordeel van de rechtbank. Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [belanghebbende] bestaande rechten heeft waarmee bij het bepalen van de geluidbelasting van de beoogde bedrijfssituatie rekening moet worden gehouden. Zij voeren hiertoe aan dat [belanghebbende] geen rechten kan ontlenen aan de eerder voor de inrichting verleende vergunningen, omdat daaraan volgens hen een heel andere bedrijfsvoering ten grondslag ligt. Destijds ging het om een kleinschalig agrarisch bedrijf met mestvarkens, legkippen en melkrundvee terwijl thans vergunning is verleend voor een grootschalige nertsenfarm.

    Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat het naar aanleiding van de tussenuitspraak opgestelde geluidrapport op onrealistische uitgangspunten is gebaseerd. In het bijzonder de bestaande rechten voor het gebruik van een tractor in de dagperiode zijn volgens [appellant] en anderen flink overschat in dat rapport.

2.3.    In de Nota is tot uitdrukking gebracht dat bij al bestaande inrichtingen met een bestuurlijke afweging kan worden afgeweken van de in de Nota opgenomen grenswaarden, en dat daarnaast de rechten die aan eerder voor die inrichting verleende vergunningen kunnen worden ontleend (de zogenoemde bestaande rechten) behouden blijven.

    De Nota bepaalt niet dat een bestuurlijke afweging bij een uitbreiding of wijziging van een inrichting alleen mogelijk is wanneer de bedrijfsvoering van een inrichting gelijk blijft. Ook voor de bestaande rechten, als thans geregeld in artikel 2.6, derde lid, van de Wabo, is het geen vereiste dat de bedrijfsvoering gelijk blijft. Reeds hierom brengt het feit dat thans een gewijzigde bedrijfsvoering wordt vergund, anders dan [appellant] en anderen menen, niet mee dat de eerder vergunde situatie niet bij het beoordelen van de geluidemissie van de inrichting kon worden betrokken.

    Dit betoog faalt.

2.4.    In het geluidrapport is op basis van de in 1992 verleende, en 1999 geactualiseerde, oprichtingsvergunning en daarnaast op basis van gegevens uit de aanvraag van een op 25 juli 2000 verleende, maar niet in werking getreden, veranderingsvergunning voor de inrichting, bepaald welke geluidrelevante activiteiten in de eerder vergunde situatie plaatsvonden. In de aanvraag van de op 25 juli 2000 verleende vergunning is onder meer vermeld dat binnen de inrichting tractoren 95% van de dag en 5% van de avond in bedrijf zijn.

    Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat, zoals in het geluidrapport is vermeld, de aanvraag van de desbetreffende veranderingsvergunning geen wijziging inhoudt van de activiteiten waaruit de geluidbelasting voortvloeit. De Afdeling ziet onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het college voor de beoordeling van de geluidemissie die kon optreden bij de inrichting zoals destijds vergund, niet de in die aanvraag beschreven situatie heeft mogen betrekken. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het geluidrapport, door de in die aanvraag beschreven bedrijfstijden van de tractor in de dagperiode tot uitgangspunt te nemen, een onbruikbaar beeld van deze geluidemissie inhoudt. Overigens merkt de Afdeling op dat, zoals onder 2.1 is weergegeven, het college bij zijn afweging met name van belang heeft geacht dat de geluidemissie in de avond- en nachtperiode ten opzichte van de eerder vergunde situatie aanzienlijk afneemt. De bedrijfstijden van de tractor in de dagperiode hebben geen invloed op de geluidemissie in die perioden.

    Dit betoog faalt gelet hierop eveneens.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Beek-Gillessen

voorzitter    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

595.