Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201608329/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van onderscheidenlijk 5 juli 2016, 20 september 2016, 17 augustus 2016 en 23 augustus 2016 hebben het college van gedeputeerde staten van Gelderland, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, de minister en de staatssecretaris (hierna: verweerders), op grond van de artikelen 19a en 19b van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het beheerplan "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem", geheel dan wel voor de delen waarvoor zij het bevoegd gezag zijn, vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608329/1/R2.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, de minister van Infrastructuur en Milieu, thans: staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, en de staatssecretaris van Economische Zaken, thans: minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluiten van onderscheidenlijk 5 juli 2016, 20 september 2016, 17 augustus 2016 en 23 augustus 2016 hebben het college van gedeputeerde staten van Gelderland, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, de minister en de staatssecretaris (hierna: verweerders), op grond van de artikelen 19a en 19b van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het beheerplan "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem", geheel dan wel voor de delen waarvoor zij het bevoegd gezag zijn, vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellante B] beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellante B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2018, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. R. Ligtvoet, het college van gedeputeerde staten van Gelderland, vertegenwoordigd door mr. M.M.H.J. Vroemen, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door A.J.G. Breeuwer, en de minister en de staatssecretaris, beide vertegenwoordigd door mr. ing. H.D. Strookman, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden en is de Nbw 1998 ingetrokken. Omdat het bestreden besluit is genomen vóór 1 januari 2017 volgt uit artikel 9.10 van de Wet natuurbescherming dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.

2.    Het door verweerders op grond van de artikelen 19a en 19b van de Nbw 1998 vastgestelde beheerplan "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem" heeft betrekking op het gelijknamige Natura 2000-gebied. Dit gebied is op grond van de Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000-gebied en bestaat uit drie los van elkaar liggende deelgebieden. Eén van die deelgebieden is Pompveld; een kleine polder in het stroomgebied van de Waal. Pompveld is een belangrijk leefgebied voor een aantal beschermde soorten, waaronder de vissoort grote modderkruiper.

    [appellant A] en [appellante B] exploiteren een melkveehouderij. Een deel van de weidegronden van dit bedrijf ligt in het gebied Pompveld. Zij hebben bezwaren tegen het beheerplan.

Het beheerplan

3.    Het gebied "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem" is één van de Natura 2000-gebieden in Europa. Natura 2000-gebieden zijn gebieden die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn moeten worden beschermd. In Nederland wordt een aanwijzingsbesluit genomen, waarmee de gebieden als Natura 2000-gebied worden aangewezen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden doelstellingen geformuleerd voor de beschermenswaardige habitattypen en (vogel)soorten die in het gebied aanwezig zijn. Zo kan als doelstelling worden geformuleerd dat een bepaald habitattype moet uitbreiden of dat de kwaliteit daarvan moet worden verbeterd, of dat de populatie van een (vogel)soort moet worden behouden.

3.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen en nader uitgelegd in onder meer de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894, moeten na de aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied maatregelen worden getroffen om de gestelde doelstellingen te bereiken. In een beheerplan worden die maatregelen en de wijze waarop deze moeten worden uitgevoerd, beschreven. Het beheerplan kan echter meer elementen bevatten dan een beschrijving van de maatregelen die moeten gaan leiden tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, zoals de mogelijkheid projecten en andere handelingen in een beheerplan te beschrijven en die daarmee uit te zonderen van de vergunningplicht uit artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Dit is het deel van het beheerplan waarin de handelingen zijn beschreven die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Alleen tegen de keuze bepaalde projecten of andere handelingen daarin wel of niet te beschrijven en daarmee al dan niet vrij te stellen van de vergunningplicht staat beroep open, bepaalt artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998.

3.2.    Dit betekent dat appellanten geen beroep kunnen instellen tegen de maatregelen die in het beheerplan zijn opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, in dit geval "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem", te bereiken. Dergelijke maatregelen zijn voor het gebied "Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem" onder meer het vergroten van het leefgebied van de vissoort grote modderkruiper door inrichting van het Andelsche Broek (Pompveld) (M8) en het volledig realiseren van de ecologische verbindingszone Pompveld & Kornsche Boezem (M9) voor het behoud en de verbetering van het leefgebied van de grote modderkruiper.

Het beroep

4.    [appellant A] en [appellante B] betogen dat in het beheerplan onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Zij wijzen daarbij op de beschrijving van de maatregelen 8 en 9 in het beheerplan. Deze maatregelen zien op de inrichting van het deelgebied Pompveld en omliggende gronden om de instandhoudingsdoelstellingen voor met name de grote modderkruiper te kunnen behalen. Om deze inrichtingsmaatregelen te kunnen treffen, moeten in het gebied gronden worden ontpacht of moeten deze vrijwillig worden verworven. [appellant A] en [appellante B] vinden dat, gelet op hun belangen en de toekomst van hun agrarisch bedrijf, al in het beheerplan duidelijkheid moet worden geboden over welke gronden het gaat. Ook vinden zij dat opgehelderd moet worden wat er zal gebeuren als het niet lukt om gronden op vrijwillige basis te verwerven. Omdat duidelijkheid op deze twee punten ontbreekt, is het beheerplan onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig, aldus [appellant A] en [appellante B].

    Zij vrezen daarnaast dat niet kan worden voldaan aan de toezegging in het beheerplan dat zolang binnen de begrenzing nog een agrarisch bedrijf is gevestigd, geen maatregelen zullen worden getroffen die een ernstig negatief effect hebben op de bedrijfsvoering van het bedrijf. Zij wijzen daartoe op de hydrologische maatregelen die noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen voor de grote modderkruiper te bereiken, maar die de bedrijfsvoering (kunnen) belemmeren.

    [appellant A] en [appellante B] betogen ten slotte dat zij beroep kunnen instellen omdat deze beroepsgronden niet zijn gericht tegen de maatregelen op zichzelf, maar tegen de gebrekkige beschrijving van de wijze waarop de maatregelen moeten worden uitgevoerd.

4.1.    De Afdeling overweegt dat het beroep van [appellant A] en [appellante B], anders dan zij stellen, niet is gericht tegen het deel van het beheerplan waarin de handelingen zijn beschreven die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Het beroep is immers niet gericht tegen de beschrijving van projecten of andere handelingen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, of tegen het ontbreken van een dergelijke beschrijving van een project of andere handeling die volgens hen wel van de vergunningplicht had moeten worden vrijgesteld.

    Het beroep van [appellant A] en [appellante B] is gericht tegen het deel van het beheerplan waarin is beschreven welke maatregelen in het deelgebied Pompveld moeten worden getroffen ten aanzien van de grote modderkruiper, op welke wijze die maatregelen moeten worden uitgevoerd en de wijze waarin belangen zijn betrokken bij de totstandkoming van die maatregelen. Het betreft daarbij specifiek de maatregelen onder M8 en M9.

Zoals onder 2.2 en 2.3 overwogen, kan tegen het deel van het beheerplan waarin de instandhoudingsmaatregelen zijn beschreven op grond van artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998 echter geen beroep worden ingesteld.

    De Afdeling is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellant A] en [appellante B]. Dit betekent dat de Afdeling niet inhoudelijk kan ingaan op de door hen naar voren gebrachte beroepsgronden.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6.    Redelijke toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht voor het beroep terugbetaalt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;

II.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep terugbetaalt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen aan de betalingsverplichting is voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

458.