Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
28-02-2018
Zaaknummer
201701614/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:77, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het gesteld zonder omgevingsvergunning realiseren van overheaddeuren in een gebouw op het perceel R190 te Liessel (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701614/1/A1.

Datum uitspraak: 28 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Liessel, gemeente Deurne,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 januari 2017 in zaak nr. 16/2069 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het gesteld zonder omgevingsvergunning realiseren van overheaddeuren in een gebouw op het perceel R190 te Liessel (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 17 juni 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. drs. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M.J. Thijssen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op het perceel bevindt zich een als veldschuur aangeduid gebouw (hierna: de veldschuur). In 2014 heeft [eigenaar], eigenaar van het perceel, drie overheaddeuren geplaatst in reeds bestaande openingen in een van de gevels van deze veldschuur. [appellante], die tegenover het perceel woont, heeft het college verzocht om hiertegen handhavend op te treden, omdat volgens haar hiermee het verbod om zonder omgevingsvergunning te bouwen is overtreden.

    Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat het realiseren van de overheaddeuren volgens hem vergunningsvrij is toegestaan. De rechtbank heeft overwogen dat dit standpunt van het college onjuist is, maar dat het college het verzoek niettemin terecht heeft afgewezen. Hiertoe heeft de rechtbank gewezen op de in 1966 verleende bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) voor het ter plaatse bouwen van een varkensstal/veldschuur. Deze vergunning is zowel bij [eigenaar], als bij de gemeente Deurne, in het ongerede geraakt, en kan dan ook niet meer worden geraadpleegd. Daardoor kan niet worden vastgesteld of het in 1966 vergunde bouwplan al dan niet voorzag in het realiseren van de in geding zijnde overheaddeuren. De rechtbank heeft hieruit de conclusie getrokken dat niet kan worden vastgesteld dat het realiseren van de overheaddeuren een overtreding oplevert, zodat het college niet bevoegd is daartegen handhavend op te treden. [appellante] kan zich hiermee niet verenigen.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college wel bevoegd is om handhavend op te treden. Volgens haar kan worden aangenomen dat de bouwvergunning uit 1966 reeds was uitgewerkt. Zij stelt daartoe dat de bouwvergunning reeds in 1966 is gebruikt om een varkensstal te bouwen. Deze is later weer afgebroken, waarna de bestaande veldschuur is gebouwd. Hiertoe wijst [appellante] op stukken uit het gemeentelijke archief, waaruit volgens haar blijkt dat de bouw van de vergunde varkensstal/veldschuur in 1966 is gereedgemeld. Verder wijst zij op een mededeling van [eigenaar] tijdens een zitting van de rechtbank, waaruit volgens haar blijkt dat de veldschuur herbouw van een oude varkensstal betreft. De uitgewerkte vergunning uit 1966 kon niet worden benut voor deze herbouw, zodat ook het realiseren van de overheaddeuren niet op grond van die vergunning mogelijk kan zijn, aldus [appellante].

    Subsidiair betoogt zij dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwen op basis van een vergunning slechts is toegestaan wanneer de gebruiker over de vergunning beschikt of kan beschikken, zodat kan worden bepaald welk bouwplan is vergund. Nu dat hier niet het geval is, levert het realiseren van de overheaddeuren een overtreding op, aldus [appellante]. Een andere uitleg leidt volgens haar tot het ongewenste gevolg dat ook in de toekomst onbeperkt verdere veranderingen of uitbreidingen aan de veldschuur kunnen worden gerealiseerd met een beroep op de bouwvergunning uit 1966, zonder dat daar ooit handhavend tegen zal kunnen worden opgetreden.

2.1.    Artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt:

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt."

    Artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) luidt:

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…]

7. een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn."

    Artikel 1, eerste lid, luidt:

"In deze bijlage wordt verstaan onder:

[…]

bijbehorende bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

[…]

hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

[…]".

2.2.    Niet in geschil is dat de veldschuur niet kan worden aangemerkt als een hoofdgebouw als omschreven in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. De veldschuur kan evenmin worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk als omschreven in dat artikellid, nu zich op het perceel geen hoofdgebouw bevindt. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de oude schuur op het perceel niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt, nu deze niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1980 geldende bestemming "Landschappelijk waardevol agrarisch gebied". Anders dan het college in het besluit van 17 juni 2016 heeft aangenomen, is het realiseren van overheaddeuren in een van de gevels van de veldschuur dan ook niet op grond van artikel 2, aanhef en zevende lid, van bijlage II bij het Bor, dan wel enige andere bepaling, vergunningsvrij. Hiervoor was dan ook een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo vereist. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

2.3.    Tussen partijen is niet in geschil dat in 1966 een bouwvergunning is verleend voor een varkensstal/veldschuur die, gezien beschikbare controlefoto's van 1 november 2005, in elk geval reeds vanaf dat moment aanwezig is. Nu het hier gaat om een oude vergunning voor een varkensstal/veldschuur, waarvan reeds lange tijd geleden gebruik is gemaakt, is niet aannemelijk dat de veldschuur nog niet geheel conform die vergunning was afgebouwd en dat deze pas met de plaatsing van de overheaddeuren in 2014, dus 48 jaar later, is voltooid zoals die in 1966 is vergund. Gelet hierop is het, nog daargelaten de vraag of voor de veldschuur ooit een gereedmelding is gedaan en of ooit sprake is geweest van herbouw, niet aannemelijk dat de overheaddeuren in overeenstemming zijn met de in 1966 verleende vergunning. Voor zover [eigenaar] zich op het standpunt stelt dat deze bouwvergunning niettemin grondslag bood om de overheaddeuren te realiseren, ligt het op zijn weg om dat aannemelijk te maken. [eigenaar] zal hierin evenwel niet kunnen slagen, nu hij, zoals hij ter zitting van de rechtbank heeft bevestigd, de bij de bouwvergunning behorende bouwtekening niet kan tonen.

    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, komt verder geen betekenis toe aan een eerder, onherroepelijk geworden besluit van het college van 12 mei 2011, waarbij het college zich ten aanzien van een eerdere wijziging aan de veldschuur onbevoegd achtte handhavend op te treden omdat het niet kon vaststellen of deze wijziging in afwijking van de bouwvergunning was gerealiseerd. Dit besluit heeft geen werking voor later aangebrachte wijzigingen zoals het realiseren van de overheaddeuren.

    De conclusie is dat ervan moet worden uitgegaan dat de overheaddeuren in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo zijn gerealiseerd. Het college heeft zich ten onrechte niet bevoegd geacht om daartegen handhavend op te treden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 juni 2016 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

4.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 januari 2017 in zaak nr. 16/2069;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deurne van 17 juni 2016, kenmerk 00581368/779471;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deurne tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018

374-727.